Vgl. HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3043, r.o. 2.3.3, en HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1721, r.o. 2.3.
HR, 22-04-2025, nr. 23/01605
ECLI:NL:HR:2025:643, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-04-2025
- Zaaknummer
23/01605
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:643, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:174
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2970, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:PHR:2025:174, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:643
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑11‑2023
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Rijden onder invloed van amfetamine en cannabis (art. 8.5 WVW 1994) en rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep t.a.v. rijden zonder rijbewijs, art. 427.2 Sv. 2. Bewijsklacht rijden onder invloed. Is sprake is van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994, nu verdachte in strijd met strikte waarborgen a.b.i. art. 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in verkeer niet schriftelijk in kennis is gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek? Ad 1. ’s Hofs uitspraak heeft wat betreft feit 2 betrekking op overtreding (art. 107.1 WVW 1994). Hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. O.g.v. art. 427 Sv staat tegen ’s hofs uitspraak t.a.v. feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan HR wat betreft dat feit het cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. Ad 2. Van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994 is slechts sprake als waarborgen zijn nageleefd waarmee wetgever dat onderzoek met oog op betrouwbaarheid van resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR:2020:1684). Voorschrift van art. 17 Besluit dat verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek, betreft strikte waarborg (vgl. HR:2021:1793). Uit ‘s hofs vaststellingen volgt dat (i) verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor door politie geen adres heeft opgegeven waar uitslag van bloedonderzoek naartoe kon worden gestuurd, (ii) verdachte niet in kennis is gesteld van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek maar dat is volstaan met kennisgeving die was gericht aan adres onbekend, en (iii) reden voor het achterwege laten van kennisgeving aan verdachte erin was gelegen dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat omstandigheid dat kennisgeving de verdachte niet heeft bereikt, niet eraan in de weg staat dat sprake is van “onderzoek” a.b.i. art. 8.5 WVW 1994, omdat het aan verdachte is te wijten dat hij zich niet heeft laten inschrijven in BRP en hij ook niet bij politie adresgegevens heeft opgegeven. Art. 17 Besluit vereist dat opsporingsambtenaar de verdachte schriftelijk in kennis stelt van resultaat van bloedonderzoek en van recht op tegenonderzoek. Dit voorschrift waarborgt o.m. dat verdachte gebruik kan maken van recht op tegenonderzoek op moment dat afgenomen bloed daarvoor nog beschikbaar is. In het geval dat door verdachte geen adres is opgegeven waaraan kennisgeving kan worden gedaan, maar opsporingsambtenaar door raadpleging van BRP-gegevens wel actueel adres van verdachte kan achterhalen, moet kennisgeving naar dat adres worden verzonden. Nu uit stukken blijkt dat van verdachte op moment dat politie het resultaat van bloedonderzoek ontving, in BRP een adres in Polen stond geregistreerd, heeft hof miskend dat kennisgeving naar dat adres in Polen had kunnen en moeten worden verzonden. Dat verdachte op dat moment niet was ingeschreven op adres in Nederland, leidt daarbij niet tot ander oordeel. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. ontvankelijkheid cassatieberoep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01605
Datum 22 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2023, nummer 22-001937-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Klein Molekamp, advocaat in ’sGravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De uitspraak van het hof heeft wat betreft feit 2 betrekking op een overtreding (artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994)). Het hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Op grond van artikel 427 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien van feit 2 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad wat betreft dat feit het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat geen sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994. Het voert daartoe aan dat de verdachte in strijd met de strikte waarborgen als bedoeld in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) niet schriftelijk in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek.
3.2.1
In het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de politierechter is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 2 maart 2020 te [plaats] een personenauto heeft bestuurd na gebruik van meerdere in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 235 microgram amfetamine per liter bloed en 3,9 microgram THC per liter bloed bedroeg.”
