Het woord “ook” in deze verklaring slaat kennelijk terug op hetgeen [medeverdachte] direct daaraan voorafgaand opmerkte, te weten: “Het klopt dat ik in de woning van [betrokkene 2] een plastic tas van Albert Heijn met als inhoud Britse ponden en stempels heb achtergelaten. Die Litouwse man gaf me zijn (moeder)stempels. Hij vroeg mij of die mensen in Servië (die mijn casinostempels maakten) ook stempels voor Britse ponden konden maken. Toen is die tas bij [betrokkene 2] blijven liggen: ik ging daarna naar Brazilië.”
HR, 25-11-2025, nr. 23/02656
ECLI:NL:HR:2025:1775
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
23/02656
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1775, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:811
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:1515
ECLI:NL:PHR:2025:811, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1775
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑10‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0367
NJ 2026/105 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Voorhanden hebben van pistool en verschillende soorten munitie (art. 26.1 WWM). Redelijke termijn in eerste aanleg, HR geeft in aanvulling op HR:2008:BD2578 handvatten voor beoordeling van redelijke termijn in feitelijke aanleg in geval van gedeeltelijke voorlopige hechtenis. Is 16-maandentermijn of 2-jaarstermijn van toepassing, nu verdachte zich deel van behandeling in e.a. (ruim 13 maanden) in voorlopige hechtenis bevond, terwijl hij tussen datum inverzekeringstelling en uitspraak Rb ruim 42 maanden van in totaal 56 maanden in vrijheid heeft doorgebracht? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. beperkte toetsing in cassatie van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn en gevallen waarin sprake is van overschrijding van redelijke termijn. Als verdachte gedurende deel van procesfase (tussen (i) moment dat redelijke termijn aanvangt tot einduitspraak in e.a., dan wel (ii) moment dat rechtsmiddel wordt ingesteld tot einduitspraak in hoger beroep) van zijn vrijheid is benomen omdat hij zich i.v.m. zaak in voorlopige hechtenis bevindt, is het volgende van belang voor beantwoording van vraag van welke behandelduur (2 jaren of 16 maanden) de feitenrechter moet uitgaan. Als verdachte gedurende procesfase in totaal 16 maanden of langer heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, dan moet feitenrechter uitgaan van duur van 16 maanden waarbinnen, na aanvang van redelijke termijn resp. instellen van rechtsmiddel, behandeling van zaak ttz. in betreffende instantie (e.a. of h.b.) in de regel met einduitspraak moet zijn afgerond. Niet bepalend is of verdachte in voorlopige hechtenis verbleef op dag dat 16 maanden zijn verstreken na aanvang van redelijke termijn resp. instellen van rechtsmiddel. Als tijd die verdachte tijdens procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht minder dan 16 maanden bedraagt, dan neemt rechter als uitgangspunt dat behandeling van zaak ttz. in betreffende instantie (e.a. of h.b.) in de regel met einduitspraak moet zijn afgerond binnen 2 jaren na aanvang van redelijke termijn resp. instellen van rechtsmiddel. Rechter kan daarvan echter afwijken (en dan kiezen voor uitgangspunt van afronding binnen 16 maanden) als verhouding tussen tijd die verdachte in betreffende procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en tijd waarin dat niet het geval is geweest, daartoe aanleiding geeft. Hiervoor laat zich geen algemene regel geven. Oordeel van feitenrechter hierover kan HR daarom alleen op begrijpelijkheid toetsen. Hof heeft vastgesteld dat redelijke termijn in e.a. is overschreden en heeft daarbij geoordeeld dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat behandeling van zaak in e.a. moest zijn afgerond binnen 2 jaren nadat verdachte in verzekering was gesteld. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu uit stukken blijkt dat verdachte tussen zijn inverzekeringstelling en uitspraak Rb minder dan 16 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en ruim 42 maanden van 56 maanden die vanaf aanvang van redelijke termijn tot einduitspraak in e.a. zijn verstreken, in vrijheid heeft doorgebracht. Volgt verwerping. Samenhang met 23/02617 en 23/02686.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02656
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2023, nummer 23-002608-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de berechting in eerste aanleg binnen twee jaren had moeten plaatsvinden.
3.2.1
Uit de stukken blijkt het volgende.(i) De verdachte is op 5 november 2013 in verband met de zaak in verzekering gesteld.(ii) De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 18 december 2014 geschorst en met ingang van 23 oktober 2017 opgeheven.(iii) De rechtbank heeft op 6 juli 2018 einduitspraak gedaan.
3.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Strafmaat & persoonlijke omstandigheden
41. De redelijke termijn is aanzienlijk overschreden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
42. Redelijke termijn eerste aanleg: het startpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg betreft de dag van de aanhouding van [verdachte] , 5 november 2013. Uitgaand van de redelijke termijn van 24 maanden, had de strafzaak uiterlijk 5 november 2015 moeten worden afgerond. Het vonnis van de Rechtbank dateert van 6 juli 2018. In eerste aanleg is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn van 32 maanden.”
