Onder meer geannoteerd in NJ 2016/1 door T.F.E. Tjong Tjin Tai, in AB 2016/58 door G.A. van der Veen & A.H.J. Hofman en in Gst. 2016/5 door H.J.S.M. Langbroek.
HR, 21-03-2025, nr. 23/03569
ECLI:NL:HR:2025:422
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-03-2025
- Zaaknummer
23/03569
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:422, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑03‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:68
ECLI:NL:PHR:2025:68, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:422
ECLI:NL:HR:2024:344, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑03‑2024; (Cassatie)
ECLI:NL:PHR:2024:74, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑01‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0035
TvPP 2024/25, p. 94
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0035
JBPr 2024/34 met annotatie van mr. G.J. Harryvan
JBPr 2024/34 met annotatie van mr. G.J. Harryvan
Uitspraak 21‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Aansprakelijkheidsrecht. Schadestaatprocedure i.v.m. niet nakomen toezegging t.a.v. bestemmingsplan. Klachten over grootte gemiste kans en peildatum schade.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03569
Datum 21 maart 2025
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats], Italië,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
GEMEENTE ZOETERWOUDE,
zetelend te Zoeterwoude,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de Gemeente,
advocaat: M.A.M. Wagemakers.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest in het incident van 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:344.
De Gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 7.115,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 maart 2025.
Conclusie 17‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Vervolg van HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683 en Hof Amsterdam 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125. Schadebegroting. Peildatum. Wettelijke rente. Schatting van de schade.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03569
Zitting 17 januari 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[eiser]
tegen
Gemeente Zoeterwoude
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk de Gemeente.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft de schadestaatprocedure in vervolg op de hoofdzaak die na het arrest van uw Raad van 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:16831.eindigde met het arrest van het hof Amsterdam van 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125. In de hoofdzaak is voor recht verklaard dat de Gemeente jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door de toezegging om in de lopende herziening van het bestemmingsplan een wijziging van de bestemming van de aan [eiser] toebehorende onroerende zaak in een woonbestemming mee te nemen, niet na te komen.
1.2
In de schadestaatprocedure heeft [eiser] een bedrag van aanvankelijk ruim drie miljoen en later ruim vier miljoen euro gevorderd. Evenals de rechtbank heeft het hof een veel lager bedrag toegewezen. Kort gezegd heeft het hof de Gemeente veroordeeld om aan [eiser] te betalen € 141.400,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 1997, en € 70.109,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2018.
1.3
Tegen het arrest van het hof komt [eiser] in het principaal cassatieberoep op en de Gemeente in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Mijns inziens treffen de klachten in het principaal cassatieberoep geen doel. In verband daarmee behoeven de klachten in het incidenteel cassatieberoep geen bespreking. Ik stel voor dat uw Raad de zaak afdoet met toepassing van art. 81 RO.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:2.
(i) [eiser] is van beroep architect. Hij exploiteert in combinatie daarmee een aannemingsbedrijf.
(ii) In 1987 heeft [eiser] grond gekocht in de nabijheid van [buurt 1] , [gemeente] . De grond bestond uit verschillende kadastrale percelen, maar zal hierna worden aangeduid als ‘het perceel’. Op het perceel stonden een dienstwoning en een gemaal, beide niet meer als zodanig in gebruik. Het perceel is in 1988 aan [eiser] geleverd.
(iii) [eiser] heeft aan de gemeente verschillende voorstellen gedaan voor het gebruik van de dienstwoning en het gemaal. Als sluitstuk van de gesprekken die tussen [eiser] en de gemeente hierover zijn gevoerd heeft het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van de gemeente in haar brief van 6 juni 1990 aan [eiser] bericht dat akkoord wordt gegaan met vergroting van de voormalige, te restaureren dienstwoning tot 400 m3, en met een bijgebouw van 50 m2, mits het gemaal zou worden afgebroken. B&W hebben in deze brief toegezegd dat zij de dienstwoning met de bestemming ‘woondoeleinden’ zullen opnemen in het ontwerpbestemmingsplan Landelijk Gebied (1989).
(iv) Het definitieve bestemmingsplan (Landelijk Gebied 1992) is in 1993 in werking getreden en in 1995 onherroepelijk geworden. De gemeente heeft echter vergeten in dit bestemmingsplan de dienstwoning van [eiser] de bestemming woondoeleinden te geven.
(v) De gemeente heeft vervolgens geprobeerd deze omissie te herstellen door middel van een vrijstellingsprocedure. Dit is echter afgestuit op de weigering van Gedeputeerde Staten in 1998 om voor de verzochte vrijstelling een verklaring van geen bezwaar af te geven. Gedeputeerde Staten waren van oordeel dat de oprichting van een nieuwe burgerwoning in dit kwetsbare gebied planologisch onaanvaardbaar was. Gedeputeerde Staten verwezen daarbij naar de in het Streekplan aangegeven uitgangspunten en de Nota Planbeoordeling. Tegen deze weigering ingestelde bezwaar- en beroepsprocedures, uiteindelijk resulterend in een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2001, hebben geen resultaat gehad.
(vi) [eiser] heeft de gemeente vervolgens gedagvaard voor de rechtbank Den Haag en schadevergoeding gevorderd, voor zover thans nog van belang, voor het niet nakomen van de toezegging de woonbestemming in het bestemmingsplan op te nemen. Na hoger beroep en cassatie heeft het hof Amsterdam, naar wie de zaak door de Hoge Raad was verwezen, bij arrest van 6 juni 2017 overwogen dat de (aan [eiser] ontnomen) kans dat de dienstwoning, indien de gemeente haar toezegging was nagekomen, ook inderdaad de bestemming woondoeleinden zou hebben gekregen, niet nihil of zeer klein was. Het hof heeft voor recht verklaard dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en de gemeente veroordeeld tot vergoeding aan [eiser] van de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden en zal lijden, op te maken bij staat.
2.2
Bij inleidende dagvaarding van 6 juli 2018 heeft [eiser] de Gemeente gedagvaard en de schadestaat betekend. Na wijziging van eis heeft [eiser] gevorderd de Gemeente te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van primair € 3.852.636,-- en subsidiair € 2.284.738,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018, en voorts tot betaling van € 13.222,68 aan advocaatkosten.
2.3
Na een deskundigenbericht heeft de rechtbank Den Haag bij eindvonnis van 19 januari 20223.de schade van [eiser] begroot op € 231.127,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2012, en op € 31.565,40 (kosten van door [eiser] ingeschakelde partijdeskundigen en juridische bijstand in de bestuursrechtelijke procedures), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018.
2.4
In het door [eiser] ingestelde hoger beroep heeft hij zijn eis vermeerderd en betaling gevorderd van primair € 4.264.550 en subsidiair € 2.607.254. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 13 juni 2023 het eindvonnis vernietigd met uitzondering van de proceskostenveroordeling, en opnieuw recht doende de Gemeente veroordeeld tot betaling van € 141.400 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 1997, van € 70.109 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2018 en van de proceskosten in hoger beroep.
2.5
De dragende overwegingen van het arrest luiden samengevat en met weglating van voetnoten als volgt:
De gemiste kans: 80%
a. De rechtbank heeft de gemiste kans op 60% geschat. [eiser] brengt hiertegen in dat er geen enkele reden is om te veronderstellen dat het bestemmingsplan, als de gemeente daarin conform haar toezegging het perceel van [eiser] een woonbestemming had gegeven, niet door Gedeputeerde Staten zou zijn goedgekeurd of dat die goedkeuring in beroep zou zijn vernietigd. (onder 5.2)
b. De grief is deels gegrond. Op grond van de door [eiser] aangevoerde argumenten, die het hof grotendeels als juist accepteert, acht het hof de kans dat Gedeputeerde Staten hun goedkeuring zouden hebben onthouden klein en in ieder geval kleiner dan de 40% waar de rechtbank vanuit is gegaan bij de door haar gehanteerde kans op een positieve uitkomst van 60%. (onder 5.7)
c. Het hof is van oordeel dat de kans dat de door de gemeente toegezegde woonbestemming in het bestemmingsplan zou zijn opgenomen moet worden gesteld op 80%. De grief is in zoverre gegrond. (onder 5.8)
De peildatum: 1 juli 1997
d. Het hof acht het met de aard van de schade het meest in overeenstemming om 1 juli 1997 als peildatum te hanteren door per die datum (a) de marktwaarde van het perceel met woonbestemming en bebouwing verminderd met de ontwikkelingskosten die [eiser] had moeten maken (de hypothetische situatie) te vergelijken met (b) de waarde van het perceel zonder woonbestemming en bebouwing (de werkelijke situatie). Vanaf die peildatum is vervolgens de wettelijke rente verschuldigd. (onder 5.12)
e. [eiser] klaagt er terecht over dat de door de rechtbank gekozen peildatum van 1 juli 2012 willekeurig is, maar dat geldt ook voor het standpunt van [eiser] dat de peildatum zou samenvallen met de datum waarop hij met pensioen gaat. Wat [eiser] in het hypothetische geval na 1 juli 1997 met de woning zou hebben gedaan en wat de gevolgen daarvan tot in lengte van jaren zouden zijn geweest voor zijn bedrijfsvoering, vermogensopbouw of pensioenvoorziening is in hoge mate speculatief en staat ook in een te ver verband met de fout van de gemeente, die uitsluitend bestond uit een niet gerealiseerde bestemmingswijziging. (onder 5.13)
f. De schade die [eiser] stelt te hebben geleden na 1 juli 1997 kan naar het oordeel van het hof ook niet in redelijkheid aan de gemeente worden toegerekend. (onder 5.14)
De schade per 1 juli 1997
g. Nu de schade moet worden begroot aan de hand van de hypothetische situatie op een tijdstip dat inmiddels vrij ver in het verleden ligt, kan de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld. Het hof zal de schade dan ook schatten, zij het dat het zich daarbij zoveel mogelijk zal baseren op objectieve gegevens die kunnen worden ontleend aan de standpunten van partijen, de door hen ingeschakelde deskundigen en de rechtbankdeskundige. Het hof kan hieraan voldoende gegevens ontlenen om tot een oordeel te komen en heeft geen behoefte aan een nader deskundigenbericht. (onder 5.15)
h. Het voorgaande betekent dat de schade van [eiser] aan de hand van de volgende formule dient te worden berekend:
80% van [(A -/- B) -/- C]
waarin
A is de marktwaarde van het perceel met woonbestemming en bebouwing per 1 juli 1997
B zijn de ontwikkelkosten die [eiser] zou hebben gemaakt om de bebouwing te realiseren (prijspeil 1 juli 1997)
C is de marktwaarde van het perceel per 1 juli 1997 zonder woonbestemming en bebouwing (onder 5.16)
