Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.5.2
VIII.5.2 Nieuwe uitzonderingen: dadelijke tenuitvoerlegging van sancties
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595143:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Meijer 2013.
Zie over het complex van te onderscheiden gevallen waarop art. 557 lid 2 en lid 3 Sv betrekking hebben: Wurzer-Leenhouts, ‘Art. 557 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen, aant. 12 en 13.
Wet van 1 juli 2010, Stb. 2010, 270, inwerkingtreding 1 september 2010, Stb. 2010, 308.
Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545, inwerkingtreding op 1 april 2012, Stb. 2011, 615.
Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 546, inwerkingtreding op 1 april 2012, Stb. 2011, 615.
Wet van 25 november 2015, Stb. 2015, 460.
Kooijmans 2015, § 1. Hij komt mede tegen de achtergrond van die overeenkomsten tot de conclusie dat dadelijke uitvoerbaarheid van de strafbeschikking een brug te ver is.
Zie art. 38 lid 8 Sr, art. 14e lid 2 Sr, art. 38v lid 5 Sr, respectievelijk art. 38ag lid 2 Sr.
Meijer 2013, § 2.
Zie o.a. Kamerstukken II 2008/09, 31 823, nr. 3, p. 7-8; Handelingen I 29 juni 2010, nr. 34, p. 1465; Handelingen II 20 april 2011, nr. 76, p. 7-8 en 18 e.v. Vgl. tevens NVvR 2010, p. 5.
Vgl. Handelingen I 29 juni 2010, nr. 34, p. 1465.
Zie het regeerakkoord in Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15, p. 25 en het conceptvoorstel ‘Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen’, geraadpleegd via: www.rijksoverheid.nl.
Bleichrodt, Mevis & Volker 2012, p. 146-149.
RvdR 2013; NVvR 2013; RSJ 2013; NOvA 2013; NJCM 2013. Zie voorts Spronken 2012; Meijer 2013; De Roos 2014; Van Sliedregt 2015. Met een raadsheren kenmerkende terughoudendheid geeft ook De Hullu (2013, p. 322) ervan blijk niet gecharmeerd van het wetsvoorstel te zijn en vast te houden aan hetgeen hij in zijn proefschrift (1989, p. 423-439) verdedigde.
Zie het conceptwetsvoorstel ‘Wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met enige wijzigingen van de regeling van voorlopige hechtenis’, geraadpleegd via rijksoverheid.nl.
Desondanks biedt artikel 557 lid 1 Sv ruimte voor wettelijke uitzonderingen op het daar beschreven beginsel. Daarvan maakte de wetgever lange tijd vooral gebruik voor uitzonderingen met een dwangmiddelkarakter. Beslissingen over voorlopige hechtenis (art. 73 lid 1 Sv) of voorlopige maatregelen ter bescherming van het economisch verkeer, zoals stillegging van een onderneming of onderbewindstelling (art. 31 WED) ontlenen hun nut aan hun dadelijke uitvoerbaarheid.1 Zij zijn evenwel geen sancties en impliceren dan ook geen schuld aan een strafbaar feit, maar hooguit een ernstig vermoeden van het begaan daarvan.
De opschortende werking van rechtsmiddelen tegen sancties was tot 2010 rustig bezit. Krachtens artikel 557 lid 2 en lid 3 waren alleen sommige verstekvonnissen direct te executeren.2 Sindsdien hebben verschillende wetswijzigingen daarin evenwel verandering gebracht. Vanaf 1 september 2010 kan de rechter krachtens artikel 38 lid 6 Sr bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.3 De in de vorige paragraaf ook genoemde wetswijziging in het kader van de regeling van voorwaardelijke veroordeling en voorwaardelijke invrijheidstelling heeft in 2012 aan de strafrechter de mogelijkheid verschaft de voorwaarden en het bijbehorende toezicht dat aan een voorwaardelijke veroordeling zijn verbonden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het daartoe strekkende artikel 14e Sr verbindt daaraan wel de voorwaarde dat ernstig ermee rekening moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.4 De in 2012 geïntroduceerde vrijheidsbeperkende maatregel waarbij de verdachte een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht kan worden opgelegd is eveneens uitvoerbaar bij voorraad, mits er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens personen (artikel 38v lid 4 Sr).5 Ook de recent ingevoerde langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel kan door de rechter dadelijk uitvoerbaar worden verklaard (artikel 38ag lid 2 Sr).6