3.2.3
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Oplegging van straf(...)
Het hof komt in beginsel tot een gevangenisstraf van 27 maanden en ziet in hetgeen de raadsman en de verdachte in hoger beroep hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding een gedeelte van deze straf, 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft verder acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De termijn is aangevangen op 5 november 2013 met de inverzekeringstelling van de verdachte, de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 juli 2018 en het hof wijst heden, op 30 juni 2023, arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie.
In eerste aanleg heeft een overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden met 2 jaren en 8 maanden en in hoger beroep met bijna drie jaren. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de straf, in die zin dat in plaats van een voorwaardelijk deel van 6 maanden, een voorwaardelijk deel van 9 maanden zal worden opgelegd.”
3.3.1
Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Bij de berechting van de zaak is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) als de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. Als de verdachte zich in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt, moet die behandeling in de regel met een einduitspraak zijn afgerond binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.7 en 3.14-3.16.)
3.3.2
In het geval dat de verdachte gedurende een deel van een procesfase – dat wil zeggen: tussen (i) het moment dat de redelijke termijn aanvangt tot de einduitspraak in eerste aanleg, dan wel (ii) het moment dat het rechtsmiddel wordt ingesteld tot de einduitspraak in hoger beroep – van zijn vrijheid is benomen omdat hij zich in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt, is het volgende van belang voor de beantwoording van de vraag van welke onder 3.3.1 genoemde behandelduur de feitenrechter moet uitgaan.Als de verdachte gedurende een procesfase in totaal zestien maanden of langer heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis, dan moet de feitenrechter uitgaan van een duur van zestien maanden waarbinnen, na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel, de behandeling van de zaak op de terechtzitting in de betreffende instantie (eerste aanleg of hoger beroep) in de regel met een einduitspraak moet zijn afgerond. Niet (daarnaast) bepalend is of de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef op de dag dat zestien maanden zijn verstreken na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel.Als de tijd die de verdachte tijdens een procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht minder dan zestien maanden bedraagt, dan neemt de rechter als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting in de betreffende instantie (eerste aanleg of hoger beroep) in de regel met een einduitspraak moet zijn afgerond binnen twee jaren na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel. De rechter kan daarvan echter afwijken – en dan kiezen voor het uitgangspunt van afronding binnen zestien maanden – als de verhouding tussen de tijd die de verdachte in de betreffende procesfase in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en de tijd waarin dat niet het geval is geweest, daartoe aanleiding geeft. Hiervoor laat zich geen algemene regel geven. Het oordeel van de feitenrechter hierover kan de Hoge Raad daarom alleen op begrijpelijkheid toetsen.
3.4
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden en heeft daarbij geoordeeld dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg moest zijn afgerond binnen twee jaren nadat de verdachte in verzekering was gesteld. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu uit wat onder 3.2.1 is weergegeven blijkt dat de verdachte tussen zijn inverzekeringstelling en de uitspraak van de rechtbank minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en ruim 42 maanden van de 56 maanden die vanaf de aanvang van de redelijke termijn tot de einduitspraak in eerste aanleg zijn verstreken, in vrijheid heeft doorgebracht.
3.5
Het cassatiemiddel faalt.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 26 maanden en 2 weken, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer, C. Caminada, T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek “Monte Leone”. Grootschalige handel in valse Britse 1 pondmuntstukken. Middel 1 klaagt over de verwerping van een gevoerd alt. scenario m.b.t. het voorhanden hebben van een pistool en verschillende soorten munitie. Middel 2 klaagt dat het hof bij de beoordeling van de redelijke termijn schending in eerste aanleg is uitgegaan van een termijn van twee jaren in een geval waarin de verdachte dertien maanden (van de in totaal zesenvijftig maanden) in voorlopige hechtenis heeft verkeerd en niet in voorlopige hechtenis zat op het moment van ommekomst van zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn. Beide middelen falen. AG gaat bij tweede middel nader in op de vraag wanneer de zestienmaandentermijn zou kunnen gelden. Vernietiging strafoplegging i.v.m. redelijke termijnschending in de cassatiefase. Samenhang met 23/02617 en 23/02686.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02656
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 juni 2023 (parketnr. 23-002608-18) door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplegen van muntspeciën namaken, met het oogmerk om die muntspeciën als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven en medeplegen van muntspeciën die hij zelf heeft nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben, vervoeren en uitvoeren” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Ook heeft het hof de teruggave gelast van een groot aantal in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest is vermeld.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02686 en 23/02617. In deze zaken concludeer ik ook vandaag.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
2.1
Deze strafzaak is onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek “Monte Leone”, dat betrekking heeft op grootschalige handel in valse Britse 1 pondmuntstukken. De verdachte is door het hof onder meer veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een pistool en verschillende soorten munitie. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het door de verdachte voor dit feit aangedragen alternatieve scenario. Het tweede middel klaagt dat het hof bij zijn oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de berechting van de onderhavige zaak in eerste aanleg binnen twee jaren had moeten plaatsvinden en niet binnen een kortere periode.