A: de marktwaarde van het perceel met woonbestemming en bebouwing
i. De marktwaarde van het perceel per 1 juli 1997 in de hypothetische situatie is door de deskundige geraamd op € 355.875. De ontwikkelkosten per 1 juli 1997 zijn door de deskundige geraamd op € 279.912. [eiser] heeft echter aangevoerd dat de deskundige is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten ten aanzien van de gebruiksoppervlakte (grieven VII en VIII) en de ontwikkelkosten (grieven VII en IX). (onder 5.17)
j. Uit de discussie van partijen komt naar voren dat het er in wezen om gaat of de kelder en de schuur (in de hypothetische situatie) zo hoogwaardig zouden zijn uitgevoerd dat deze kunnen worden aangemerkt als woonoppervlakte die vergelijkbaar is met de woonoppervlakte van de panden die de deskundige als vergelijkingsobject heeft gebruikt. De deskundige heeft dat ten aanzien van de kelder inderdaad aangenomen, op basis van zijn aanname dat de kelder een volwaardig onderdeel uitmaakt van de woning en daglicht en voldoende stahoogte zal hebben. Dat deze aanname van de deskundige enige grondslag vindt in de plannen van [eiser] blijkt echter niet en [eiser] heeft dat ook niet voldoende onderbouwd aangevoerd. De kelder kan niet als volwaardig onderdeel van de woning worden beschouwd. Het hof zal de oppervlakte van de kelder dan ook in zoverre buiten beschouwing laten. De gemeente heeft echter niet (voldoende gemotiveerd) bestreden dat de schuur direct vanuit de woning bereikbaar zou zijn, een gemeenschappelijke muur met de woning zou hebben, en dat deze geïsoleerd en verwarmd zou zijn en een hoog afwerkingsniveau zou hebben. Het hof zal de schuur dan ook wel bij de gebruiksoppervlakte rekenen, zodat bij de schadeberekening zal worden uitgegaan van een woonoppervlakte van 190 m2 (namelijk 145 m2 woning + 45 m2 schuur). (onder 5.21)
k. Het voorgaande betekent dat de marktwaarde van het perceel met woonbestemming en bebouwd per 1 juli 1997 in de hypothetische situatie uitkomt op 190 x € 1.825 = € 346.750. (onder 5.22)
B: de ontwikkelkosten
l. Op het bedrag van € 346.750 moeten de ontwikkelkosten in mindering worden gebracht die [eiser] had moeten maken om zijn bouwplannen te realiseren. De ontwikkelkosten zijn door de deskundige en de rechtbank, uitgaande van marktgegevens, geraamd op een bedrag van € 272.912 (inclusief omzetbelasting van 17,5%). [eiser] meent echter dat deze kosten te hoog zijn begroot. (onder 5.23)
m. Het hof is het op zichzelf met [eiser] eens dat uitgegaan moet worden van de ontwikkelkosten die [eiser] in dit concrete geval zou hebben gemaakt, hetgeen betekent dat rekening moet worden gehouden met eventuele besparingen die [eiser] zou hebben gerealiseerd door het werk in eigen beheer uit te voeren. De schade moet immers in beginsel concreet worden begroot. (onder 5.26)
n. Alles afwegende schat het hof de ontwikkelkosten op € 150.000 (inclusief BTW). (onder 5.35)
C: de marktwaarde van het perceel zonder woonbestemming en bebouwing
o. De rechtbankdeskundige heeft de waarde van het perceel zonder woonbestemming en in onbebouwde staat per 1 juli 1997 getaxeerd op € 1. De gemeente heeft in eerste aanleg aangevoerd dat voor een dergelijk stuk grond altijd wel belangstelling is, bijvoorbeeld als jachtplekje of plekje om van de natuur te genieten, en dat aan de taxateur door een boer een bod werd gedaan van enkele tienduizenden euro’s. Het hof acht in dat licht de taxatie van € 1 te laag en schat de waarde van het perceel per 1 juli 1997 op € 20.000. (onder 5.36)
De schade per 1 juli 1997
p. De schade uit hoofde van de gemiste kans kan dan als volgt worden geraamd:
80% van [(€ 346.750 -/- €150.000) -/- 20.000] = € 141.400. (onder 5.37)
De kosten van deskundigen e.d.
q. [eiser] vordert de kosten van de door hem ingeschakelde deskundigen, te weten DTZ Zadelhoff, Mondico en Panteia. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten van DTZ Zadelhoff en Panteia voor vergoeding in aanmerking komen maar de kosten van Mondico niet. Volgens [eiser] was het redelijk om naast Panteia ook Mondico in te schakelen, omdat beide deskundigen (Panteia en Mondico) van verschillende methoden van schadeberekening zijn uitgegaan en [eiser] niet van te voren wist welke methode de rechtbank zou kiezen. Het hof acht het redelijk dat [eiser] deze drie deskundigen heeft ingeschakeld. Nu het hof ook de kosten van Mondico van € 17.545 niet onredelijk acht, zullen deze alsnog worden toegewezen. [eiser] voert verder terecht aan dat de rechtbank de kosten van de deskundigen ten onrechte slechts voor een deel heeft toegewezen, omdat de rechtbank daarop het kanspercentage (van 60%) heeft toegepast. Het zijn schadeposten die in volle omvang vergoed behoren te worden. (onder 5.38-5.39)
r. [eiser] vordert, naast de hiervoor genoemde kosten van deskundigen, ook diverse andere kosten, zoals de door [eiser] gemaakte ontwerpkosten voor de vrijstellingsprocedure, de tijd die [eiser] heeft besteed aan de bestuursrechtelijke procedures, de kosten van advocaat mr. Van der Pluijm voor de bestuursrechtelijke procedures, de kosten van schade expert Horatio en de kosten van BDB (‘bouwkosten data’). De rechtbank heeft de kosten van mr. Van der Pluijm toewijsbaar geacht. Dat betekent dat het hof nog moet beslissen over de gevorderde kosten van [eiser] zelf in verband met de vrijstellingsprocedure, de tijd die [eiser] heeft besteed aan de bestuursrechtelijke procedures, de kosten van Horatio en de kosten van BDB (‘bouwkosten data’). (onder 5.40)
s. De kosten van de ontwerpen die [eiser] heeft moeten maken ten behoeve van de vrijstellingsprocedure en zijn onkosten voor het bijwonen van de verschillende procedures ter beperking van de schade zijn niet toewijsbaar. Ook de vordering tot vergoeding van de declaraties van Horatio en BDB, kennelijk weer andere deskundigen, is onvoldoende onderbouwd. (onder 5.41)
t. De kosten van mr. Van der Pluijm zijn volledig (en niet slechts voor 60% of 80%) toewijsbaar. Dat geldt dus ook voor de kosten van Panteia en DTZ Zadelhoff en van Mondico (onder 5.42)
u. [eiser] is ten slotte van mening dat alle kosten van de advocaten in de procedures ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade voor vergoeding in aanmerking dienen te worden genomen. De gemeente heeft in strijd gehandeld met art. 6:2 BW, de beginselen van behoorlijk bestuur en onrechtmatig gehandeld en misbruik van procesrecht gemaakt, aldus [eiser] . Ook dit onderdeel van de vordering is niet toewijsbaar. Het enkele feit dat de gemeente zich tegen de vordering van [eiser] heeft verweerd terwijl zij de fout had erkend, is onvoldoende voor de conclusie dat zij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. Het stond de gemeente in het bijzonder vrij verweer te voeren tegen de omvang van de door [eiser] gevorderde schadevergoeding. Gelet op de vorderingen van [eiser] en de bedragen die het hof zal toewijzen was voor een dergelijk verweer ook redelijkerwijs aanleiding. (onder 5.43-5.44)
v. In totaal is voor kosten deskundigen dus toewijsbaar:
- € 37.510 (Panteia)
- € 6.116 (DTZ Zadelhoff)
- € 17.545 (Mondico)
- € 8.938 (mr. Van der Pluijm)
Totaal: € 70.109 (onder 5.45)
Slot
w. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat toewijsbaar zijn de volgende bedragen:
- € 141.400 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 1997;
- € 70.109 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018. (onder 5.46)
x. Aangezien de op grond van het voorgaande toe te wijzen hoofdsom lager is dan de hoofdsom die de rechtbank heeft toegewezen, en [eiser] van zijn eigen appel geen nadeel mag ondervinden, is van belang of wat het hof toewijst inclusief wettelijke rente per datum eindvonnis lager uitkomt dan wat de rechtbank heeft toegewezen per datum eindvonnis. Dat is echter niet het geval. (onder 5.47)
y. Nu de grieven deels slagen zal het eindvonnis van 19 januari 2022 worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij iets anders heeft toegewezen dan het hof blijkens het voorgaande toewijsbaar acht. Het hof zal dat vonnis wat betreft het overige, dat wil zeggen voor zover de rechtbank de gemeente in de proceskosten van de eerste aanleg heeft veroordeeld, bekrachtigen. Het hof zal verder, opnieuw rechtdoende, de hiervoor onder 5.46 genoemde bedragen met de daarover verschuldigde wettelijke rente toewijzen. (onder 5.48)
z. De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. (onder 5.50)
2.6
Bij procesinleiding van 12 september 2023 heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft een incidentele vordering tot zekerheidsstelling voor de proceskosten ingediend. Ik heb geconcludeerd tot afwijzing van die incidentele vordering.4.Uw Raad heeft de incidentele vordering afgewezen.5.De Gemeente heeft vervolgens een verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. [eiser] heeft een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd en de Gemeente heeft gedupliceerd.
3. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
3.1
Het eerste onderdeel richt zich tegen rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8 van het arrest van het hof. Die overwegingen zijn het vervolg op rechtsoverwegingen 5.5 en 5.6:
‘5.5 De rechtbank heeft ten nadele van [eiser] belang gehecht aan de passage in het Streekplan Zuid-Holland West 19876., waarin staat dat met name rond [buurt 1] en [buurt 2] de landschappelijke kwaliteiten integraal en voortdurend beschermd dienen te worden. In het licht van het feit dat het perceel van [eiser] midden in het poldergebied in de directe nabijheid van [buurt 1] ligt, verbindt de rechtbank hieraan de conclusie dat ook al zijn voor dit gedeelte van het poldergebied op de plankaart bij het Streekplan niet uitdrukkelijk bepaalde natuur- en/of landschapswaarden vermeld, het risico bestond dat de provincie de bestemming “woondoeleinden” als een inbreuk op de landschappelijke kwaliteiten van het gebied zou hebben beschouwd. Daarnaast moet volgens de rechtbank rekening worden gehouden met bezwaar en beroep van omwonenden. Gegeven het ruimtelijk beleid van de provincie is volgens de rechtbank onzeker hoe daarop in een bestuursrechtelijke procedure zou zijn beslist.
5.6
[eiser] wijst er in de grief met name op (a) dat de medewerking van Gedeputeerde Staten uitsluitend nodig was omdat het bouwvolume van het gemaal werd verplaatst naar de woning met aangebouwde schuur, (b) dat de gemeente tot de gewenste bestemmingswijziging reeds bevoegd was op grond van de bestaande binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid, (c) dat het destijds zeer gebruikelijk was om met gebruikmaking van die bevoegdheid voormalige bedrijfswoningen een burgerwoonbestemming te geven, (d) dat Gedeputeerde Staten hun goedkeuring slechts konden onthouden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening (waarbij werd getoetst aan het ruimtelijke beleid van de provincie) en (e) dat ingevolge het arrest van het hof Amsterdam de onder D genoemde feiten en omstandigheden tot uitgangspunt moeten dienen. Daarnaast voert [eiser] aan dat de door de rechtbank aangehaalde passage uit het Streekplan uitsluitend betrekking heeft op het gearceerde gedeelte van de plankaart waaraan landschappelijke waarden waren toegekend, terwijl het perceel van [eiser] lag in een gebied waaraan geen landschappelijke waarden waren toegekend. Ten slotte bestrijdt [eiser] dat de omwonenden zich tegen de plannen van [eiser] zouden hebben verzet en dat, als zij dat wel zouden hebben gedaan, zij daarmee succes zouden hebben geboekt.
