Het dossier bevat slechts een op 5 april 2022 gedateerde uitreiking inzake executie.
HR, 14-05-2024, nr. 22/01263
ECLI:NL:HR:2024:690
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-05-2024
- Zaaknummer
22/01263
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:690, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑05‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:272
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:4487
ECLI:NL:PHR:2024:272, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:690
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0094
JIN 2024/75 met annotatie van mr. C. van Oort
Uitspraak 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Diefstal van postpakket door sushibezorger, art. 310 Sr. Gebrek in vaststelling en ondertekening van p-v van tz. in hoger beroep, art. 327 Sv. P-v van tz. in h.b. is enkel door griffer hof vastgesteld en ondertekend, nu raadsheer van enkelvoudige kamer hof niet meer bij hof werkzaam is. Nietigheid onderzoek ttz. en uitspraak? P-v van tz. in h.b. is niet door rechter die over zaak heeft geoordeeld vastgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 327 Sv. Aan dat verzuim doet niet af dat dit p-v wel is vastgesteld en ondertekend door griffier. O.g.v. art. 327 (tweede volzin) Sv kan vaststelling en ondertekening van p-v door rechter die over zaak heeft geoordeeld, immers niet worden gemist (vgl. HR:2020:1803). Enkele onderaan p-v vermelde grond dat raadsheer niet in staat was tot vaststelling en ondertekening van dit p-v, omdat hij niet meer werkzaam was bij hof, vormt niet zodanig bijzondere omstandigheid dat aan hiervoor genoemd verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van onderzoek ttz. en naar aanleiding daarvan gegeven einduitspraak achterwege kan blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01263
Datum 14 mei 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, nummer 23-001808-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2021 in strijd met artikel 327 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet door de voorzitter is ondertekend.
2.2
Bij de stukken bevinden zich:(i) een proces-verbaal van de terechtzitting van het hof (enkelvoudige kamer) van 26 maart 2021, en(ii) een aantekening van het mondeling arrest als bedoeld in artikel 425 lid 3 Sv van dezelfde datum.De Hoge Raad begrijpt dat de onder i en ii bedoelde stukken samen het proces-verbaal van de terechtzitting vormen waarin het mondeling arrest is aangetekend, als bedoeld in artikel 425 lid 3 Sv.De aantekening van het mondeling arrest is aan het slot voorzien van één handtekening en houdt onder meer in:
“Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat alleen door de griffier is vastgesteld en ondertekend, daartoe was de raadsheer niet in staat nu hij vanaf 30 april 2022 niet meer werkzaam is bij het gerechtshof Amsterdam.”
2.3
Artikel 327 Sv luidt:
“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
2.4.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2021 is niet door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld vastgesteld en ondertekend overeenkomstig artikel 327 Sv. Aan dat verzuim doet niet af dat dit proces-verbaal wel is vastgesteld en ondertekend door de griffier. Op grond van de tweede volzin van artikel 327 Sv kan vaststelling en ondertekening van het proces-verbaal door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld, immers niet worden gemist. (Vgl. HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803.)
2.4.2
De enkele onderaan het proces-verbaal vermelde grond dat de raadsheer niet in staat was tot vaststelling en ondertekening van dit proces-verbaal, omdat hij sinds 30 april 2022 niet meer werkzaam was bij het hof, vormt niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat het aan het hiervoor in 2.4.1 genoemde verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven einduitspraak achterwege kan blijven.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2024.
Conclusie 05‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. M1 over ontbreken handtekening raadsheer op proces-verbaal ter zitting. M2 over overschrijding inzendtermijn stukken naar de Hoge Raad. Beide middelen slagen volgens plv. AG. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01263
Zitting 5 maart 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 26 maart 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "diefstal", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
2.2
Tussen de stukken van het geding bevinden zich:
(i) een geschrift met het opschrift “aantekening mondeling arrest” dat, zo blijkt uit de inhoud, een verkorte aantekening mondeling arrest betreft van de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021. Dit geschrift is ondertekend door de behandelend raadsheer;
(iia) een geschrift met het opschrift “proces-verbaal”, dat blijkens zijn inhoud betrekking heeft op de zitting van 26 maart 2021. Dit geschrift is niet ondertekend;
(iib) een geschrift met het opschrift “aantekening van het mondeling arrest” dat blijkens zijn inhoud een uitwerking betreft van het onder (i) genoemde geschrift. Dit geschrift is alleen door de griffier ondertekend.
2.3
Uit de bewoordingen van het onder (iib) genoemde geschrift maak ik op dat dit bedoeld is om onderdeel uit te maken van het onder (iia) bedoelde proces-verbaal waardoor beide geschriften tezamen in wezen één stuk behelzen en het proces-verbaal vormen als bedoeld in art. 425 lid 3 Sv. Aan het slot van het onder (iib) bedoelde geschrift valt te lezen:
“Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat alleen door de griffier is vastgesteld en ondertekend, daartoe was de raadsheer niet in staat nu hij vanaf 30 april 2022 niet meer werkzaam is bij het gerechtshof Amsterdam.”
2.4
De reden dat de raadsheer het proces-verbaal niet meer heeft kunnen ondertekenen zal verband houden met het feit dat het cassatieberoep is ingesteld op 6 april 2022, dus ruim een jaar na het wijzen van het arrest. Gelet op het feit dat de verdachte bij verstek is veroordeeld (zo volgt uit het onder (i) bedoelde geschrift), terwijl uit de overige stukken van het geding blijkt dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend terwijl ook niet blijkt van andere in art. 432 lid 1 Sv genoemde omstandigheden,1.moet het er evenwel voor worden gehouden dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld.
2.5
Uit het voorgaande volgt dat het proces-verbaal van de zitting niet overeenkomstig het - krachtens art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijnde - art. 327 Sv door de behandelend raadsheer is ondertekend. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2020 volgt dat de enkele onderaan het proces-verbaal vermelde grond dat de betrokken raadsheer niet meer werkzaam is bij het hof, niet een zodanig bijzondere omstandigheid vormt dat het aan zo’n verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kan blijven.2.Van bijzondere omstandigheden als aan de orde waren in het arrest van 3 maart 2018 blijkt mij niet.3.Dat het proces-verbaal - althans het onder (iib) bedoelde geschrift - wel is ondertekend, maakt bovendien niet dat de handtekening van de behandelend raadsheer kon worden gemist.4.
2.6
Het middel slaagt.
Het tweede middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
3.2
Het cassatieberoep is ingesteld op 6 april 2022. De stukken van het geding zijn op 27 december 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening.
3.3
Het middel slaagt. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde straf kan in beginsel evenwel worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel gegrond is en terugwijzing moet volgen, behoeft het tweede middel bovendien geen bespreking.
Afronding
4.1
Beide middelen slagen
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑03‑2024
HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605, rov. 2.4.
HR 3 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:501. Ik wijs erop dat in die zaak ter zitting in hoger beroep een gemachtigd raadsman aanwezig was en door hem alleen een strafmaatverweer was gevoerd.
HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803, rov. 2.4.1.