2.2
De conclusie strekt tot verwerping van de middelen.
3. Het eerste middel
3.1
Het middel klaagt dat de verwerping door het hof van een door de verdachte met betrekking tot feit 2 aangedragen alternatief scenario ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 5 november 2013 te [plaats] , een vuurwapens van categorie III, te weten een pistool (Merk CZ, Model 75 BS, Kaliber 9mm para (9 mm Luger/ 9x19mm), en
munitie van categorie III, te weten 15 patronen (Kaliber 9x19 mm, Model volmantel rondneus, Bodemstempel S&B 9mm Luger) en
munitie van categorie III, te weten 40 gas/knal patronen (Kaliber 9x19 mm, Model volmantel flatnose, Bodemstempel S&B 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad.”
3.3
Het bestreden arrest houdt over het onder 2 bewezenverklaarde feit onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De tas is door twee mannen, onder wie [medeverdachte] , bij de
verdachte neergezet. De verdachte heeft niet in de tas gekeken en wist derhalve niet wat er in zat.
2.2
Redengevende feiten en omstandigheden
Bij de doorzoeking op 5 november 2013 in de woning van [verdachte] op het adres [a-straat 1] te [plaats] , werden een wapen en munitie in beslag genomen. Het wapen is een pistool, merk CZ, model 75 BS, kaliber 9mm para (9mm Luger/ 9 x 19mm). Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie.
In het patroonmagazijn zaten 15 patronen, kaliber 9x19 mm, volmantel rondneus met bodemstempel S&B 9mm luger. In een doosje zaten 40 gas/knal patronen, kaliber 9x19mm, volmantel flatnose, met bodemstempel S&B 9mm Luger. De patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4°, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
2.3
Nadere overwegingen hof
De verdachte heeft verklaard dat de betreffende tas, waarin zich het vuurwapen en de munitie bevonden, door twee mannen, onder wie [medeverdachte] , enkele maanden voor de doorzoeking op 5 november 2013, in de gangkast is neergezet, dat hij de tas niet heeft verplaatst en er niet in heeft gekeken en dat hij niet weet hoe lang de tas al in de gangkast stond. Dit door de verdachte geschetste scenario vindt echter geen steun in het dossier en het verhandelde ter zitting. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel een koffieblik van een Litouwer bij de verdachte heeft neergezet. Nu de tas met het wapen in de woning van de verdachte is aangetroffen en de verdachte voor de aanwezigheid daarvan geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, kan het niet anders dan dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad en daarover heeft kunnen beschikken, zodat wettig en overtuigend is bewezen dat hij het wapen voorhanden heeft gehad zoals bedoeld in art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.”
3.4
Geklaagd wordt dat in het licht van de door de getuige [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, de overweging van het hof dat het “door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter zitting” onjuist althans onbegrijpelijk is, zodat de verwerping van het verweer – en daarmee de bewezenverklaring – onvoldoende met redenen is omkleed.
3.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3, 4 en 6 april 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De oudste raadsheer bespreekt met [verdachte] het tweede feit op de tenlastelegging, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in zijn woning aan de [a-straat ] . De oudste raadsheer houdt voor dat de verdachte twee verklaringen heeft afgelegd over het wapen: een verklaring betreffende een overval en een verklaring dat het wapen door twee mannen onder wie [medeverdachte] bij hem thuis zou zijn neergelegd.
[verdachte] verklaart:
[…]
Het vuurwapen dat in mijn woning aan de [a-straat ] is gevonden, was niet van mij. [medeverdachte] (en een ander) heeft in mijn woning een tas neergezet en heeft die niet opgehaald. Ik wist van die tas, maar niet van de inhoud ervan. Hij stond in een kast in de vestibule. Ik weet niet hoelang die tas daar heeft gestaan. Ik heb er niet ingekeken. Het gebeurde vaker dat mensen bij mij spullen achterlieten als ze de stad ingingen.”
3.6
De ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2023 afgelegde verklaring van getuige [medeverdachte] , waar de stellers van het middel onder 3.4 op doelen, luidt blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting als volgt:
“De voorzitter gaat over tot het horen van de getuige en stelt vast dat als getuige ter terechtzitting is verschenen [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , woonachtig te [plaats] . De getuige verklaart geen bloed- of aanverwant van de medeverdachten te zijn en legt vervolgens de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen verklaren.