5.7
De grief is deels gegrond. Op grond van de door [eiser] aangevoerde argumenten, die het hof grotendeels als juist accepteert, acht het hof de kans dat Gedeputeerde Staten hun goedkeuring zouden hebben onthouden klein en in ieder geval kleiner dan de 40% waar de rechtbank vanuit is gegaan bij de door haar gehanteerde kans op een positieve uitkomst van 60%. Dat neemt niet weg dat ook het hof van oordeel is dat de door de rechtbank aangehaalde passage uit het Streekplan een zeker risico inhield. Uit het Streekplan is niet met zekerheid af te leiden dat, zoals [eiser] aanvoert, deze passage alleen betrekking heeft op het gearceerde gebied op de plankaart waaraan met zoveel woorden landschappelijke waarden zijn toegekend (en waar het perceel van [eiser] niet in ligt). Het hof acht het niet uitgesloten dat Gedeputeerde Staten deze passage zouden hebben aangegrepen om de toch niet onbeduidende ingreep op het perceel te kwalificeren als een inbreuk op de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving in de directe nabijheid van [buurt 1] . Ook kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat een dergelijk standpunt van Gedeputeerde Staten door de bestuursrechter zou worden teruggedraaid.
5.8
Het hof is van oordeel dat de kans dat de door de gemeente toegezegde woonbestemming in het bestemmingsplan zou zijn opgenomen moet worden gesteld op 80%. De grief is in zoverre gegrond.’
3.2
Het onderdeel behelst meerdere motiveringsklachten en, althans op het eerste gezicht, ook een rechtsklacht, die ik als eerste behandel. Geklaagd wordt dat het hof in rechtsoverweging 5.8 bij het vaststellen van de kans dat de door de Gemeente toegezegde woonbestemming in het bestemmingsplan zou zijn opgenomen op 80%, van een onjuiste maatstaf is uitgegaan, gelet op de ‘in r.o. 3.6 geciteerde arresten van de Hoge Raad en het Hof Amsterdam’, zijnde het arrest van uw Raad in de vorige cassatieprocedure van onderhavig geschil en het daaropvolgende arrest van de verwijzingsrechter. Het oordeel zou daarom onbegrijpelijk zijn. Het hof had moeten beoordelen wat de kans was dat, indien de Gemeente haar toezegging was nagekomen, de dienstwoning, en niet het perceel, de bestemming woondoeleinden zou hebben gekregen.7.De steller van het middel verwijst daarbij mede naar rechtsoverwegingen 5.12 en 5.14, waaruit ook zou blijken dat het hof uitgaat van het verzuim van de Gemeente om het perceel een woonbestemming te geven.
3.3
Ieder die maar enigszins met de allergrootste hoofdlijnen van het ruimtelijk bestuursrecht bekend is, doorziet dat de steller van het middel zich hier van een woordenspel bedient. Juist is dat in de hoofdzaak uw Raad en het hof Amsterdam spreken over de kans dat de dienstwoning in het vast te stellen bestemmingsplan de bestemming ‘woondoeleinden’ zou hebben gekregen. Die formulering verandert intussen niets aan de vormgeving van bestemmingsplannen, als plannen waarin de bestemming werd aangewezen van de ‘in het plan begrepen grond’ en regels gegeven met het oog op die bestemming (art. 3.1 lid 1 oud Wro). Die regels betroffen in elk geval regels omtrent (in één adem): ‘het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken’ (eveneens art. 3.1 lid 1 oud Wro). Kortom, er zit niet werkelijk licht tussen een formulering volgens welke het aankomt op de kans van [eiser] op een woonbestemming voor zijn perceel en een formulering volgens welke bepalend is de kans op een woonbestemming voor de dienstwoning op dat perceel. Het hof in de schadestaatprocedure heeft zich dus niet werkelijk verwijderd van hetgeen waar het volgens het oordeel van uw Raad en het hof Amsterdam in de hoofdzaak op aankomt. De klacht mist feitelijke grondslag.
3.4
Ook de motiveringsklachten van het onderdeel slagen niet. Die klachten zijn deels het resultaat van hetzelfde woordenspel. Er bestaat geen grond voor de lezing volgens welke het hof ervan zou zijn uitgegaan dat [eiser] slechts de beschikking had over een kaal stuk grond in plaats van een perceel mét dienstwoning. Anderdeels zien de motiveringsklachten op de inschatting van het hof dat er een kans van 20% bestond dat de provincie de bestemming ‘woondoeleinden’ als een inbreuk op de landschappelijke kwaliteiten van het gebied zou hebben beschouwd. De steller van het middel legt er vergeefs veel nadruk op dat ter plaatse reeds een dienstwoning stond. Volgens de inschatting van het hof was voor de provincie de inbreuk die een dienstwoning maakt op de landschappelijke kwaliteit van het gebied, niet geheel dezelfde als die van een volwaardige woonbestemming. Dat is niet onbegrijpelijk. Anders dan het onderdeel suggereert, zijn in dat verband de fysieke kenmerken van de woning niet doorslaggevend. De ruimtelijke ordening wordt door een afweging van belangen bepaald. Een dienstwoning is ten minste mede dienstbaar aan een ander belang dan wonen. In het geval van een (gewone) woonbestemming is het belang van wonen primair. Dat is dus niet hetzelfde en daarom kán de afweging ten opzichte van de landschappelijke kwaliteit anders uitpakken. Het was aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt om de kans daarop in te schatten.
3.5
Zowel het tweede als het derde onderdeel richt zich tegen hetgeen het hof over de peildatum heeft overwogen en beslist. Ik citeer de overwegingen van het hof:
‘De peildatum: 1 juli 1997
5.9
Het feit dat grief 1 gegrond is leidt er in beginsel toe dat een hoger bedrag toewijsbaar zou zijn dan de rechtbank heeft toegewezen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt dan mee dat het hof in zijn beoordeling of inderdaad een hoger bedrag moet worden toegewezen, ook de in eerste aanleg door de gemeente aangevoerde en door de rechtbank niet behandelde of geheel of gedeeltelijk ongegrond bevonden verweren moet betrekken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof deze mogelijkheid ook met partijen besproken. Meer in het bijzonder heeft het hof aan partijen voorgehouden dat de devolutieve werking zou kunnen meebrengen dat de datum waarnaar de schade wordt berekend (de “peildatum”) opnieuw zou moeten worden beoordeeld.
5.10
[eiser] heeft de schade berekend tot 2025, het jaar waarin hij 65 wordt, en contant gemaakt naar 1 juli 2018. [eiser] is van mening dat de door de rechtbank gebruikte datum (1 juli 2012) onjuist en willekeurig is. De gemeente heeft aangevoerd dat 1992 als peildatum moet worden gehanteerd (zie ook rov. 4.28 tussenvonnis). Hoewel de vonnissen van de rechtbank op dit punt niet volkomen helder zijn, heeft de rechtbank kennelijk geoordeeld dat de schade is geleden (“zich in de hypothetische situatie heeft verwezenlijkt”) op 1 juli 2012 en heeft zij ook vanaf die datum de wettelijke rente over de per 1 juli 2012 berekende schade van € 658.1258.(na aftrek van ontwikkelingskosten en gecorrigeerd naar een kans van 60%) toegewezen (zie rov. 2.18 eindvonnis).
5.11
Het hof oordeelt als volgt. De peildatum zal in het algemeen de datum zijn waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden. De verbintenis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad is zonder ingebrekestelling opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden. Dit betekent dat de schade moet worden berekend per de (nader te bepalen) peildatum en dat vanaf die peildatum over het aldus berekende bedrag de wettelijke rente verschuldigd wordt. De schade, zolang deze niet volledig is vergoed, kan weliswaar verder oplopen na de peildatum, maar die schade is dan gelegen in de vertraging in de betaling van een geldsom, die ingevolge art. 6:119 lid 1 BW bestaat uit de wettelijke rente. De rechter, die op grond van art. 6:97 BW de schade moet begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, heeft een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de uitgangspunten die hij bij de begroting van de schade hanteert.9.Dit geldt ook bij het bepalen van de peildatum. De rechter is bovendien bevoegd de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld.
5.12
Het gaat in deze zaak om schade die [eiser] heeft geleden doordat hem, als gevolg van het verzuim van de gemeente om het perceel een woonbestemming te geven, de kans werd ontnomen daarop zijn bouwplannen te realiseren. Indien de woonbestemming zou zijn gerealiseerd zou dat zijn gebeurd in het in 1993 in werking getreden bestemmingsplan Landelijk Gebied en zou [eiser] zijn bouwplannen op 1 juli 1997 hebben gerealiseerd.10.Tegen deze achtergrond acht het hof het met de aard van de schade het meest in overeenstemming om 1 juli 1997 als peildatum te hanteren door per die datum (a) de marktwaarde van het perceel met woonbestemming en bebouwing verminderd met de ontwikkelingskosten die [eiser] had moeten maken (de hypothetische situatie) te vergelijken met (b) de waarde van het perceel zonder woonbestemming en bebouwing (de werkelijke situatie). Vanaf die peildatum is vervolgens de wettelijke rente verschuldigd. Deze peildatum sluit ook aan bij de stelling van [eiser] zelf, die tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat de gemeente de schade bij het ontdekken van de fout (volgens hem in 1996) had moeten compenseren hetzij door het aanbieden van een ander pand hetzij door het betalen van een schadeloosstelling.11.
5.13
[eiser] klaagt er terecht over dat de door de rechtbank gekozen peildatum van 1 juli 2012 willekeurig is, maar dat geldt ook voor het standpunt van [eiser] dat de peildatum zou samenvallen met de datum waarop hij met pensioen gaat. Wat [eiser] in het hypothetische geval na 1 juli 1997 met de woning zou hebben gedaan (verkopen tegen de op dat moment geldende marktwaarde, verhuren, bewonen, verhypothekeren en met de opbrengst beleggen) en wat de gevolgen daarvan tot in lengte van jaren zouden zijn geweest voor zijn bedrijfsvoering, vermogensopbouw of pensioenvoorziening is in hoge mate speculatief en staat ook in een te ver verband met de fout van de gemeente, die uitsluitend bestond uit een niet gerealiseerde bestemmingswijziging.
5.14
Daaraan moet worden toegevoegd dat de schade die [eiser] stelt te hebben geleden na 1 juli 1997 naar het oordeel van het hof ook niet in redelijkheid aan de gemeente kan worden toegerekend. De gemeente hoefde er in redelijkheid geen rekening mee te houden dat haar verzuim de toegezegde woonbestemming in het bestemmingsplan op te nemen zou leiden tot gemist rendement op herbelegging, pensioenschade of gederfde huurinkomsten van de te bouwen of van een andere woning van [eiser] . De gemeente had er wel rekening mee kunnen houden dat het niet realiseren van een woonbestemming schade zou veroorzaken bestaande uit de gemiste waardestijging van het perceel en de onmogelijkheid voor [eiser] om zijn bouwplannen te realiseren. Dit is dan ook de schade die het hof, per de peildatum van 1 juli 1997, zal begroten.’