3.2.2
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd –kort samengevat– dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit dient te worden
vrijgesproken, nu aan zijn cliënt niet de uitslag van het bloedonderzoek is meegedeeld en hij dus niet op het recht op tegenonderzoek is gewezen. Volgens de raadsman is daarmee niet voldaan aan artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer hetgeen een strikte waarborg inhoudt zodat er niet meer gesproken kan worden van een "onderzoek" als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 zodat het bewijs verkregen uit het bloedonderzoek niet kan meewerken voor het bewijs, althans daarvan dient te worden uitgesloten, een en ander zoals nader toegelicht in de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota.
Het hof overweegt daarover als volgt.
Blijkens het proces-verbaal rijden onder invloed met nummer PL1500-2020061177-1 is de verdachte niet in kennis gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek omdat hij geen vaste woon of verblijfplaats heeft in Nederland, hetgeen zijn bevestiging vindt in de in het dossier bevindende persoonsregister SKBD dat de verdachte.
Voorts stelt het hof vast dat door de verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor bij de politie geen adresgegevens zijn opgegeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naar toe had kunnen worden gestuurd. Uiteindelijk is op 2 april 2020 de brief opgemaakt, gericht aan de verdachte met adresgegevens onbekend,
waarin de uitslag van het bloedonderzoek staat vermeld.
Dat de uitslag van het bloedonderzoek niet bij de verdachte is terechtgekomen is naar het oordeel van het hof geheel aan de verdachte zelf te wijten. Het is immers de verantwoordelijkheid van de verdachte om zich te laten inschrijven in de Gemeentelijke basisadministratie dan wel had hij bij de politie adresgegevens kunnen opgeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naar toe had kunnen worden gestuurd.
Gelet op het voorgaande is er sprake van een onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 van de WVW 1994, zodat de resultaten van het onderzoek kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Het hof verwerpt dan ook dit verweer.”
3.2.3
Bij de stukken bevinden zich:
- een brief van de politie eenheid Den Haag van 2 april 2020 aan de verdachte, waarin de uitslag van het bloedonderzoek is medegedeeld en de verdachte is gewezen op het recht om een tegenonderzoek te laten verrichten. Deze brief is geadresseerd aan [verdachte] , “Onbekend 9999, ZVWOVP (de Hoge Raad begrijpt: zonder vaste woon- of verblijfplaats), ONBEKEND”;
- een ‘ID Staat (Op basis van identificatie met biometrie)’ van 2 maart 2020, die de volgende informatie bevat: de verdachte heeft de Poolse nationaliteit, hij heeft als adres in de basisregistratie personen (hierna: BRP) [a-straat 1] [plaats] , [nummer] , Polen en als zijn laatste feitelijke woon- of verblijfplaats is vermeld “ZVWOVP”;
- een informatiestaat SKDB-persoon van de verdachte van 8 april 2021, die de volgende informatie bevat: de verdachte is niet-ingezetene, hij heeft met ingang van 23 september 2017 als BRP-adres voornoemd adres in Polen, en als zijn laatste feitelijke woon- of verblijfplaats is vermeld “ZVWOVHTL” (de Hoge Raad begrijpt: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande) met als gemeente en land “ [plaats] , Nederland” en als registratiedatum 10 maart 2021.
3.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 5 WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
3.3.2
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang:
- artikel 8 lid 5 WVW 1994:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
- artikel 17 Besluit:
“De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.”
3.4
Van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994 is slechts sprake als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684). Het voorschrift van artikel 17 Besluit dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek, betreft een strikte waarborg (vgl. HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1793).
3.5
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat (i) de verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor door de politie geen adres heeft opgegeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naartoe kon worden gestuurd, (ii) de verdachte niet in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek, maar dat is volstaan met een kennisgeving die was gericht aan adres onbekend, en (iii) de reden voor het achterwege laten van de kennisgeving aan de verdachte erin was gelegen dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat de omstandigheid dat de kennisgeving de verdachte niet heeft bereikt, niet eraan in de weg staat dat sprake is van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW 1994, omdat het aan de verdachte is te wijten dat hij zich niet heeft laten inschrijven in de BRP en hij ook niet bij de politie adresgegevens heeft opgegeven.