De getuige antwoordt op vragen van mr. Boersma:
[…]
Ik heb ook op een moment een koffieblik met muntjes achtergelaten in de woning van [verdachte] . Ik was op stap met [betrokkene 1] , die Litouwse man. Dat blik was van hem. Wij waren met de auto. Hij vroeg mij of ik dat blik uit de auto wilde halen en bij [verdachte] wilde neerzetten. Het zat in een tasje. Ik dacht dat er geld inzat. Ik heb dat tasje bij [verdachte] in de meterkast gezet, zonder dat hij dat wist. We waren druk; toen is dat tasje daar blijven staan.”1.
3.7
Het hof heeft geoordeeld dat het door de verdachte geschetste scenario – namelijk dat de tas waarin zich het vuurwapen en de munitie bevonden door twee mannen, onder wie [medeverdachte] , enkele maanden voor de doorzoeking op 5 november 2013 in de gangkast is neergezet en hij deze tas niet heeft verplaatst, niet in de tas heeft gekeken en niet weet hoe lang de tas al in de gangkast stond – geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter zitting. Het hof stelt vast dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel een koffieblik van een Litouwer bij de verdachte heeft neergezet. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de tas met het wapen in zijn woning.
3.8
De verwerping van het door de verdachte geschetste scenario steunt op twee gronden, te weten de grond dat dit scenario geen steun vindt in het dossier en de grond dat het scenario geen steun vindt in het verhandelde ter zitting. In cassatie wordt alleen laatstgenoemde grond betwist.
3.9
Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het oordeel van het hof dat het scenario van de verdachte geen steun vindt in het verhandelde ter zitting niet onbegrijpelijk is. Getuige [medeverdachte] heeft – zoals blijkt uit de onder 3.6 weergegeven passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – op de terechtzitting immers verklaard dat in het tasje dat hij zonder medeweten van de verdachte in de meterkast heeft neergezet een koffieblik met muntjes zat. Niets meer en niets minder: over wapens en/of munitie in die tas heeft hij niet gesproken en zijn verklaring impliceert zelfs niet dat zich in de tas ook nog iets anders dan een koffieblik met muntjes bevond.2.Daarbij merk ik op dat de verklaring van [medeverdachte] dat in het koffieblik muntjes zaten steun vindt in het dossier. Bij de gedingstukken bevindt zich namelijk een lijst met de in de woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] op 5 november 2013 in beslag genomen voorwerpen (AH-023A), waarop onder meer als in beslag genomen goed een Illy espressobus inhoudende “munten” staat vermeld, welke bus in het voorportaal van de woning is gevonden. Uit het proces-verbaal van ambtshandeling (AH-058) blijkt dat deze bus gevuld was met goudkleurige munten, afval van het materiaal waarvan de muntjes gemaakt zijn en stukjes munt. In totaal ging het om 325 munten.
3.10
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
4.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat in eerste aanleg een overschrijding van de redelijke termijn met twee jaren en acht maanden heeft plaatsgevonden.
4.2
Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Oplegging van straf
[…]
Het hof heeft verder acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De termijn is aangevangen op 5 november 2013 met de inverzekeringstelling van de verdachte, de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 juli 2018 en het hof wijst heden, op 30 juni 2023, arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie.
In eerste aanleg heeft een overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden met 2 jaren en 8 maanden en in hoger beroep met bijna drie jaren. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de straf, in die zin dat in plaats van een voorwaardelijk deel van 6 maanden, een voorwaardelijk deel van 9 maanden zal worden opgelegd.”
4.3
Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Bij de berechting in eerste aanleg is in de regel sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM indien de behandeling van de zaak niet binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen is afgerond met een einduitspraak. Hierop dient evenwel onder meer uitzondering te worden gemaakt voor het geval waarin “de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert”. In een dergelijk geval behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.3.Daarbij geldt dat een verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeert indien de voorlopige hechtenis is geschorst.4.
4.4
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.
- Op 5 november 2013 is de verdachte aangehouden.
- De verdachte bevond zich in verband met deze zaak tot 18 december 2014 in voorlopige hechtenis.
- De voorlopige hechtenis is van 18 december 2014 tot 23 oktober 2017 geschorst geweest.
- De voorlopige hechtenis is op 23 oktober 2017 beëindigd.
- De rechtbank heeft op 6 juli 2018 uitspraak gedaan.
4.5
Met de rechtbank en het hof ga ik ervan uit dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 5 november 2013. Dit betekent dat deze verstreek op:
- 5 maart 2015 ingeval een termijn van zestien maanden van toepassing is;
- 5 november 2015 ingeval een termijn van twee jaar van toepassing is.
In beide scenario’s verkeerde de verdachte fysiek niet meer in voorlopige hechtenis tijdens het verstrijken van de termijn. Eveneens in beide scenario’s was de voorlopige hechtenis op het moment van het verstrijken van de redelijke termijn echter niet formeel beëindigd, maar was deze geschorst.
4.6
Het hof heeft geoordeeld dat in eerste aanleg een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden met 2 jaren en 8 maanden.5.Het hof heeft hierbij aangenomen dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg moest zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn was aangevangen en dus kennelijk verondersteld dat de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond.6.De vraag is of die veronderstelling begrijpelijk is.