3.6
De strekking van beide onderdelen is dat het hof [eiser] tekort heeft gedaan door 1 juli 1997 als peildatum te nemen en voor de vervolgens door hem geleden schade alleen wettelijke rente te berekenen. In feitelijke aanleg heeft [eiser] rechtbank en hof voorgerekend hoe zijn vermogen in de loop der jaren zich zou hebben ontwikkeld als de woonbestemming wél zou zijn gerealiseerd. Het hof had daaraan volgens [eiser] niet voorbij mogen gaan.
3.7
Alle klachten van beide onderdelen stuiten af op de grote vrijheid die toekomt aan de rechter die over de feiten oordeelt, zowel bij het kiezen van zijn uitgangspunten voor de begroting van schade als bij de concrete invulling daarvan. Daarmee wil ik intussen niet suggereren dat het hof in de zaak die voorligt ongebruikelijke keuzes heeft gemaakt. Ik meen integendeel dat het hof keuzes heeft gemaakt die zeer wel voor de hand lagen. Ik leg dit hierna uit.
3.8
De vaststelling van schade veronderstelt een vergelijking tussen de werkelijke situatie en een hypothetische situatie. Die vergelijking is onvermijdelijk een vergelijking op een bepaald tijdstip (het peilmoment).12.Berust een verbintenis tot het vergoeden van schade op aansprakelijkheid, dan is de hypothetische situatie waarmee moet worden vergeleken het geval dat de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust niet zou hebben plaatsgevonden. Treedt direct de schade in één keer in, dan ligt de keuze van het peilmoment zeer voor de hand; dat voor de hand liggende peilmoment is het moment van het intreden van de schade. Als ik spreek van schade die in één keer intreedt, wil ik daarmee niet zeggen dat de benadeelde niet mogelijk ook verderop in de tijd schade lijdt, want door de aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen beïnvloedt wat eerst ten onrechte was of niet was, blijvend wat vervolgens is en niet is. Zekerheid over de loop der dingen in het geval de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust niet zou hebben plaatsgevonden, valt echter niet te geven. Wel is het de gewone gang der dingen dat een ongunstiger vermogenspositie op een bepaald moment, leidt tot een toenemend ongunstiger vermogenspositie op een later moment. Dit laatste is verdisconteerd in de verschuldigdheid van wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade geacht wordt te zijn ingetreden (het peilmoment). Terecht is door Hebly opgemerkt dat deze wijze van schadebegroting, met het tijdstip van het intreden van de schade als peilmoment en de berekening vervolgens van wettelijke rente over het bedrag van die schade, goed past bij het uitgangspunt dat schadevergoeding wordt voldaan in geld (art. 6:103 BW), bij het nominaliteitsbeginsel (art. 6:111 BW) en de regel van art. 6:83 aanhef en onder b BW, volgens welke de schuldenaar met betrekking tot de verbintenis tot schadevergoeding meteen in verzuim komt en aldus voor de vertragingsschade aansprakelijk wordt, alsook bij het fixum van de wettelijke rente voor die vertragingsschade (art. 6:119 BW).13.Hoewel dus de rechter veel vrijheid heeft bij het kiezen van de uitgangspunten van zijn begroting van de schade, waaronder het peilmoment, zijn er in gevallen waarin de schade in één keer intreedt dus héél goede redenen om het intreden van de schade als peilmoment te hanteren.
3.9
Treedt de schade niet in één keer in, dan is de keuze voor één peilmoment veel minder vanzelfsprekend. Het prototype van dat geval is letselschade bij een kind. Het letsel beïnvloedt eerst zijn opleiding, vervolgens zijn loopbaan en nog weer later zijn pensionering, en dat in samenspel met zijn sociale leven en gezondheid. In verband met de invloed die het letsel in de verschillende levensfases van de benadeelde heeft, zal de rechter meerdere peildata kunnen overwegen. Kiest hij toch één peildatum, althans voor verschillende schades dezelfde peildatum, dan zal hij om tot een aannemelijke uitkomst te komen, na de peildatum intredende schade naar het tijdstip van de peildatum willen terugrekenen (‘kapitaliseren’). De compensatie voor die na de peildatum intredende schade is dan gelegen in de optelsom van de gekapitaliseerd berekende schade en de daarover vanaf de peildatum verschuldigde wettelijke rente.
3.10
Wat ik nu zeg, is niet meer dan een ruwe schets van enkele mogelijkheden. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt om te beoordelen welke uitgangspunten voor de schadebegroting passend zijn, alsook hoe die uitgangspunten concreet behoren te worden ingevuld. Volgens de rechtspraak van uw Raad is de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt zeer groot. Zo groot zelfs dat hij schade die ten tijde van zijn uitspraak reeds daadwerkelijk is geleden, eventueel ook als toekomstige schade mag begroten door een peildatum te kiezen die (ver) vóór het intreden van de schade is gelegen, de schade naar die datum te kapitaliseren en vervolgens over die gekapitaliseerde schade wettelijke rente te berekenen. Dat de vrijheid van de rechter bij de schadebegroting zo ver gaat, is niet onomstreden,14.maar staat tot op heden overeind.15.
3.11
Wat ik zojuist met betrekking tot toekomstige schade vermeldde, diende enkel om te illustreren hoe groot de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, is. Want zo arbitrair als in letselschadezaken, of andere zaken waarin de schade er mede in bestaat dat toekomstig verdienvermogen is aangetast,16.is de keuze van het peilmoment in de zaak die voorligt, mijns inziens in het geheel niet. Niet onbegrijpelijk heeft het hof het zo gezien dat de schade eenvoudig in één keer intrad, zodat zéér voor de hand lag om dat moment als peilmoment te nemen (hiervoor 3.8). [eiser] heeft een toezegging van de Gemeente verkregen met het oog op de wens om ter plaatse een woning te (ver)bouwen. Die toezegging is door de Gemeente niet nagekomen. Volgens het hof is de schade ingetreden op het tijdstip waarop [eiser] , in de vergelijkingssituatie waarin de Gemeente haar toezegging wel zou zijn nagekomen, zijn woning zou hebben gerealiseerd. Dat moment is 1 juli 1997. Daarnaast wijst het hof erop dat hoe het gemis van de bedoelde woning vervolgens in de verdere lotgevallen van [eiser] heeft doorgewerkt, in grote mate onzeker is, terwijl ook niet vanzelfsprekend is dat eventuele vervolgschade (volgens hetgeen [eiser] aan het hof had voorgehouden: tot zijn pensioenvoorziening aan toe) ook aan de Gemeente kan worden toegerekend (klaarblijkelijk in de zin van art. 6:98 BW).
3.12
Al deze overwegingen dunken mij alleszins navolgbaar en geenszins onbegrijpelijk.
3.13
Als ik zeg dat het hof niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat de schade van [eiser] in één keer intrad, namelijk op het moment dat hij (indien de Gemeente haar toezegging wel zou zijn nagekomen) zijn woning zou hebben gerealiseerd, ontken ik niet dat het mislopen van de bedoelde realisatie in het vervolg van het leven van [eiser] doorwerkte. [eiser] had met de gerealiseerde woning allerlei dingen kunnen doen, die hij nu niet heeft kunnen doen. Hij had de woning op diverse momenten kunnen verkopen of een tijdlang kunnen verhuren, en met de aldus gegenereerde gelden had hij weer andere dingen kunnen doen, óók ten behoeve van pensioenopbouw, enzovoort enzovoort. Dat is echter niet anders dan in andere (gewone) gevallen waarin de schade ineens is geleden. Voor zulke doorwerking in de toekomst biedt de vanaf de peildatum verschuldigde wettelijke rente [eiser] gepaste compensatie. Die wettelijke rente is alleszins gelukkig een fixum, want enige zekerheid over hoe de dingen werkelijk zouden zijn gelopen bestaat niet. Met dit laatste zeg ik ook dat zonder dat fixum het gevaar zou bestaan dat een benadeelde op basis van zekerheden achteraf (waaronder de daadwerkelijke prijsontwikkeling van onroerend goed) een scenario beredeneert waarbij zijn schade maximaal is, terwijl geheel oncontroleerbaar is of hij in het vergelijkingsgeval (vanzelfsprekend zónder zekerheid over wat de toekomst zou brengen) de beweerde keuzes inderdaad zou hebben gemaakt.
3.14
Als de steller van het middel suggereert dat, omdat [eiser] vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatig gedrag van de Gemeente vordert en niet (ik begrijp: niet primair) vergoeding van schade door de vertraging in de voldoening van een geldsom, daarvoor niet het fixum van de wettelijke rente geldt (procesinleiding in cassatie onder 7 en 17), vergist hij zich. Wat hij verdedigt, was praktijk onder het recht van vóór 1 januari 1992. Het fixum van art. 1286 oud BW stond niet in de weg aan de toekenning van zogenaamde ‘compensatoire rente’. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 6:119 BW volgt dat het huidige recht met deze praktijk welbewust heeft gebroken: het fixum van de wettelijke rente van art. 6:119 BW geldt ten volle mede voor een vordering tot schadevergoeding.17.
3.15
Over de afzonderlijke klachten van de diverse subonderdelen behoeft na het voorgaande nauwelijks nog iets te worden gezegd. Ik voeg nog slechts enkele korte opmerkingen toe voor alle duidelijkheid:
1. Wettelijke rente als fixum voor de vertragingsschade die optreedt door de uitgestelde betaling van een geldsom, biedt in verband met het uitgangspunt dat schadevergoeding in geld plaatsvindt, óók compensatie voor de doorwerking van ingetreden vermogensschade in het vervolg van de tijd. (naar aanleiding van subonderdeel 2A, onder 5 en 7, subonderdeel 2B onder 9, subonderdeel 2C onder 13, subonderdeel 2D)
2. Omdat volgens het alleszins begrijpelijke oordeel van het hof de schade ineens is ingetreden, is het kapitaliseren van schade niet aan de orde. (naar aanleiding van subonderdeel 2A, onder 6 en 7)
3. Het hof heeft niet geoordeeld dat speculatief is, of in een te ver verwijderd verband met de fout van de Gemeente staat, dat [eiser] bij nakoming van de toezegging een perceel met een woonbestemming en daarop een woning zou hebben gehad (van dat scenario is het hof juist met een waarschijnlijkheid van 80% uitgegaan). In plaats daarvan is volgens het hof speculatief en te ver verwijderd wat [eiser] vervolgens precies met de woning zou hebben gedaan en wat de gevolgen daarvan voor zijn vermogenspositie tot in lengte van jaren zouden zijn geweest. (naar aanleiding van subonderdeel 2B en subonderdeel 2C)
4. Niet juist is dat het hof Amsterdam met de veroordeling van de Gemeente tot vergoeding van de schade die [eiser] ‘heeft geleden en zal lijden’ heeft beslist dat er toekomstige schade is anders dan vertragingsschade. Een verwijzing naar de schadestaat doet niet vaststaan dat er schade is, en zo ook niet dat er toekomstige schade is. (naar aanleiding van subonderdeel 2D onder 16)
5. Het fixum van de wettelijke rente helpt overzichtelijk te houden wat anders spoedig onwerkbaar complex zou worden. De onvermijdelijke keerzijde daarvan is dat vergelijkingen tussen de prijsontwikkeling van onroerend goed en de wettelijke rente niet opgaan. Zoals wettelijke rente mogelijk meer vergoeding biedt dan de schade die, volgens wat aannemelijk is, in concreto is geleden, zo ook mogelijk minder. (subonderdeel 2D onder 17 en subonderdeel 3B onder 23)
6. De overweging van het hof over de stelling van [eiser] dat de Gemeente hem in 1996 had moeten compenseren (rechtsoverweging 5.12 slot) betreft een overweging ten overvloede. (naar aanleiding van subonderdeel 3A onder 21)
3.16
Het vierde onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen: 4A en 4B.
