Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/8.2.3.3
8.2.3.3 Bevoegdheid van de rechthebbende
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591879:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Betoogd wordt dat de stille cedent in beginsel het beheer over de vordering heeft. Zie hiervóór nr. 52-54.
Zie hiervóór uitgebreider nr. 432.
Zie hiervóór nr. 432. De hoofdgerechtigde kan wel zonder de medewerking van de vruchtgebruiker zijn (bezwaarde) recht overdragen of bezwaren. Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 650.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 657; vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 128.
Zie (pand), M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773: 'Voorts verdient hij [de pandhouder] bescherming tegen rechtshandelingen van de pandgever die hem in dit belang benadelen. Deze bescherming wordt hem echter reeds geboden in artikel 3.2.11 van het gewijzigd ontwerp [=art. 3:45 BW]. De pauliana kan immers in het ontwerp ook worden ingesteld indien door de gewraakte rechtshandeling slechts een crediteur wordt benadeeld, waarbij met name o.a. aan de pandhouder is gedacht.' De bescherming geldt ook voor de derdenpandhouder en voor de schuldeiser die zich verhaalt op het goed van een derde-rechthebbende (art. 3:48 BW). Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 301 en 319; Vander Grinten 1993b, p. 458; Verhoeven 2002, 270; Broekveldt 2003a, nr. 166; en mijn noot onder Rb. Leeuwarden 23 juni 2010, JOR 2010/362.
Zie over de actio Pauliana hieronder.
Zie voor schuldwijziging (verrekeningsbeding) en pand, Rb. Utrecht 26juli 2000, JOR 2000/208. Op grond van hun rechtsverhouding kan de pandgever jegens de pandhouder overigens gehouden zijn tot het betalen van schadevergoeding of het stellen van extra zekerheden, als hij door de uitoefening van zijn bevoegdheden de (waarde van de) verpande vordering in gevaar brengt. Vgl. o.a. Faber 2005, nr. 290, nt. 209; Verdaas 2008a, nr. 351; Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.A. Stein), art. 3:246, aant. 23.6; en HR 12 juli 2002, JOR 2002/160 (Ensing/lDM).
Vgl. voor schuldoverneming, T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 575.
Art. 3:81 lid 2 sub a BW en art. 6:160 BW bevatten geen uitzonderingen op grond waarvan de pandhouder beschermd wordt tegen een aantasting van zijn recht. Art. 3:81 lid 3 BW beschermt alleen de pandhouder met een pandrecht op een beperkt recht dat tenietgaat door afstand of vermenging. Art. 6:161 lid 3 BW beschermt alleen de pandhouder met een beperkt recht op een vordering die door vermenging tenietgaat. In M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 773 worden art. 3:81 lid 3 BW en art. 6:161 lid 3 BW naast art. 3:45 BW genoemd, zodat het ontbreken van een bepaling als art. 3:207 lid 2 BW voor pand een bewuste keuze van de wetgever lijkt.
In dezelfde zin: Rb. Leeuwarden 23 juni 2010, JOR 2010/362, m.nt. J.W.A. Biemans.
Uit de parlementaire geschiedenis (Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 163-166) volgt dat overeenkomstige toepassing zeker niet voor de hand ligt. In M.v.T., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 164 wordt overeenkomstige toepassing van art. 475h Rv op verrekening door de derdenbeslagen (als een wijze van betaling) bijvoorbeeld uitdrukkelijk uitgesloten. Zie over de reikwijdte van art. 475h lid 1 Rv ook Rb. Arnhem 14 mei 2009, JOR 2009/306, m.nt. A. Steneker, en hiervóór nr. 432 en hierna nr. 520.
Ook in de parlementaire geschiedenis worden alleen de in art. 475h Rv genoemde rechtshandelingen vermeld. Ten aanzien van verrekening wordt zelfs uitdrukkelijk opgemerkt dat art. 475h Rv daarop niet van overeenkomstige toepassing is. Art. 475h Rv heeft betrekking op (bevrijdende) betaling door de schuldenaar, maar niet op verrekening door de schuldenaar. Daarvoor geldt art. 6:130 lid 2 BW. Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (lnv. 3, 5 en 6), p. 164.
Zie bijvoorbeeld Rb. Leeuwarden 23 juni 2010, JOR 2010/362, m.nt. J.W.A. Biemans.
Denk bijvoorbeeld aan het verlenen van toestemming aan schuldoverneming en aan het wijzigen van de schuld (bijvoorbeeld door het toepasselijk verklaren van nieuwe algemene voorwaarden). Die rechtshandelingen kunnen nadelig zijn voor de beslaglegger, maar zijn dat niet per definitie.
