Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.4:6.4.4 Conclusies
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.4.4
6.4.4 Conclusies
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575947:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechter zijn 'eigen' rechtersregelingen - binnen de door art. 25 Rv gestelde grenzen - zo nodig ambtshalve moet toepassen. In feite ligt dit ook tamelijk voor de hand, aangezien het juist deze rechter is die op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging rechtstreeks aan een dergelijke regeling gebonden is.
Ook de hogere rechter dient in bepaalde gevallen rechtersregelingen van de lagere rechter ambtshalve toe te passen. Uit het stelsel van art. 25 Rv volgt echter al dat de ruimte voor het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden in appèl en cassatie vrij beperkt is. Voor rechtersregelingen geldt dit des te sterker, omdat de mogelijkheid tot ambtshalve toepassing daarvan alleen denkbaar is in die gevallen waarin de hogere rechter 'indirect' gebonden is aan een rechtersregeling van de lagere rechter. Alsdan houdt de verplichting tot ambtshalve toepassing in feite in, dat een ambtshalve controle op de wijze waarop de lagere rechter een voor hem geldende rechtersregeling heeft toegepast, dient plaats te vinden.