3.17
Subonderdeel 4A richt zich tegen het eerste deel uit rechtsoverweging 5.21, dat luidt als volgt:
‘Uit de discussie van partijen komt naar voren dat het er in wezen om gaat of de kelder en de schuur (in de hypothetische situatie) zo hoogwaardig zouden zijn uitgevoerd dat deze kunnen worden aangemerkt als woonoppervlakte die vergelijkbaar is met de woonoppervlakte van de panden die de deskundige als vergelijkingsobject heeft gebruikt. De deskundige heeft dat ten aanzien van de kelder inderdaad aangenomen, op basis van zijn aanname dat de kelder een volwaardig onderdeel uitmaakt van de woning en daglicht en voldoende stahoogte zal hebben.18.De gemeente heeft bij deze aanname terecht vraagtekens geplaatst. Dat deze aanname van de deskundige enige grondslag vindt in de plannen van [eiser] blijkt niet en [eiser] heeft dat ook niet voldoende onderbouwd aangevoerd. Dit betekent dat de kelder niet als volwaardig onderdeel van de woning kan worden beschouwd. Het hof zal de oppervlakte van de kelder dan ook in zoverre buiten beschouwing laten. (…).’
3.18
De steller van het middel voert aan dat de vraag of de kelder wel of niet moet worden meegenomen in de berekening van de woonoppervlakte, in hoger beroep niet aan de orde is gekomen en dat het hof dit punt vermoedelijk op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep zelfstandig in de beoordeling heeft betrokken. Het hof had volgens de steller van het middel niet mogen beslissen zonder partijen te horen, omdat het afwijkt van het deskundigenbericht, ‘terwijl er in de gedingstukken geen uitgebreid debat over is gevoerd en het vonnis van de rechtbank daartoe voor [eiser] geen aanleiding gaf’.19.
3.19
De klacht van het subonderdeel faalt. Het hof heeft niet beslist zonder partijen te horen. Partijen hebben immers in eerste aanleg naar aanleiding van het deskundigenbericht zich over de kwestie van de kelder kunnen uitlaten (wat zij ook daadwerkelijk hebben gedaan) en zij waren in de gelegenheid om daaraan desgewenst in hoger beroep nog wat toe te voegen. Een regel zoals door de klacht verondersteld, namelijk in de zin dat als een hof een punt ‘zelfstandig’ op grond van de devolutieve werking in de beoordeling betrekt, het partijen nader dient te horen, bestaat niet en is mijns inziens ook niet wenselijk. In hoger beroep hebben partijen verplichte procesvertegenwoordiging en we mogen er dus van uitgaan dat partijen ook ‘zelfstandig’ zich er bewust van zijn dat vanwege de devolutieve werking van het appel een punt aan de orde kan komen. Slechts bij uitzondering is het volgens sommige literatuur anders, namelijk indien het debat in eerste aanleg in een zodanig stadium verkeerde dat partijen nog niet op een beslissing bedacht behoefden te zijn.20.Dat dit geval zich hier voordoet, kan ik niet inzien.
3.20
Ook subonderdeel 4B richt zich tegen rechtsoverweging 5.21 en betreft de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de kelder niet meetelt als woonoppervlakte. De steller van het middel citeert de meetinstructie (NEN 2580) en maakt daarbij het woord ‘KELDER’ vet in kapitalen, maar ziet over het hoofd dat de geciteerde passage juist pleit voor de kwalificatie door het hof van de kelder als ‘gebruiksoppervlak overige inpandige ruimte’ in plaats van ‘gebruiksoppervlak wonen’. Intussen is ook het hof ervan uitgegaan dat een kelder bij uitzondering wél tot het gebruiksoppervlak wonen kan worden gerekend, maar volgens het hof is dat hier niet aan orde omdat de kelder (onder meer) geen daglicht heeft. Dat die eis mag worden gesteld, bestrijdt het onderdeel niet (anders dan met het zojuist bedoelde onjuiste beroep op de meetinstructie). Dat inderdaad tot de kelder geen daglicht toetreedt, bestrijdt het subonderdeel niet en blijkt bovendien duidelijk uit de bouwtekening waar het subonderdeel zich op beroept. De afwezigheid van daglicht is het verschil met de verwarmde schuur die door het hof vanwege het hoge afwerkingsniveau en een gemeenschappelijke muur met de woning wél tot het ‘gebruiksoppervlak wonen’ wordt gerekend. De steller van het middel beroept zich dus ten onrechte op de analogie met die schuur. Het subonderdeel faalt.
3.21
Het vijfde onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 5.36:
‘De rechtbankdeskundige heeft de waarde van het perceel zonder woonbestemming en in onbebouwde staat per 1 juli 1997 getaxeerd op € 1. De gemeente heeft in eerste aanleg aangevoerd dat voor een dergelijk stuk grond altijd wel belangstelling is, bijvoorbeeld als jachtplekje of plekje om van de natuur te genieten, en dat aan de taxateur van Van Ameyde door een boer een bod werd gedaan van enkele tienduizenden euro's.21.Het hof acht in dat licht de taxatie van € 1 te laag en schat de waarde van het perceel per 1 juli 1997 op € 20.000.’
3.22
De steller van het middel klaagt dat het hof, nu het afwijkt van een deskundigenbericht terwijl er in de gedingstukken geen uitgebreid debat over is gevoerd en het vonnis van de rechtbank daartoe geen aanleiding gaf, niet over de waarde van het perceel zonder woonbestemming en in onbebouwde staat had mogen beslissen zonder partijen hierover eerst te horen.22.Bovendien is volgens het subonderdeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het hof de waarde heeft ingeschat op € 20.000, temeer nu waarschijnlijk is dat het bod van de boer – van enkele tienduizenden euro’s – rond 2016 is gedaan, en dat bod wegens inflatie en waardestijging van onroerend goed niet gelijk staat aan een bod uitgebracht op de peildatum in 1997.23.Ook is onbegrijpelijk waarom het hof überhaupt in het bod, waarvan onduidelijk is door wie, wanneer en ter hoogte waarvan dat is gedaan, aanleiding heeft gezien om af te wijken van het deskundigenbericht (de taxatie € 1,--).24.Het hof behoorde een nadere taxatie te vragen, in plaats van de waarde zelf te schatten hetgeen niet noodzakelijk was.25.
3.23
Ook deze klachten slagen mijns inziens niet. Het hof heeft niet beslist zonder partijen te horen. Partijen zijn immers in de gelegenheid geweest om zich over de waarde van het perceel zonder woonbestemming en in onbebouwde staat uit te laten, alsook over de daaraan door de deskundige toegekende waarde. Mijns inziens is alleszins begrijpelijk dat volgens het hof een perceel van 2094 m2 grond met nauwelijks waarde in Nederland onbestaanbaar is. Vervolgens heeft het hof die waarde geschat. Tot op zekere hoogte kan ik met [eiser] meevoelen dat die schatting als een slag in de lucht voelt. Maar we moeten de dingen wel in het juiste perspectief zien. De inschatting van de kans dat als de Gemeente haar toezegging was nagekomen het perceel van [eiser] een woonbestemming zou hebben gekregen, op 80%, is onvermijdelijk met veel onzekerheid omgeven. En ook de waarde van de woning die [eiser] conform zijn plannen zou hebben gebouwd op de peildatum en de daarvoor door hem te maken ontwikkelkosten, zijn niet hard. Dat maakt het mijns inziens alleszins begrijpelijk dat het hof het niet essentieel heeft geacht om over de post van de waarde zonder woonbestemming en in onbebouwde staat meer zekerheid te krijgen dan de inschatting waarmee het genoegen heeft genomen.
3.24
Wat er intussen zij van de opportuniteit van de beslissing van het hof, opnieuw geldt dat de rechter die over de feiten oordeelt bij de begroting van schade grote vrijheid geniet. Reeds daarom kunnen de klachten niet slagen.
3.25
Wat betreft het bod in 2016 van enkele tienduizenden euro’s nog: € 20.000 is de onderkant van ‘enkele tienduizenden euro’s’, want dat kan bijvoorbeeld ook € 30.000 of € 35.000 zijn. De terugrekening door het hof van enkele tienduizenden euro’s in 2016 naar € 20.000 in 1997 is niet onbegrijpelijk.
3.26
Ik sprak zojuist meebewegend met de steller van het middel over een ‘terugrekening’ vanuit het bedoelde bod in 2016. Intussen lees ik het arrest van het hof niet zo dat het de schatting van € 20.000 op dat bod heeft gebaseerd. Dat bod vermeldt het hof als illustratie voor zijn inschatting dat een waarde van € 1,-- (veel) te laag is. Vervolgens heeft het hof gemeend dit met de schade te verrekenen element ex aequo et bono te moeten schatten. Dat stond het hof vrij.
3.27
Het zesde onderdeel betreft een voortbouwklacht en behoeft geen zelfstandige bespreking.
4. Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatiemiddel tot vernietiging leidt. Volgens het voorgaande is die voorwaarde niet vervuld, zodat ik ervan afzie om de klachten in het incidenteel beroep te bespreken.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑01‑2025
Vergelijk het arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1815, onder 3.1-3.7. Onder 3.7 verwijst het hof mede naar de feitenvaststelling in de hoofdzaak door het hof Amsterdam in zijn arrest van 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125 en naar de feitenvaststelling door de rechtbank in het tussenvonnis van 12 februari 2020.
Voetnoot in het origineel: ‘Geciteerd in rov. 4.13 van het tussenvonnis.’
Procesinleiding in cassatie, onder 3.
Voetnoot in het origineel: ‘Zie hiervoor ook het op dit punt door de rechtbank gevolgde deskundigenbericht p. 51: € 658.125 is de marktwaarde van het perceel met bouwbestemming en bebouwing per 1 juli 2012.’
Voetnoot in het origineel: ‘MvA II. Parl. Gesch. p. 339. A-G Hartkamp voor HR 15 november 1998. NJ 1998, 314.’
Voetnoot in het origineel: ‘Dit is tussen partijen niet in geschil: zie ook tussenvonnis rov. 4.28.’
Voetnoot in het origineel: ‘Spreekaantekeningen [eiser] in persoon nr. 4 en nr. 22. Zie ook pleitnota mr. Van Galen in hoger beroep nr. 3: de gemeente had ervoor moeten kiezen de schade in 1998 te vergoeden.’