472. Het is ten slotte de vraag of de genoemde bevoegdheden onverkort aan de stille cessionaris dienen toe te komen, en of bij de beantwoording van deze vraag van belang is of aan de stille cedent het beheer over de vordering is toegekend of alleen de aan een pandhouder toegekende bevoegdheden.1
Bij vruchtgebruik, gemeenschap, bewind, kwaliteitsrekening, faillissement, vereffening en executele is de rechthebbende van de desbetreffende vordering niet bevoegd om de hier behandelde beschikkingshandelingen te verrichten, tenzij hij daarvoor de medewerking of de toestemming van de bevoegde derde of de machtiging van de rechter heeft. Zie art. 3:207 lid 2 BW (vruchtgebruik); art. 3:170 lid 3 BW (gemeenschap); art. 1:438 lid 2 BW; art. 3.6.1.14c-d Ontw.BW; art. 4:167 lid 1 eerste zin BW en vgl. art. 4:167 lid 2 en 3 BW (bewind); art. 23-24 Fw (faillissement); art. 25 lid 2 Wn (kwaliteitsrekening); art. 4:211 lid 2 BW (vereffening); en art. 4:145 lid 1 BW (executele). De uitkomst en de onderbouwing zijn dezelfde als bij de overdracht van het goed door de rechthebbende, met twee kanttekeningen.2 Ten eerste, de uitzonderingen genoemd in art. 3:170 lid 1 BW en art. 4:166 lid 1 BW zijn bij deze beschikkingshandelingen niet van toepassing. Uit de aard van de beschikkingshandelingen volgt dat van handelingen die geen uitstel kunnen lijden of van handelingen dienende tot gewoon onderhoud van de vordering geen sprake is. Ten tweede, uit hoofdstuk 7 bleek dat de vruchtgebruiker op twee manieren tegen een overdracht van het bezwaarde goed door de hoofdgerechtigde wordt beschermd: door de bepaling van zaaksvervanging en door art. 3:207 lid 2 BW, op grond waarvan de hoofdgerechtigde alleen tezamen met de vruchtgebruiker bevoegd is tot vervreemding of bezwaring van het onbezwaarde goed.3 Blijkens de parlementaire geschiedenis wordt de vruchtgebruiker tegen een afstand van de in vruchtgebruik gegeven vordering door de hoofdgerechtigde (vgl. art. 3:81 lid 2 sub a BW) alleen op grond van art. 3:207 lid 2 BW beschermd: de vruchtgebruiker is niet gebonden aan een kwijtschelding als deze beschikkingshandeling alleen door de hoofdgerechtigde is verricht. De vruchtgebruiker kan de schuldenaar alsnog voor het gehele bedrag van de vordering aanspreken.4 Hij ontleent geen bescherming aan de regel van zaaksgevolg.
473. Bij pand en beslag kunnen de pandgever en de geëxecuteerde de hiervoor genoemde beschikkingshandelingen verrichten zonder de medewerking of de toestemming van de pandhouder respectievelijk de beslaglegger.5 De pandhouder en de beslaglegger worden blijkens de parlementaire geschiedenis tegen dergelijke rechtshandelingen beschermd door art. 3:45 BW (actio Pauliana).6 Is voldaan aan de vereisten,7 dan kunnen zij de desbetreffende rechtshandeling vernietigen (art. 3:49 jo 3:50 BW). Naar mijn mening zal bij afstand van recht, schikking, schuldwijziging, uitstel van betaling, inbetalinggeving en schuldoverneming in de regel sprake zijn van een onverplichte rechtshandeling, waarvan de pandgever en de geëxecuteerde weten of behoren te weten dat door het verrichten daarvan de pandhouder of de beslaglegger wordt benadeeld.8 De pandhouder wordt alleen door art. 3:45 BW beschermd. Een bepaling zoals art. 3:207 lid 2 BW bij vruchtgebruik, waarin de beschikkingsbevoegdheid van de pandgever is begrensd, ontbreekt bij pand.9 Uit andere wettelijke bepalingen kan evenmin (extra) bescherming voor de pandhouder worden afgeleid.10 Bij derdenbeslag wordt de beslaglegger beschermd door art. 475h Rv. Op grond daarvan kan een afstand van de door het beslag getroffen vordering tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen. De bepaling biedt geen bescherming tegen andere nadelige beschikkingshandelingen van de geëxecuteerde zoals een schuldwijziging, 11 het verlenen van uitstel van betaling12 en het verlenen van toestemming aan schuldoverneming of inbetalinggeving.13 Ten aanzien van deze beschikkingshandelingen dient de beslaglegger blijkens de parlementaire geschiedenis een beroep te doen op art. 3:45 BW. De opsomming in art. 475h Rv is limitatief bedoeld. De rechtshandelingen worden – net als in de vergelijkbare bepalingen art. 453a, 474e en 505 lid 2 Rv – met naam genoemd.14 Aan de overeenkomstige toepassing van art. 475h Rv bestaat door art. 3:45 BW ook weinig of geen behoefte. Dat geldt met name als de rechtspraak soepel omgaat met een beroep op art. 3:45 BW.15 De overeenkomstige toepassing van art. 475h Rv zou ook niet wenselijk zijn, omdat het gros van de rechtshandelingen niet zonder meer tot benadeling van beslaglegger leidt. Het in deze gevallen steeds van rechtswege buiten werking stellen van de desbetreffende rechtshandelingen ten opzichte van de beslaglegger dient geen redelijk doel.16 Er bestaat geen goede reden om aan dergelijke rechtshandelingen steeds, zonder een aanvullend vereiste als bijvoorbeeld benadeling, de werking te ontnemen jegens de beslaglegger of pandhouder.