3.6.1
Artikel 17 Besluit vereist dat de opsporingsambtenaar de verdachte schriftelijk in kennis stelt van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Dit voorschrift waarborgt onder meer dat de verdachte gebruik kan maken van het recht op tegenonderzoek op een moment dat het afgenomen bloed daarvoor nog beschikbaar is. In het geval dat door de verdachte geen adres is opgegeven waaraan de kennisgeving kan worden gedaan, maar de opsporingsambtenaar door raadpleging van BRP-gegevens wel een actueel adres van de verdachte kan achterhalen, moet de kennisgeving naar dat adres worden verzonden.
3.6.2
Nu uit de onder 3.2.3 weergegeven stukken blijkt dat van de verdachte op het moment dat de politie het resultaat van het bloedonderzoek ontving, in de BRP een adres in Polen stond geregistreerd, heeft het hof miskend dat de kennisgeving naar dat adres in Polen had kunnen en moeten worden verzonden. Dat de verdachte op dat moment niet was ingeschreven op een adres in Nederland, leidt daarbij niet tot een ander oordeel.
3.7
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk wat betreft de beslissingen van het hof over het onder 2 tenlastegelegde;
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging ten aanzien van dat feit;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Rijden onder invloed (art. 8 WVW 1994). Middel klaagt over verwerping verweer dat verdachte in strijd met art. 17 BADG (strikte waarborg) niet schriftelijk in kennis is gesteld van resultaat bloedonderzoek en recht op tegenonderzoek, zodat geen sprake is van een onderzoek in de zin van art. 8 WVW 1994. Middel slaagt, omdat oordeel hof dat het aan verdachtes eigen schuld is te wijten dat hij geen kennisgeving van uitslag heeft ontvangen onbegrijpelijk is, gezien het feit dat uit dossier blijkt dat verdachte een BRP-adres in Polen had ten tijde van zijn aanhouding.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01605
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
Bij arrest van 17 april 2023 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2021 onder aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging. Bij dat vonnis is de verdachte wegens onder 1 “overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (235 microgram amfetamine per liter bloed en 3,9 microgram THC per liter bloed)” en onder 2 “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld. Het hof heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde heeft het hof bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
1.2
Namens de verdachte heeft J. Klein Molekamp, advocaat in Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, omdat hij in strijd met de strikte waarborgen als bedoeld in art. 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) niet schriftelijk in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek zodat geen sprake is van een ‘onderzoek’ in de zin van art. 8 WVW 1994.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 2 maart 2020 te Rijswijk een personenauto heeft bestuurd na gebruik van meerdere in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 235 microgram amfetamine per liter bloed en 3,9 microgram THC per liter bloed bedroeg.”
2.3
Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd - kort samengevat - dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken, nu aan zijn cliënt niet de uitslag van het bloedonderzoek is meegedeeld en hij dus niet op het recht op tegenonderzoek is gewezen. Volgens de raadsman is daarmee niet voldaan aan artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer hetgeen een strikte waarborg inhoudt zodat er niet meer gesproken kan worden van een “onderzoek” als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 zodat het bewijs verkregen uit het bloedonderzoek niet kan meewerken voor het bewijs, althans daarvan dient te worden uitgesloten, een en ander zoals nader toegelicht in de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota.
Het hof overweegt daarover als volgt. Blijkens het proces-verbaal rijden onder invloed met nummer PL1500-2020061177-1 is de verdachte niet in kennis gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek omdat hij geen vaste woon of verblijfplaats heeft in Nederland, hetgeen zijn bevestiging vindt in de in het dossier bevindende persoonsregister SKBD dat de verdachte. Voorts stelt het hof vast dat door de verdachte bij zijn aanhouding dan wel bij zijn verhoor bij de politie geen adresgegevens zijn opgegeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naar toe had kunnen worden gestuurd. Uiteindelijk is op 2 april 2020 de brief opgemaakt, gericht aan de verdachte met adresgegevens onbekend, waarin de uitslag van het bloedonderzoek staat vermeld.
Dat de uitslag van het bloedonderzoek niet bij de verdachte is terechtgekomen is naar het oordeel van het hof geheel aan de verdachte zelf te wijten. Het is immers de verantwoordelijkheid van de verdachte om zich te laten inschrijven in de Gemeentelijke basisadministratie dan wel had hij bij de politie adresgegevens kunnen opgeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naar toe had kunnen worden gestuurd.