M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss. Rotterdam, Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 3.3.6.1.
Vergelijk M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss. Rotterdam, Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 4.4.1.
Vergelijk de bespreking van die kritiek bij M.R. Hebly, Schadevaststelling en tijd, diss. Rotterdam, Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 4.5.5.2 en de daar vermelde schrijvers.
HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7884, NJ 2003/603; HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4606, NJ 2012/613; HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291, NJ 2020/120, m.nt. S.D. Lindenbergh. De eerste twee zaken betreffen letselschade, de laatste gederfde winst. De literatuur over deze rechtspraak is zeer omvangrijk. Ik vermeld slechts enkele mijns inziens belangrijke bronnen en dan ook alleen nog maar recente, dat wil zeggen van na het arrest van 30 augustus 2019: S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Mon. BW nr. B34) 2020/35; Asser/Sieburgh 6-II 2021/43; C.J.M. Klaassen, ‘Begroting van (toekomstige) schade: over (on)mogelijkheden en (on)zekerheden, ‘Groningen’, ‘Vianen’ en hun betekenis in breder verband’, NTBR 2021/34, p. 273-282; P.M. Vos, ‘Back to the future: begroting van toekomstige schade aan de hand van een ijkpunt in het verleden – Bespreking van HR 30 augustus 2019, ECLI:NL:HR:2019:1291, RvdW 2019/933 (Gemeente Vianen/X)’, MvV 2019/12.
Waaronder ook het verdienvermogen van een onderneming. Het in de vorige noot vermelde arrest van 30 augustus 2019 ziet daarop.
Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 6 1981, p. 475-476, waar onder meer is te lezen: ‘De mogelijkheid van het vorderen van compensatoire rente die in de praktijk vaak tot lastige bewijsvragen leidt, is daarom uitgesloten.’ Vergelijk: Asser-Hartkamp I 1992/524 (art. 6:119 laat in tegenstelling tot art. 1286 ‘geen vergoeding van de zogenaamde compensatoire of vergoedings-interessen toe’); W.A.K. Rank, Contractenrecht VI, nr. 2938-2939, februari 1992 (‘Het vorderen van compensatoire interessen is uitgesloten’).
Voetnoot in origineel: Deskundigenrapport p. 34-35.
Procesinleiding in cassatie, onder 26.
H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2017/83.
Voetnoot in origineel: ‘Akte van 20 januari 2021 nr. 4.e.’
Procesinleiding in cassatie, onder 30.
Procesinleiding in cassatie, onder 31.
Procesinleiding in cassatie, onder 32.
Procesinleiding in cassatie, onder 33.
Uitspraak 08‑03‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03569
Datum 8 maart 2024
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incident,
hierna: [verweerder],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[de gemeente],
zetelend te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incident,
hierna: de Gemeente,
advocaat: M.A.M. Wagemakers.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/556424/HA ZA 18-780 van de rechtbank Den Haag van 14 november 2018, 12 februari 2020, 1 april 2020, 17 juni 2020, 28 juli 2021 en 19 januari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.309.481/01 van het gerechtshof Den Haag van 13 juni 2023.
Het hof heeft bij zijn arrest de Gemeente veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [verweerder], zij het tot een bedrag dat lager is dan het bedrag dat [verweerder] in dit geding vordert.
[verweerder] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend.
[verweerder] heeft in het incident een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De Gemeente en [verweerder] hebben vervolgens nog gerepliceerd en gedupliceerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot afwijzing van de incidentele vordering van de Gemeente tot zekerheidstelling voor de proceskosten van het geding in cassatie.
2. Beoordeling van de incidentele vordering.
2.1
De Gemeente heeft in cassatie een incidentele vordering tot zekerheidstelling ingesteld op de voet van art. 414 Rv in verbinding met art. 224 Rv. De Gemeente vordert, samengevat, dat [verweerder] wordt veroordeeld tot zekerheidstelling voor de proceskosten en schadevergoeding tot in totaal € 12.904,67, althans tot een door de Hoge Raad in goede justitie te bepalen bedrag. De Gemeente legt daaraan ten grondslag dat [verweerder] in [woonplaats] woont, dat hij geen gewone woon- of verblijfplaats in Nederland heeft en dat hij in dit geding zowel de oorspronkelijk eiser als de eiser tot cassatie is. Aldus is aan de voorwaarden van art. 224 lid 1 Rv en art. 414 leden 2 en 3 Rv voldaan, zo voert de Gemeente aan.
2.2
[verweerder] heeft onder meer aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal zijn, zoals bedoeld in art. 224 lid 2, onder c, Rv. Hij heeft in onbezwaarde eigendom een perceel grond te [de gemeente], waarop de Gemeente verhaal zou kunnen nemen.
2.3
Dit verweer slaagt. De Gemeente heeft niet betwist dat [verweerder] het bedoelde perceel grond in onbezwaarde eigendom heeft. Op grond van de stukken van het geding zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.20 en 4.23, is voldoende aannemelijk dat de waarde van dit perceel hoger is dan € 12.904,67. Daarmee is redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding tot dat bedrag in Nederland mogelijk zal zijn. Dat er een kans bestaat dat het perceel wordt bezwaard of vervreemd, maakt dat niet anders. Zekerheid over de mogelijkheid van verhaal is immers niet vereist.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
in het incident:
- wijst de incidentele vordering af;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 800,-- voor salaris;
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar 5 april 2024 voor indiening verweerschrift door de Gemeente.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 8 maart 2024.
Conclusie 19‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Incident tot zekerheidsstelling ex art. art. 414 jo. 224 Rv voor proceskosten in cassatie. Betekenis van mogelijkheid van erkenning en tenuitvoerlegging op grond van de Code de droit international privé van Monaco in verband met de uitzondering van art. 224 lid 2 onder b Rv. Aannemelijkheid van mogelijkheid van verhaal in Nederland (art. 224 lid 2 onder c Rv).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03569
Zitting 19 januari 2024
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
Gemeente Zoeterwoude
eiseres in het incident, verweerster in de hoofdzaak,
tegen
[verweerder]
verweerder in het incident, eiser tot cassatie in de hoofdzaak.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Gemeente respectievelijk [verweerder] .
1. Inleiding
1.1
In verband met de omstandigheid dat [verweerder] in [plaats] woont, vordert de Gemeente in dit incident in cassatie op de voet van art. 414 jo. 224 Rv zekerheidstelling voor de proceskosten waartoe [verweerder] zou kunnen worden veroordeeld. Deze kosten bestaan uit (i) het vooralsnog geheven griffierecht, (ii) de kosten van het principaal cassatieberoep, (iii) de kosten van een eventueel incidenteel cassatieberoep en (iv) de kosten van het incident.
1.2
Mijns inziens dient de incidentele vordering van de Gemeente te worden afgewezen omdat aannemelijk is dat voor een eventuele veroordeling van [verweerder] in de proceskosten in cassatie verhaal in Nederland mogelijk zal zijn (art. 224 lid 2 aanhef en onder c Rv). [verweerder] heeft namelijk de onbelaste eigendom van agrarische percelen in Nederland. In verband met de Code de droit international privé van Monaco is in deze zaak verder onder meer de vraag aan de orde of een buitenlandse ipr-wet die erkenning en tenuitvoerlegging van een door de Nederlandse rechter uitgesproken proceskostenveroordeling in het woonland van eiser mogelijk maakt, mede valt onder de uitzondering van art. 224 lid 2 onder b Rv. Mijns inziens is dat niet het geval.
2. Korte duiding van de feiten en het procesverloop in de hoofdzaak
2.1
[verweerder] heeft in 1987 een perceel grond gekocht in de [gemeente] met de bedoeling daar een huis te bouwen. Daarvoor was een wijziging van de bestemming in het bestemmingsplan nodig. De Gemeente heeft aan [verweerder] toegezegd deze wijziging in de lopende herziening van het bestemmingsplan mee te nemen, maar heeft dat niet gedaan. Latere pogingen van de Gemeente om het perceel (met een agrarische bestemming) alsnog een woonbestemming te geven, zijn afgestuit op een gebrek aan medewerking van de provincie. Inmiddels was het beleid met betrekking tot dergelijke bestemmingswijzigingen namelijk strenger geworden.1.
2.2
In een eerdere procedure heeft het gerechtshof Amsterdam de Gemeente veroordeeld tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat. Vervolgens heeft [verweerder] in de schadestaatprocedure een bedrag van ruim drie miljoen euro gevorderd. Na een deskundigenbericht heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 19 januari 2022 bepaalde bedragen toegewezen.
2.3
[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 13 juni 2023 heeft het hof andere bedragen toegewezen dan de rechtbank, zij het lang niet zo hoog als [verweerder] had gevorderd. Kort gezegd is de Gemeente veroordeeld om aan [verweerder] te betalen € 141.400,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 1997, en € 70.109,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2018.2.
2.4
[verweerder] heeft tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft een incidentele vordering tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend, waarna namens [verweerder] is gedupliceerd en namens de Gemeente is gerepliceerd.3.
3. De incidentele vordering en het verweer
3.1
Door het exploot betekening oproepingsbericht in cassatie heeft de Gemeente kennisgenomen van het feit dat [verweerder] woonachtig is in [plaats] . In het incident vordert de Gemeente dat [verweerder] zekerheid stelt voor de proceskosten tot betaling waarvan hij zou kunnen worden veroordeeld. De vordering beloopt in totaal € 12.904,67 en bestaat uit de volgende posten: (i) vooralsnog geheven griffierecht à € 7.304,67, (ii) de kosten van het principaal cassatieberoep à € 2.200,00, (iii) de kosten van een eventueel incidenteel cassatieberoep à € 2.600,00 en (iv) de kosten van het incident à € 800,00. De Gemeente heeft aan de gevorderde zekerheidstelling een termijn verbonden van uiterlijk twee weken na het arrest van de Hoge Raad in dit incident, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [verweerder] in het cassatieberoep. Verder heeft zij gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld in de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het arrest in het incident.
3.2
Aan haar incidentele vordering legt de Gemeente ten grondslag dat [verweerder] geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat [verweerder] principaal cassatieberoep heeft ingesteld, is aan de vereisten van art. 224 lid 1 jo. art. 414 lid 2 en 3 Rv voldaan. Volgens de Gemeente doet zich geen van de uitzonderingen van art. 224 lid 2 Rv voor.
3.3
[verweerder] heeft verweer gevoerd. Hij beroept zich op de uitzondering op de verplichting tot het stellen van zekerheid van art. 224 lid 2 aanhef en onder c Rv: volgens hem is het redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk zal zijn. [verweerder] voert aan dat deze procedure gaat over een stuk grond dat in (onbezwaarde) eigendom is van [verweerder] en dat zich bevindt in de [gemeente] . [verweerder] heeft recente kadastrale informatie ter zake van het perceel overgelegd.4.In het arrest dat in het principaal cassatieberoep wordt bestreden heeft het hof de marktwaarde van dit perceel zonder woonbestemming en bebouwing per 1 juli 1997 (dat wil zeggen: in de situatie ‘met’ de omissie van de Gemeente) geschat op € 20.000,00.