4.7
In de zaak HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1309 deed zich het geval voor dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden tot uitgangspunt had genomen dat de verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevond, zodat de behandeling van de zaak in hoger beroep moest zijn afgerond binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel was ingesteld. Uit de gedingstukken bleek dat de verdachte zich ten tijde van het instellen van het hoger beroep op 29 maart 2017 in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevond, dat de verdachte zich tot 22 april 2019 in deze voorlopige hechtenis had bevonden en dat het hof op 2 oktober 2020 uitspraak had gedaan. Het oordeel van het hof dat in dit geval de tweejaarstermijn gold was volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk, nu de verdachte zich tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof gedurende meer dan twee jaren in voorlopige hechtenis bevond. In deze zaak bevond de verdachte zich dus zowel bij het verstrijken van zestien maanden als bij het verstrijken van twee jaar in voorlopige hechtenis.
4.8
In de conclusie voorafgaand aan dit arrest wijst A-G Hofstee op het ontbreken van een ijkpunt ter beantwoording van de vraag welke termijn – de tweejaarstermijn dan wel de zestienmaandentermijn – dient te worden gehanteerd indien de verdachte in verband met de zaak gedeeltelijk in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, maar op enig moment voor de einduitspraak, bijvoorbeeld hangende het onderzoek ter terechtzitting, door opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis op vrije voeten wordt gesteld.7.Volgens Hofstee is het redelijk om in een geval waarin de voorlopige hechtenis reeds op het moment van het instellen van het hoger beroep is ingegaan en ten minste de daarop volgende zestien maanden voortduurt, de bedoelde zestienmaandentermijn als maatstaf te nemen.8.
4.9
In het onder 4.7 genoemde arrest lijkt de Hoge Raad een benadering te hanteren waarbij de daadwerkelijke duur van de vrijheidsbeneming uit hoofde van voorlopige hechtenis in verband met de strafzaak beslissend is.9.Op zodanige benadering duidt eveneens HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:893.10.In die zaak had het hof bij zijn oordeel dat de redelijke termijn was overschreden tot uitgangspunt genomen dat de verdachte niet in voorlopige hechtenis verkeerde, zodat de behandeling van de zaak in hoger beroep moest zijn afgerond binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel was ingesteld. Uit de gedingstukken bleek dat de verdachte zich ten tijde van het instellen van het hoger beroep op 18 september 2017 niet in voorlopige hechtenis bevond, dat de verdachte op 29 maart 2018 voor deze zaak was aangehouden, dat de voorlopige hechtenis van 3 september 2018 tot 3 oktober 2018 was geschorst, dat de verdachte zich op 3 oktober 2018 en op de daaropvolgende zittingen niet had gemeld en dat het hof op 5 december 2019 einduitspraak had gedaan. Volgens de Hoge Raad was het door het hof gehanteerde uitgangspunt van twee jaren nadat het rechtsmiddel was ingesteld niet onbegrijpelijk, nu uit voornoemde omstandigheden bleek dat de verdachte tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof ongeveer 21 maanden van de ruim 26 maanden in vrijheid had doorgebracht. Overigens verkeerde de verdachte in deze zaak zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn niet in voorlopige hechtenis.
4.10
Uit de onder 4.7 en 4.9 genoemde rechtspraak valt af te leiden dat bij een voorlopige hechtenis die minimaal zestien maanden heeft geduurd, niet kan worden gezegd dat de tweejaarstermijn geldt op de grond dat de verdachte twee jaar na aanvang van de termijn niet in voorlopige hechtenis verkeert. In dat geval zal de verdachte overigens doorgaans wel in voorlopige hechtenis hebben verkeerd bij ommekomst van zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn. Ondertussen merk ik op dat de rechtspraak van de Hoge Raad de vraag oproept of de termijn van zestien maanden ook van toepassing is wanneer de verdachte bij ommekomst van die zestien maanden in voorlopige hechtenis verkeert maar hij sinds de aanvang van de termijn minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft gezeten doordat de voorlopige hechtenis tussentijds geschorst is geweest. Vanuit het oogpunt van eenvoud en hanteerbaarheid zou het mijns inziens aantrekkelijk zijn om uit te gaan van een redelijke termijn van zestien maanden in alle gevallen waarin de verdachte bij het verstrijken van zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn in voorlopige hechtenis verkeert. Wanneer de verdachte op dat moment als gevolg van een tussentijdse schorsing van de voorlopige hechtenis minder dan zestien maanden sinds de termijnaanvang in voorlopige hechtenis heeft verkeerd of wanneer de voorlopige hechtenis relatief kort daarna wordt geschorst of beëindigd, kan daarmee in matigende zin rekening worden gehouden bij het bepalen van het rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast zou dan – naar ik meen in lijn met de onder 4.9 genoemde rechtspraak – steeds moeten worden uitgegaan van een redelijke termijn van zestien maanden wanneer de verdachte op het moment van de einduitspraak ondanks tussentijdse schorsing(en) van de voorlopige hechtenis alles bij elkaar ten minste zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd.