Gelet op de voorgaande is er sprake van een onderzoek in de zin van artikel 8 lid 5 van de WVW 1994, zodat de resultaten van het onderzoek kunnen worden gebezigd voor het bewijs.
Het hof verwerpt dan ook dit verweer.”
2.4
Van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de daardoor gegenereerde resultaten heeft omringd. Als de rechter tot het oordeel komt dat zo’n waarborg niet is nageleefd, moet het resultaat van het onderzoek van het bewijs worden uitgesloten.1.Art. 17 BADG, dat voorschrijft dat de opsporingsambtenaar de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag met het resultaat van het bloedonderzoek schriftelijk in kennis stelt van dit resultaat en van het recht op tegenonderzoek, is zo’n strikte waarborg.2.Uit de nota van toelichting bij dit besluit blijkt dat geen hoge eisen aan dit ‘schriftelijk’ in kennis stellen, worden gesteld; het verzenden van een schriftelijke mededeling naar het adres dat de verdachte zelf heeft opgegeven, is voldoende.3.
2.5
In de onderhavige zaak is de verdachte niet schriftelijk in kennis gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek. Het hof overweegt dat dit geheel aan de verdachte zelf is te wijten. De verdachte heeft namelijk geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hetgeen zijn bevestiging vindt in de zich in het dossier bevindende Informatiestaat SKBD, en heeft niet de verantwoordelijkheid genomen zich in te schrijven in de gemeentelijke basisadministratie. Ook heeft hij bij zijn aanhouding en verhoor geen adres opgegeven waarnaar de uitslag van het bloedonderzoek had kunnen worden gestuurd.
2.6
Uit de zich in het dossier bevindende Informatiestaat SKDB-persoon van 22 februari 2023 blijkt dat de verdachte de Poolse nationaliteit heeft en sinds 23 september 2017 in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd staat als niet-ingezetene met een adres in [plaats]. Een eenvoudige zoekslag op internet wijst uit dat dit een plaats in Polen is. Deze situatie is zo sinds 2017 en was dus ook zo in 2020, toen de uitslag van het bloedonderzoek bekend werd. Het lijkt mij in de rede te liggen dat als de verdachte bij zijn aanhouding en verhoor geen adresgegevens verstrekt maar in de BRP wel een adres van hem bekend is (hetgeen voor de politie via de applicatie ‘Basis Voorziening Informatie Integraal Bevragen’ (BVI-IB) zeer eenvoudig is te achterhalen), de kennisgeving in beginsel naar dit adres dient te worden gestuurd, ook als dit een buitenlands adres betreft.
2.7
Dat uit het proces-verbaal van verhoor van de verdachte blijkt dat hij tijdens zijn verhoor is gevraagd waar hij woonde en toen heeft geantwoord: “Ik woonde in [adres], maar ik heb nu geen thuis of thuisadres meer ik leef in mijn auto”, maakt dit mijns inziens niet anders. Aan de verdachte werd gevraagd waar hij “woont”; hem is niet gevraagd naar een adres waarop hij de uitslag van het bloedonderzoek zou kunnen ontvangen. Daarbij neem ik in aanmerking dat het gaat om een verdachte die bij het verhoor niet werd bijgestaan door een raadsman en (waarschijnlijk) onder invloed van verdovende middelen was. Gelet op het voorgaande kan de verdachte niet worden tegengeworpen dat hij het adres in Polen niet heeft genoemd op het moment van aanhouding of verhoor. Het voorgaande wordt ook niet anders doordat de verdachte tijdens het verhoor is medegedeeld dat hij, wanneer hij niet schriftelijk in kennis zou worden gesteld, na vier weken bij de politie kan informeren naar de uitslag, en hij dat klaarblijkelijk heeft verzuimd. Een aanbod de verdachte op een andere wijze in kennis te stellen, is geen substituut voor het versturen van een schriftelijke kennisgeving.
2.8
Al met al meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte het geheel aan zichzelf heeft te wijten dat hij niet schriftelijk in kennis is gesteld van de uitslag van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek niet begrijpelijk is. Dit brengt mee dat het middel slaagt.