Met Kooijmans kan worden vastgesteld dat de regelingen van de dadelijke tenuitvoerlegging van deze sanctiemodaliteiten met elkaar grote procedurele overeenkomsten vertonen.7 Ten eerste is de dadelijke tenuitvoerlegging uitsluitend door de opleggende rechter te bevelen. Die rechterlijke bevoegdheid is daarnaast discretionair van aard. Bovendien is de appelrechter telkens in de gelegenheid tot opheffing, zowel op initiatief van een procespartij als ambtshalve.8 Meijer wijst voorts op een meer materiële gemeenschappelijkheid. Afwijking van het uitgangspunt dat rechtsmiddelen opschortende werking hebben moet zijn ingegeven door een belangenafweging. De voorwaardelijke veroordeling en de vrijheidsbeperkende maatregel kunnen alleen dadelijk ten uitvoer gelegd worden voor zover vrees voor nieuwe ongeregeldheden dat rechtvaardigt. Bij de TBS met voorwaarden en de langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ontbreekt zo’n criterium, maar brengt de aard van de maatregel mee dat de mogelijkheid ertoe strekt de maatschappij direct te beschermen tegen nieuwe strafbare feiten. Mede op grond van de wetsgeschiedenis mag worden aangenomen dat de rechter zijn beleidsvrijheid naar dat doel zal inkleuren.9
De wetgever heeft onder ogen gezien of deze wetswijzigingen met artikel 6 lid 2 EVRM in strijd zouden zijn en die vraag negatief beantwoord.10 De met schorsende werking gemoeide belangen, die met de door de behandelingsdimensie beschermde waarden overlappen, legden het af tegen het veiligheidsbelang. Daarbij heeft een rol gespeeld dat voor de zogenaamde toezichtloze periode na voorwaardelijke veroordeling in eerste aanleg het enige gangbare alternatief ter beveiliging van de maatschappij de voorlopige hechtenis is. Zolang een kentering naar intensievere invoering en toepassing van alternatieven voor voorlopige hechtenis niet heeft plaatsgevonden, is de mogelijkheid tot dadelijke tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties noodzakelijk ter voorkoming van gevaar én onnodige vrijheidsbeneming, zo was de redenering.11
Eerst in het regeerakkoord van 2012 en nadien ook in een conceptwetsvoorstel is voorgesteld om ook gevangenisstraffen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.12 Zowel procedureel als materieel wijkt het conceptwetsvoorstel tot dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen fors af van de hiervoor beschreven uitzonderingen op artikel 557 lid 1 Sv. In procedureel opzicht doordat tot de dadelijke tenuitvoerlegging niet hoeft te worden beslist: Gevangenisstraffen van langer dan één jaar wegens feiten waarbij een slachtoffer betrokken is en straffen voor slachtofferloze delicten van langer dan twee jaren zijn automatisch uitvoerbaar bij voorraad. Materieel onderscheidt het voorstel zich van de bovengenoemde modaliteiten doordat een gevaar voor derden de tenuitvoerlegging niet hoeft te vorderen.
Op het voorstel volgde dan ook een storm van kritiek. Al in hun rechtsvergelijkende WODC-onderzoek waartoe de regering opdracht had gegeven, aarzelen Bleichrodt, Mevis & Volker of een dergelijke wijziging wel in de Nederlandse strafrechtscultuur zou passen waarin het uitgangspunt van artikel 557 Sv steeds een belangrijke plaats heeft gehad.13 Reacties van geconsulteerde instanties en van strafrechtswetenschappers waren voorts kritisch over het gebrek aan procedurele waarborgen als een rechterlijke belangenafweging, het geringe aantal gevallen dat deze wetgeving bestrijkt en waarin voorlopige hechtenis geen oplossing biedt, de onduidelijke belangen die een inbreuk op artikel 557 Sv noodzakelijk maken, de ernst en de onherstelbaar-heid van het door veroordeelden te lijden nadeel en de gebrekkige proportionaliteitsafweging.14 Ook wordt eensgezind aandacht gevraagd voor de onschuldpresumptie en de mogelijke strijdigheid van het voorstel met artikel 6 lid 2 EVRM.
Wegens een gebrek aan draagvlak is het wetsvoorstel inmiddels van de baan en vervangen door een voorstel aan de gronden voor voorlopige hechtenis in artikel 67a lid 2 een zesde sublid toe te voegen. Heeft de rechter een vrijheidsstraf van minimaal 1 jaar opgelegd, dan is dat zelfstandige grond voor voorlopige hechtenis.15