4.11
Uit het onder 4.4 weergegeven procesverloop volgt dat de verdachte in de onderhavige zaak van 5 november 2013 tot 18 december 2014 in voorlopige hechtenis verkeerde. Dat is een periode van 408 dagen, hetgeen neerkomt op iets meer dan dertien maanden. De verdachte heeft dus in eerste aanleg alles bij elkaar niet ten minste zestien maanden in voorlopige hechtenis verkeerd en zat ook niet in voorlopige hechtenis op het moment van ommekomst van zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn. Dit betekent mijns inziens dat de rechtbank en het hof terecht zijn uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar. Tot diezelfde conclusie kom ik wanneer ook nog wordt gekeken naar de verhouding tussen het in voorlopige hechtenis ondergane deel en het deel dat de verdachte in vrijheid heeft doorgebracht, zoals de Hoge Raad lijkt te doen in zijn onder 4.9 genoemde arrest van 15 juni 2021. In de onderhavige zaak is tussen het moment waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen en de uitspraak van de rechtbank een periode van zesenvijftig maanden verstreken.11.De verdachte heeft in die periode zoals opgemerkt iets meer dan dertien maanden in voorlopige hechtenis verbleven. Dat betekent dat hij drieënveertig maanden in vrijheid heeft doorgebracht, hetgeen neerkomt op meer dan driekwart van de totale periode. Ook tegen deze achtergrond meen ik dat het hof in het onderhavige geval op juiste gronden van de tweejaarstermijn is uitgegaan.12.
4.12
Het middel faalt.
5. Afronding
5.1
De middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 10 juli 2023 uitspraak zal doen, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM zal worden overschreden. Dat moet leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
Overigens heeft [medeverdachte] de verklaring die hij als getuige heeft afgelegd op dezelfde zitting als verdachte bevestigd blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 april 2023, p. 6: “Ik blijf bij de verklaring die ik vandaag als getuige heb afgelegd.”
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, r.o. 3.7 en 3.14-3.15.
HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3731, NJ 2005/109, r.o. 4.3 en 4.4.
Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld (HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197, NJ 2021/70).
Tussen 5 november 2015 en 6 juli 2018 zit een periode van 2 jaren en 8 maanden (32 maanden).
A-G Hofstee, conclusie voor 27 september 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:1309, randnr. 10. Eerder ook: A-G Hofstee, conclusie van 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, randnr. 19-21.
Onder verwijzing naar de conclusies van A-G Aben (voor HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934, randnr. 12 en voor HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:47, randnr. 28) en A-G Bleichrodt (voor HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:893, randnr. 68).
Vgl. ook HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934.
Zie ook A-G Bleichrodt in zijn conclusie voor dit arrest (conclusie van 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:336, randnr. 69).
Dat is het moment van de inverzekeringstelling op 5 november 2013 (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.12.1).
Vgl. het onder 4.7 genoemde arrest waarin de verdachte bijna 60% van de tijd in voorlopige hechtenis had doorgebracht.
Beroepschrift 10‑10‑2023
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam d.d. 30 juni 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden waarvan 9 (negen) maanden voorwaardelijk.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
In eerste aanleg is onder meer bewezen verklaard dat verdachte op 5 november 2013 te [b-plaats], een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, Model 75 BS, kaliber 9mm para (9mm luger / 9× 19mm)), en munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid van 15 patronen (kaliber 9×9mm, model volmantel rondneus, bodemstempel S&B 9mmluger) en munitie van categorie III te weten een hoeveelheid 40 gas/knal patronen (kaliber 9×19mm, model volmantel flatnose, bodemstempel S&B 9mm luger), voorhanden heeft gehad.
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep is door verdachte aangevoerd dat hij ten onrechte is veroordeeld en dat hij daartoe de medeverdachte [medeverdachte] als getuige wil laten horen te horen. Ter terechtzitting is vervolgens de medeverdachte [medeverdachte] als getuige gehoord. Ter terechtzitting in hoger beroep is door verdachte en de verdediging vervolgens aangevoerd dat de wapens en munitie in een tas zaten die door twee mannen, onder wie [medeverdachte], bij de verdachte is neergezet; verdachte niet in de tas heeft gekeken en derhalve niet wist wat er in zat zodat verdachte moet worden vrijgesproken.