3.4
Bij dupliek in het incident heeft [verweerder] zich tevens beroepen op de uitzondering van art. 224 lid 2 onder b Rv, volgens welke geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat indien een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van (onder meer) een verdrag of wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid wordt gevorderd, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Hij heeft in dit verband gewezen op art. 13 e.v. Code de droit international privé van Monaco, waaruit volgt dat Monaco Nederlandse vonnissen erkent en dat tenuitvoerlegging in Monaco mogelijk is.
3.5
De Gemeente heeft gerepliceerd. Volgens de Gemeente zegt de schatting van de marktwaarde van het perceel door het hof niets over de aannemelijkheid dat de Gemeente de proceskostenveroordeling op [verweerder] zal kunnen verhalen, omdat [verweerder] in het principaal cassatieberoep een klacht tegen die schatting heeft gericht en heeft betoogd dat die marktwaarde € 1,00 is. De mogelijkheid van verhaal op het perceel is bovendien onzeker vanwege de kosten van een eventuele executoriale verkoop en de mogelijkheid dat [verweerder] het perceel tijdens het cassatieberoep bezwaart of vervreemdt. Het beroep dat [verweerder] bij dupliek in het incident op art. 224 lid 2 aanhef en onder b Rv heeft gedaan, is volgens de Gemeente te laat. Voor zover daarop wel acht zou moeten worden geslagen, voert de Gemeente aan dat onvoldoende is dat volgens het recht van Monaco voor een Nederlandse titel een exequatur kan worden verkregen.
4. Bespreking van de incidentele vordering
4.1
Op grond van het bepaalde in art. 414 lid 1 Rv is art. 224 Rv ook in cassatie van toepassing, met dien verstande dat volgens art. 414 lid 2 en 3 Rv slechts de oorspronkelijke eiser of verzoeker (in eerste aanleg) die ook principaal cassatieberoep heeft ingesteld, tot het stellen van zekerheid verplicht kan worden.5.
4.2
Art. 224 Rv lid 1 Rv bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland6.die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding7.tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Deze verplichting tot zekerheidstelling wordt wel aangeduid als ‘de cautie’, welk begrip echter nog diverse andere betekenissen heeft.
4.3
De strekking van art. 224 Rv is te voorkomen dat een in het gelijk gestelde gedaagde wordt geconfronteerd met oninbaarheid van een proceskostenveroordeling als gevolg van het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft.8.
4.4
Uit art. 224 lid 1 Rv volgt dat de verplichting tot het stellen van zekerheid ziet op de proceskosten tot betaling waarvan de partij die zekerheid dient te stellen, veroordeeld zou kunnen worden. Daartoe behoren ook de kosten van het incident tot zekerheidstelling, en in cassatie de kosten van een eventueel in te stellen incidenteel cassatieberoep.9.Art. 224 Rv ziet alleen op zekerheidstelling voor de rechtstreeks uit de desbetreffende instantie voortvloeiende proceskosten.10.
4.5
Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] in [plaats] woont en dat hij geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland. [verweerder] is de oorspronkelijke eiser in eerste aanleg en eiser tot cassatie in principaal cassatieberoep. Aan de vereisten van art. 224 lid 1 jo. 414 lid 2 en 3 Rv is dus voldaan.
4.6
Art. 224 lid 2 Rv noemt onder a tot en met d vier uitzonderingen op de verplichting tot het stellen van zekerheid. [verweerder] heeft zich beroepen op de uitzonderingen onder b en c, maar ik loop ook de andere kort na. Mijns inziens dient uw Raad in verband met art. 25 Rv namelijk ook ambtshalve te onderzoeken of een of meer van de in art. 224 lid 2 Rv genoemde gronden aan toewijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling in de weg staat.11.
4.7
Volgens art. 224 lid 2 aanhef en onder a Rv bestaat geen verplichting tot zekerheidstelling indien dit voortvloeit uit een verdrag of een EG-verordening. Mij is geen (al dan niet bilateraal) verdrag bekend tussen Nederland en Monaco dat zekerheidstelling verbiedt. Ik merk in dit verband op dat Monaco geen partij is bij het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering uit 195412.of bij het Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen uit 1980.13.
4.8
Ingevolge art. 224 lid 2 aanhef en onder b Rv bestaat geen verplichting tot zekerheidstelling indien een veroordeling tot betaling van proceskosten op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag, een EG-verordening of een wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de omstandigheid dat voorafgaand aan de tenuitvoerlegging een exequaturprocedure moet worden doorlopen, niet betekent dat de uitzondering onder b zich niet voordoet.14.
4.9
Mij is geen verdrag of verordening bekend op grond waarvan een door een Nederlandse rechter uitgesproken proceskostenveroordeling in Monaco ten uitvoer kan worden gelegd.
4.10
[verweerder] heeft bij dupliek verwezen naar een wet van Monaco, namelijk de Code de droit international privé uit 2017.15.Het derde hoofdstuk van de wet heeft betrekking op de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen en openbare akten. Op grond van art. 13 van deze wet16.worden door buitenlandse rechters gegeven beslissingen die kracht van gewijsde hebben in Monaco van rechtswege erkend, behoudens de uitzonderingen van art. 15. De uitzonderingen van art. 15 zien op respectievelijk een gebrek in de rechtsmacht van de buitenlandse rechter17.(onder 1), schending van de rechten van de verdediging (onder 2), kennelijke strijd met de openbare orde van Monaco (onder 3), strijd met een tussen dezelfde partijen in Monaco gegeven beslissing of een reeds eerder erkende buitenlandse beslissing (onder 4) en het geval waarin er tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp eerder een procedure aanhangig is gemaakt (onder 5).18.De oplettende lezer herkent de criteria zoals die zowel in het commune ipr volgens het Gazprombank-arrest van uw Raad19.als onder het regime van de EEX-Verordening20.gangbaar zijn respectievelijk waren (vergelijk thans art. 45 Brussel I-bis). Voor tenuitvoerlegging is volgens art. 14 verlof van de Monegaskische rechter nodig,21.die volgens art. 20 in een gewone procedure kan worden verzocht.22.Volgens art. 16 wordt in de erkenningsprocedure in geen geval overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.23.
4.11
Hoewel gelet op het voorgaande aannemelijk is dat een veroordeling tot betaling van proceskosten op grond van de bedoelde wet in Monaco ten uitvoer zal kunnen worden gelegd, is het zeer de vraag of dit tot afwijzing van de incidentele vordering van de Gemeente kan leiden. Aanvankelijk, tot 10 oktober 2010, vermeldde art. 224 lid 2 onder b Rv alleen ‘het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag of een EG-verordening’ die de tenuitvoerlegging van een door de Nederlandse rechter uitgesproken proceskostenveroordeling mogelijk maakt, als een geval waarin de verplichting tot het stellen van zekerheid niet bestaat. Ook toen kwam het uiteraard voor dat volgens buitenlands ongeschreven of geschreven ipr wel degelijk tenuitvoerlegging mogelijk was. Klaarblijkelijk heeft de wetgever de beoordeling van een incidentele vordering tot zekerheidstelling niet willen compliceren met een onderzoek naar buitenlands recht (al dan niet naar aanleiding van een beroep daarop van de zijde van de gedaagde partij).
4.12
Een aanwijzing dat dit de achtergrond is, is te vinden in de wetsgeschiedenis van lid 2 onder c. De beperking in die bepaling tot verhaalsmogelijkheden in Nederland is ingegeven door overwegingen van hanteerbaarheid: als ook zou moeten worden onderzocht of verhaal mogelijk is op vermogensbestanddelen in het buitenland, dan zou dit de beoordeling van de vordering volgens de wetgever te zeer compliceren.24.Hoewel een beoordeling van verhaalsmogelijkheden in het buitenland ook een feitelijk aspect bevat (in welke landen heeft eiser vermogen en wat is de waarde van de diverse vermogensbestanddelen?), is er uiteraard overlap met de kwestie met betrekking tot lid 2 onder b, want verhaal in het buitenland veronderstelt mede dat tenuitvoerlegging in het desbetreffende buitenland mogelijk is.
4.13
Sinds 10 oktober 2010 spreekt art. 224 lid 2 onder b Rv alsnog van ‘het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag, een EG-verordening of een wet’.25.Het is echter allerminst vanzelfsprekend dat daarmee (mede) de wet van een vreemde staat bedoeld zou kunnen zijn. Het begrip ‘wet’ in Nederlandse wet- en regelgeving staat in het algemeen voor een Nederlandse wet in formele zin. Zou de wetgever met de bepaling van art. 224 lid 2 onder b Rv een andere bedoeling hebben gehad, dan ligt het voor de hand dat dit in de wettekst tot uitdrukking was gebracht.
4.14
Ook de totstandkomingsgeschiedenis van de wetswijziging van 2010 wijst niet in de richting van een fundamentele koerswijziging. De wet waarbij de wijziging plaatsvond is de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.26.De memorie van toelichting bij het artikel licht de wijziging toe met verwijzing naar een in de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op te nemen bepaling (namelijk art. 5) die de tenuitvoerlegging van een proceskostenveroordeling uitgesproken door de Nederlandse rechter mogelijk maakt (overeenkomstig wat voorheen op grond van art. 40 van het Statuut van het Koninkrijk gold).27.Kortom, een materiële wijziging werd niet bedoeld, slechts een aanpassing aan de formele nieuwe werkelijkheid van Bonaire, Sint Eustatius, Saba als bijzondere gemeenten met een aparte status binnen Nederland. Het ligt ook daarom niet voor de hand om onder de woorden ‘of een wet’ in art. 224 lid 2 onder b Rv mede wetten van vreemde staten te begrijpen.28.
4.15
Ik meen dus dat de uitzondering van art. 224 lid 2 onder b Rv zich niet voordoet.
4.16
Terzijde vermeld ik nog dat mij niet beslissend lijkt dat [verweerder] voor het eerst bij dupliek naar de Monegaskische ipr-wet heeft verwezen, anders dan de Gemeente meent.29.Zoals hiervoor 4.6 gezegd, onderzoekt uw Raad ook ambtshalve of een of meer van de in art. 224 lid 2 Rv genoemde gronden aan toewijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling in de weg staat. In verband met art. 19 Rv (hoor en wederhoor) nog: de Gemeente heeft bij repliek zich over het beroep van [verweerder] op de bedoelde Monegaskische wet uitgelaten.
4.17
Volgens art. 224 lid 2 aanhef en onder c bestaat geen verplichting tot het stellen van zekerheid ‘indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding in Nederland mogelijk zal zijn’. De ratio van deze uitzondering is dat de oorspronkelijke gedaagde (eiser in het incident) dan niet voldoende belang heeft bij het verkrijgen van zekerheid om te rechtvaardigen dat de eiser slechts na het stellen van zekerheid mag voortprocederen.30.Het is aan degene van wie zekerheid wordt gevorderd om terzake gegevens te verschaffen.31.Het criterium ‘redelijkerwijs aannemelijk’ is gekozen, omdat het erom gaat of op een in de toekomst gelegen tijdstip, na afloop van de procedure, verhaal mogelijk zal zijn. Volledige zekerheid hierover kan volgens de wetgever per definitie niet worden geboden.32.Hiervoor 4.12 vermeldde ik reeds dat de beperking tot verhaalsmogelijkheden in Nederland is ingegeven door overwegingen van hanteerbaarheid.