2.9
Mocht de Hoge Raad mij daarin niet volgen, dan faalt het middel. Het argument van de steller van het middel dat de verdachte kort na zijn aanhouding uit anderen hoofde gedetineerd is geraakt, dat hij toen het verstekvonnis in eerste aanleg in deze zaak heeft ontvangen en dat hem toen alsnog de kennisgeving had kunnen worden overhandigd, treft geen doel. Het vonnis in eerste aanleg dateert van 26 mei 2001, dus van ruim een jaar na zijn aanhouding. Op basis van art. 19 lid 4 BADG, zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde feit,4.vervalt het recht op tegenonderzoek twee weken na dagtekening van de kennisgeving als bedoeld in art. 17 BADG.5.In de onderhavige zaak is de uiteindelijk niet verstuurde brief met de uitslag van het bloedonderzoek en de mededeling dat de verdachte het recht heeft op het doen verrichten van een tegenonderzoek op 2 april 2020 opgesteld. Onder deze omstandigheden kon niet van de autoriteiten worden verwacht dat zij ruim een jaar later alsnog de kennisgeving aan de verdachte zouden overhandigen. Dit zou immers meebrengen dat bloedmonsters van personen die door hun eigen toedoen niet een kennisgeving als bedoeld in art. 17 BADG hebben ontvangen voor langere tijd zullen moeten worden bewaard voor het geval dat deze personen later wederom in het vizier van de autoriteiten komen.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
HR 20 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1793, r.o. 2.4 met verwijzing naar HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684 (ten aanzien van het stelsel van strikte waarborgen); HR 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4412 (inzake de mededeling van de uitslag van een ademonderzoek); en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:92 (met betrekking tot de mededeling van het recht op tegenonderzoek na een ademonderzoek).
Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) (Stb. 2016, 529, p. 34).
Zie het Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) (Stb. 2016, 529).
Inmiddels zijn dit vier weken. Zie het Besluit van 15 februari 2022, houdende wijziging van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers en het Besluit rijden onder invloed BES in verband met onder meer het wijzigen van de onderzoekstermijn voor bloedonderzoeken (Stb. 2022, 177).
Beroepschrift 06‑11‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
Sector Strafrecht
CASSATIESCHRIFTUUR
Kenmerk | 23/01605 (22/001937-21) |
Bestreden beslissing | Arrest gerechtshof Den Haag d.d. 17 april 2023 met rolnummer 22/001937-21 en parketnummer 96/262658-20; |
Verdachte | [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ([land]), verder te noemen: ‘verdachte’; |
Advocaat | Verdachte kiest woonplaats te (2596 BP) Den Haag aan de Jan van Nassaustraat 55 ten kantore van Haagecht Advocaten, waarvan mr. J. Klein Molekamp als advocaat optreedt; |
Volmacht | De advocaat is bepaaldelijk gevolmachtigd tot het opstellen en indienen van deze cassatieschriftuur; |
Middel 1
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn artikelen 359 (lid 3) Sv en 415 Sv geschonden nu het hof het verweer strekkende tot schending van de strikte waarborg(en) als bedoeld in art. 17 Besluit Alcohol en Drugs in het verkeer (bewijsuitsluiting) onvoldoende, althans onbegrijpelijk, heeft verworpen.