In het arrest heeft het hof het tenlastegelegde bewezen verklaard. In het arrest heeft het hof het verweer verworpen. Daartoe heeft het hof overwogen/geoordeeld dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter zitting; [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel een koffieblik van een Litouwer bij de verdachte heeft neergezet; nu de tas met het wapen in de woning van de verdachte is aangetroffen en de verdachte voor de aanwezigheid daarvan geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad en daarover heeft kunnen beschikken, zodat wettig en overtuigend is bewezen dat hij het wapen voorhanden heeft gehad zoals bedoeld in art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
In het licht van de door de getuige [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat hij destijds een tas in de meterkast van de woning van verdachte heeft achtergelaten zonder dat verdachte dat wist met als inhoud een koffieblik met muntjes en de getuige daarbij heeft gedacht dat er in de tas geld zat is het oordeel/de overweging van het hof, dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter zitting nu [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel een koffieblik van een Litouwer bij de verdachte heeft neergezet onjuist althans onbegrijpelijk zodat de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
1.1
In het vonnis in eerste aanleg is onder meer bewezen verklaard, dat verdachte:
‘ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 5 november 2013 te [b-plaats],
een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, Model 75 BS, kaliber 9mm para (9mm luger / 9× 19mm)),
en munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid van 15 patronen (kaliber 9×9mm, model volmantel rondneus, bodemstempel S&B 9mmluger)
en munitie van categorie III te weten een hoeveelheid 40 gas/knal patronen (kaliber 9×19mm, model volmantel flatnose, bodemstempel S&B 9mm luger), voorhanden heeft gehad;’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 ,4 en 6 april 2023 is onder meer gerelateerd:
‘Gevraagd naar de reden van het hoger beroep verklaart [verdachte]:
Ik ben ten onrechte veroordeeld. Ik heb de mij opgelegde straf uitgezeten. Ik wil dat [medeverdachte] hier komt verklaren hoe het zit zodat het voor iedereen duidelijk is. Dat is de enige reden om in hoger beroep te gaan.
(…)
[verdachte] verklaart:
(…)
Het vuurwapen dat in mijn woning aan de [a-straat] is gevonden, was niet van mij. [medeverdachte] (en een ander) heeft in mijn woning een tas neergezet en heeft die niet opgehaald. Ik wist van die tas, maar niet van de inhoud ervan. Hij stond in een kast in de vestibule. Ik weet niet hoelang die tas daar heeft gestaan. Ik heb er niet ingekeken. Het gebeurde vaker dat mensen bij mij spullen achterlieten als ze de stad ingingen.’
1.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2023 is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter gaat over tot het horen van de getuige en stelt vast dat als getuige ter terechtzitting is verschenen [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats], woonachtig te [a-plaats]. De getuige verklaart geen bloed- of aanverwant van de medeverdachten te zijn en legt vervolgens de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen verklaren.
De getuige antwoordt op vragen van mr. Boersma:
(…)
Het klopt dat ik in de woning van [betrokkene 2] een plastic tas van Albert Heijn met als inhoud Britse ponden en stempels heb achtergelaten. Die Litouwse man gaf me zijn (moeder)stempels. Hij vroeg mij of die mensen in Servië (die mijn casinostempels maakten) ook stempels voor Britse ponden konden maken. Toen is die tas bij [betrokkene 2] blijven liggen: ik ging daarna naar Brazilië.
ik heb ook op een moment een koffieblik met muntjes achtergelaten in de woning van [verdachte]. Ik was op stap met [betrokkene 1], die Litouwse man. Dat blik was van hem. Wij waren met de auto. Hij vroeg mij of ik dat blik uit de auto wilde halen en bij [verdachte] wilde neerzetten. Het zat in een tasje. Ik dacht dat er geld inzat. Ik heb dat tasje bij [verdachte] in de meterkast gezet, zonder dat hij dat wist. We waren druk; toen is dat tasje daar blijven staan.
(…)’
1.4
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2023 is onder meer gerelateerd dat Mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam voert het woord ter verdediging tot de verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnota. In de pleitnota is onder meer aangevoerd:
‘Juridisch kader feit 2
40.
[verdachte] heeft een verklaring afgelegd die erop neer komt dat de tas niet van hem was noch dat hij wetenschap had van de inhoud daarvan. Gelet op zijn verklaring wil ik u verzoeken hem vrij te spreken voor dit feit.’
1.5
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘2.
hij op 5 november 2013 te [b-plaats], een vuurwapens van categorie III, te weten een pistool (Merk CZ, Model 75 BS, Kaliber 9mm para (9 mm Luger/ 9× 19mm), en
munitie van categorie III, te weten 15 patronen (Kaliber 9×19 mm, Model volmantel rondneus, Bodemstempel S&B 9mm Luger) en
munitie van categorie III, te weten 40 gas/knal patronen (Kaliber 9×19 mm, Model volmantel flatnose, Bodemstempel S&B 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad.’
1.6
In het arrest heeft het hof daartoe overwogen/geoordeeld:
‘De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De tas is door twee mannen, onder wie [medeverdachte], bij de verdachte neergezet. De verdachte heeft niet in de tas gekeken en wist derhalve niet wat er in zat.