4.18
De discussie tussen partijen in het incident spitst zich toe op de vraag of de omstandigheid dat [verweerder] de (onbelaste) eigendom heeft van het perceel grond (bestaande uit vijf kadastrale percelen) waarover de hoofdzaak gaat, betekent dat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal van een eventueel door uw Raad uit te spreken proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk zal zijn.
4.19
Absolute zekerheid omtrent de waarde van het perceel bestaat er niet. Ook kan, althans in theorie, niet worden uitgesloten dat [verweerder] het perceel zal vervreemden en bezwaren. Zekerheid is echter niet de maatstaf van de bepaling van art. 224 lid 2 onder b Rv. In plaats daarvan volstaat dat redelijkerwijs aannemelijk is dat voor een eventuele veroordeling van [verweerder] in de proceskosten in cassatie verhaal in Nederland mogelijk zal zijn. Ik meen dat er ten minste drie aanwijzingen zijn dat dit inderdaad het geval is. Aanwijzingen in tegengestelde zin zie ik niet.
4.20
In de eerste plaats blijkt uit de eigendomsinformatie van het perceel kadastraal bekend [gemeente] [sectie] [001] dat dit perceel in 2000 tegen een koopsom van € 22.689,00 is verkregen (samen met meer onroerend goed).33.Dit kadastrale perceel is 475 m2 groot. Het totale perceel (dus de vijf kadastrale percelen tezamen) is groot 2094 m2. € 22.698,00 (dus de koopprijs voor een kleine kwart van de totale oppervlakte) is reeds aanzienlijk meer dan het bedrag van de potentiële proceskostenveroordeling in cassatie. Zoals hiervoor 3.1 voorgerekend, is dat bedrag € 12.904,67.
4.21
In de tweede plaats heeft [verweerder] verwezen naar de schatting van de waarde van het perceel door het hof in het arrest van 13 juni 2023. Ik citeer het hof:
‘C. de marktwaarde van het perceel zonder woonbestemming en bebouwing
5.36
De rechtbankdeskundige heeft de waarde van het perceel zonder woonbestemming en in onbebouwde staat per 1 juli 1997 getaxeerd op € 1. De gemeente heeft in eerste aanleg aangevoerd dat voor een dergelijk stuk grond altijd wel belangstelling is, bijvoorbeeld als jachtplekje of plekje om van de natuur te genieten, en dat aan de taxateur van Van Ameyde door een boer een bod werd gedaan van enkele tienduizenden euro’s.34.Het hof acht in dat licht de taxatie van € 1 te laag en schat de waarde van het perceel per 1 juli 1997 op € 20.000.’35.
4.22
[verweerder] heeft deze schatting van het hof in het principaal cassatieberoep bestreden.36.Of die schatting in cassatie stand houdt, zal dus nog moeten worden beoordeeld. Maar ik ben geneigd om met het hof – en met de Gemeente, voor zover het haar standpunt in de hoofdzaak betreft – te denken dat 2094 m2 grond met nauwelijks waarde in Nederland onbestaanbaar is.
4.23
In de derde plaats heeft rechtbankdeskundige SAOZ de agrarische grondwaarde van het perceel in 2020 getaxeerd op € 6,30 per m² terrein.37.Dit zou neerkomen op een grondwaarde van € 13.192,20 in 2020.38.Aan te nemen is dat de waarde sinds 2020 nog wat is toegenomen. Hoe dan ook, ook € 13.192,20 is meer dan € 12.904,67.
4.24
Ik meen dus dat de bepaling van art. 224 lid 2 aanhef en onder c Rv toepassing vindt.
4.25
Volgens art. 224 lid 2 aanhef en onder d Rv bestaat geen verplichting tot het stellen van zekerheid indien daardoor voor degene van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd. Hierbij wordt veelal gedacht aan een partij die door haar financiële omstandigheden niet in staat is om (voldoende) zekerheid te stellen.39.
4.26
De Gemeente heeft aangevoerd dat een zekerheidstelling de effectieve toegang van [verweerder] tot de rechter niet belemmert, mede onder verwijzing naar het bedrag van € 491.475,45 dat de Gemeente naar eigen zeggen aan [verweerder] heeft betaald naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank en het hof in de hoofdzaak.40.[verweerder] heeft niets gesteld (en heeft dus ook niets tegenover het verweer van de Gemeente gesteld) waaruit volgt dat hij niet tot zekerheidstelling in staat zou zijn. De uitzondering van art. 224 lid 2 aanhef en onder d Rv is daarom niet van toepassing.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot afwijzing van de incidentele vordering van de Gemeente tot zekerheidstelling voor de proceskosten van het geding in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑01‑2024
Zie voor deze korte duiding van de feiten het arrest van het hof in de hoofdzaak, onder 3.1 e.v.
Voor deze volgorde (gedupliceerd, gerepliceerd), vergelijk hierna 3.4, 3.5 en 4.16.
In navolging van partijen spreek ik over ‘het perceel’ in enkelvoud. Het betreft vijf aan elkaar grenzende kadastrale percelen.
Zie HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, onder 3.2.1, NJ 2021/166.
De wetgever vond dat onvoldoende rechtvaardiging bestond voor het maken van onderscheid op grond van nationaliteit, gelet op de hierna in de hoofdtekst te noemen strekking van de bepaling. Daarom is gekozen voor het criterium ‘woonplaats of gewone verblijfplaats’. Zie: Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 392 en 393.
De vermelding van ‘schadevergoeding’ in art. 224 Rv is ongelukkig. Vergelijk G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 224 Rv (bijgewerkt t/m 26 juli 2022), aant. 5, die onder meer verwijst naar Van Rossem/Cleveringa, aant. 2 op art. 152 Rv oud: ‘de woorden “en der schaden en interessen” zijn zonder zin’.
Zie HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, onder 3.2.1, NJ 2021/166; HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1580, onder 3.2.1, NJ 2019/426, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 392 (zie ook p. 393). Vergelijk: Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/203; G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 224 Rv (bijgewerkt t/m 26 juli 2022), aant. 2.
HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, onder 3.2.2, NJ 2021/166.
HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, onder 3.2.3, NJ 2021/166, onder verwijzing naar HR 30 april 1925, ECLI:NL:HR:1925:98, NJ 1925, p. 665 en Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 391 e.v.
In gelijke zin A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2022:530, onder 4.22, vóór HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1740, NJ 2022/380.
Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, Trb. 1954, 40. Zie Trb. 2011, 236 voor de meest recent gepubliceerde lijst van de bij dit verdrag aangesloten landen.
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 394 (bovenaan): ‘al dan niet nadat daarvoor een exequatur-procedure is doorlopen’.
Loi n° 1.448 du 28 juin 2017 relative au droit international privé, Journal de Monaco 2017/8337, p. 1803 e.v. Digitaal te raadplegen op het adres: https://legimonaco.mc/code/code-droit-international-prive/
‘Article 13 Les jugements rendus par les tribunaux étrangers et passés en force de chose jugée sont reconnus de plein droit dans la Principauté s’il n’y a pas de motif de refus au sens de l’article 15.Toute partie intéressée peut agir devant les tribunaux de la Principauté en reconnaissance ou en non reconnaissance d’un jugement rendu par un tribunal étranger.’
Te beoordelen aan de hand van art. 17, welke bepaling luidt: ‘Article 17 Le tribunal étranger ayant rendu un jugement est considéré comme incompétent lorsque les tribunaux de la Principauté avaient une compétence exclusive pour connaître de la demande, ou si le litige ne présentait pas un lien suffisant avec l’État dont relève cette juridiction, notamment lorsque sa compétence n’était fondée que sur la présence temporaire du défendeur dans l’État dont relève cette juridiction ou de biens lui appartenant sans lien avec le litige, ou encore sur l’exercice par le défendeur dans ce même État d’une activité commerciale ou professionnelle, sans lien avec le litige.’Ces dispositions ne reçoivent pas application au cas où la compétence du tribunal étranger a été acceptée par la partie s’opposant à la reconnaissance ou à l’exécution du jugement rendu par ce tribunal.’
‘Article 15 Un jugement rendu par un tribunal étranger n’est ni reconnu ni déclaré exécutoire dans la Principauté si:1. il a été rendu par une juridiction incompétente au sens de l’article 17;2. les droits de la défense n’ont pas été respectés, notamment lorsque les parties n’ont pas été régulièrement citées et mises à même de se défendre;3. la reconnaissance ou l’exécution est manifestement contraire à l’ordre public monégasque;4. il est contraire à une décision rendue entre les mêmes parties dans la Principauté ou avec une décision antérieurement rendue dans un autre État et reconnue dans la Principauté;5. un litige est pendant devant un tribunal de la Principauté, saisi en premier lieu, entre les mêmes parties portant sur le même objet.’
HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, onder 3.6.4, NJ 2015/478 m.nt. Th.M. de Boer (Gazprombank). Vergelijk Strikwerda/Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019/290.
‘Article 14 Lorsqu’ils sont exécutoires dans l’État dans lequel ils sont intervenus, les jugements rendus par les tribunaux étrangers, passés en force de chose jugée, ainsi que les actes reçus par les officiers publics étrangers, ne sont susceptibles d’exécution dans la Principauté qu’après avoir été déclarés exécutoires par le tribunal de première instance, sauf stipulations contraires des traités.’
‘Article 20 Les demandes à fin d’exécution ou de reconnaissance des jugements et actes étrangers seront introduites et jugées dans les formes ordinaires.’
‘Article 16 Un jugement rendu par un tribunal étranger ne peut en aucun cas faire l’objet d’une révision au fond.’
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 394.
Stb. 2010, 350.
Stb. 2010, 350.
Kamerstukken II, 2008-09, 31959, nr. 3, p. 63.
In deze zin ook Rb. Rotterdam 6 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:233, NJF 2016/94, naar aanleiding van een beroep op een Panamese ipr-wet. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam wordt instemmend aangehaald door G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 224 Rv (bijgewerkt t/m 26 juli 2022), aant. 6 (voetnoot 2).
Repliek onder 22.
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 394.
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 394.
Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 394.
Bijlage 1 bij verweerschrift in het incident tot zekerheidstelling.
Voetnoot in origineel: akte van 20 januari 2021, nr. 4.e.
Hof Den Haag 13 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1815, onder 5.36.
Procesinleiding in cassatie [verweerder] , onder 30-33, p. 11.
Deskundigenrapport SOAZ van 5 februari 2021, p. 36 (productie 28).
Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen heeft de deskundige gerekend met peiljaren 2012 en 1997, zie: deskundigenrapport SOAZ van 5 februari 2021, p. 48 (productie 28).
Zie bijvoorbeeld Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (Herz. Rv) 2002, p. 392: ‘De strekking van de cautieregeling is niet om eisers met geringe middelen de toegang tot de rechter te bemoeilijken, maar om te voorkomen dat de gedaagde een eventuele proceskostenveroordeling niet zal kunnen executeren ten gevolge van het ontbreken van een executiemogelijkheid in het land van eiser.’ Zie ook: Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 5, p. 69.
Incidentele conclusie tot zekerheidstelling Gemeente van 17 november 2023, p. 2, onder 6d.