Toelichting
- —
Bij pleitnota in hoger beroep is, onder verwijzing naar eerdere arresten van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1793 en ECLI:NL:HR:2023:180), aangevoerd dat art. 17 Besluit Alcohol Drugs en Geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) gekwalificeerd dient te worden als een ‘strikte waarborg’ in het kader van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 WvW.;
- —
In het verlengde van dat standpunt is aangevoerd dat de verdachte niet, althans onvoldoende, op de hoogte is gebracht van dat recht op tegenonderzoek nu in het dossier slechts brieven zijn opgenomen die niet zijn geadresseerd — en derhalve dus ook niet verzonden kunnen zijn- en ook niet op andere wijze zijn betekend als gevolg waarvan de verdachte niet op de hoogte is gebracht van de uitslag van het onderzoek en, ondanks de tekst van art. 17 BADG, niet is gewezen op zijn recht op tegenonderzoek;
- —
Het hof heeft dit verweer verworpen door kortweg te stellen dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats had in Nederland en dat de verdachte bij zijn aanhouding en verhoor bij de politie geen adresgegevens heeft opgegeven waar de uitslag van het bloedonderzoek naar toe had kunnen worden gestuurd;
- —
Het hof heeft met deze verwerping miskent dat er geen verplichting op verdachte rust om na zijn aanhouding politie en justitie op de hoogte te houden omtrent eventuele wijzigingen ten aanzien van zijn verblijfplaats. Het hof heeft voorts verzuimt na te gaan wat de reden is van de omstandigheid dat verdachte geen inschrijving (BRP) had op dat moment terwijl zij die omstandigheid de verdachte wel zonder beperking lijkt tegen te werpen. De verwerping van het hof is derhalve onvoldoende, althans onbegrijpelijk.
- —
Het hof heeft bij haar verwerping ook niet meegewogen, althans verzuimt die omstandigheid te betrekken of daarin inzicht te verschaffen of zij met de omstandigheid rekening heeft gehouden, dat verdachte kort na de aanhouding in deze zaak gedetineerd is geraakt uit hoofde van de strafzaak met parketnummer 09/150510-21 in welke zaak aan de verdachte wel direct het verstekvonnis uit deze zaak is betekend. Bij die betekening is verzuimd ook de uitslag van het onderzoek te betekenen en verdachte alsnog op de juiste en voorgeschreven wijze op de hoogte te brengen van de uitslag van het onderzoek en zijn recht op tegenonderzoek;
- —
Dat het recht op tegenonderzoek van groot belang is moge niet alleen blijken uit de vaste jurisprudentie dat art. 17 BADG als een strikte waarborg is gekwalificeerd, een en ander komt ook uit het dossier naar voren. Blijkens het PV van aanhouding blijkt dat de bij verdachte afgenomen speekseltest positief reageerde op de aanwezigheid van thc, amphetamine, cocaïne en methamphetamine. Uit het uiteindelijke onderzoek van het laboratorium komt evenwel naar voren dat ‘slechts’ de aanwezigheid van amfetamine en cannabis is aangetoond. Ondanks dat het onderzoek van het laboratorium aldus minder belastend voor de verdachte is dan de afgenomen speekseltest, geeft zulks een beeld dat nauwkeurig onderzoek naar de aanwezige stoffen in het bloed noodzakelijk is en blijft en dat het recht op tegenonderzoek derhalve van groot belang is voor de betrouwbaarheid van de uitslag van het onderzoek.
- —
Het hof heeft zich niet uitgelaten over de omstandigheid en stelling dat art. 17 BADG gekwalificeerd dient te worden als een strikte waarborg in het kader van een onderzoek als bedoeld in art. 8 WvW.
Conclusie
Het hof heeft het verweer strekkende tot schending van art. 17 BADG, met de strekking dat aldus geen sprake meer is of kan zijn van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 WvW hetgeen dient te leiden tot vrijspraak, onterecht en onvoldoende verworpen, althans heeft zij dat ontoereikend gemotiveerd nu zij onbegrijpelijk en zonder enig onderzoek naar de omstandigheid dat verdachte geen BRP-inschrijving had, die omstandigheid onverkort aan de verdachte tegengeworpen en daaraan de conclusie verbonden dat het niet in kennis brengen van de verdachte voor rekening en risico van de verdachte is gekomen en gebleven terwijl zij voorts ook heeft verzuimd blijk te geven van de omstandigheid dat de verdachte (relatief) kort daarna (opnieuw) gedetineerd is geraakt en ook op dat moment niet op de hoogte is gebracht van de uitslag van het onderzoek en het recht op tegenonderzoek.
Aan de Hoge Raad wordt verzocht
Het arrest van het gerechtshof te vernietigen met een zodanige uitspraak als de Hoge Raad juist acht.
Den Haag, 06 november 2023
J. Klein Molekamp
Advocaat