2.2. Redengevende feiten en omstandigheden
Bij de doorzoeking op 5 november 2013 in de woning van [verdachte] op het adres [a-straat] te [b-plaats], werden een wapen en munitie in beslag genomen. Het wapen is een pistool, merk CZ, model 75 BS, kaliber 9mm para (9mm Luger/ 9 × 19mm). Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3o, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1o van de Wet wapens en munitie.
In het patroonmagazijn zaten 15 patronen, kaliber 9×19 mm, volmantel rondneus met bodemstempel S&B 9mm luger. In een doosje zaten 40 gas/knal patronen, kaliber 9×19mm, volmantel flatnose, met bodemstempel S&B 9mm Luger. De patronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4o, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.70
2.3. Nadere overwegingen hof
De verdachte heeft verklaard dat de betreffende tas, waarin zich het vuurwapen en de munitie bevonden, door twee mannen, onder wie [medeverdachte], enkele maanden voor de doorzoeking op 5 november 2013, in de gangkast is neergezet, dat hij de tas niet heeft verplaatst en er niet in heeft gekeken en dat hij niet weet hoe lang de tas al in de gangkast stond. Dit door de verdachte geschetste scenario vindt echter geen steun in het dossier en het verhandelde ter zitting. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel een koffieblik van een Litouwer bij de verdachte heeft neergezet. Nu de tas met het wapen in de woning van de verdachte is aangetroffen en de verdachte voor de aanwezigheid daarvan geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, kan het niet anders dan dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad en daarover heeft kunnen beschikken, zodat wettig en overtuigend is bewezen dat hij het wapen voorhanden heeft gehad zoals bedoeld in art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.’
1.7
In het licht van de door de getuige [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende dat hij destijds een tas in de meterkast van de woning van verdachte heeft achtergelaten zonder dat verdachte dat wist met als inhoud een koffieblik met muntjes en daarbij heeft gedacht dat er in de tas geld zat is het oordeel/de overweging van het hof, dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en het verhandelde ter zitting nu [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel een koffieblik van een Litouwer bij de verdachte heeft neergezet onjuist althans onbegrijpelijk zodat de verwerping van het verweer/bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Middel II
In eerste aanleg is verdachte in het vonnis van 6 juli 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 589 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat verdachte 409 dagen in voorarrest heeft doorgebracht; deze detentie diep heeft ingegrepen in zijn eigen leven, als ook in dat van zijn vrouw en zijn zoon en dat de rechtbank mede in aanmerking genomen de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, het niet passend vindt dat verdachte opnieuw de gevangenis in gaat.
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2023 heeft de verdediging aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.
In het arrest van 30 juni 2023 heeft het hof verdachte veroordeeld tot een aanzienlijk zwaardere straf dan in eerste aanleg is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden waarvan 9 (negen) maanden voorwaardelijk. In het arrest heeft het hof overwogen en geoordeeld dat het hof in beginsel komt tot een gevangenisstraf van 27 maanden en in hetgeen de raadsman en de verdachte in hoger beroep hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding ziet een gedeelte van deze straf, 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Ook heeft het hof overwogen acht te hebben geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie. Het hof heeft vervolgens (onder meer) overwogen dat de termijn is aangevangen op 5 november 2013 met de inverzekeringstelling van de verdachte; de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 6 juli 2018 en het hof op 30 juni 2023, arrest wijst. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat in eerste aanleg een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden met 2 jaren en 8 maanden en in hoger beroep met bijna drie jaren en dat deze overschrijding zal worden verdisconteerd in de straf, in die zin dat in plaats van een voorwaardelijk deel van 6 maanden, een voorwaardelijk deel van 9 maanden zal worden opgelegd.
Nu verdachte ten tijde van de berechting in eerste aanleg in verband met de betreffende zaak 409 dagen (bijna 14 maanden) in voorlopige hechtenis verkeerde heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de op de redelijkheid te beoordelen termijn in eerste aanleg (ook) 2 jaar heeft bedragen. Gelet hierop is het arrest en/of strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.
Toelichting
2.1
Aan verdachte is tenlastegelegd, dat:
‘1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [b-plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk een of meer .hoeveelhe(i)d(en) van ongeveer 690.969 en/of 450.000 en/of 7.450 Britse 1 pond muntstukken heeft nagemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om die Britse 1 pond muntstukken als echt en onvervalst uit te geven en/ofte doen uitgeven;
en/of
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 05 november 2013 te [b-plaats] en/of [c-plaats], in elk geval in Nederland, en/ofte [d-plaats] en/of [e-plaats], in elk geval in Groot Brittanië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk als echt en onvervalst heeft uitgegeven een of meer hoeveelhe(i)d(en) van (ongeveer) 690.969 en/of 450.000 en/of 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en/of zijn mededaders zelf had(den) nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of de vervalsing hem, toen hij, verdachte en/of zijn mededader(s) deze ontving(en), bekend was
of deze Britse 1 Pond muntstukken met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven ofte doen uitgeven, heeft ontvangen en/of heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft vervoerd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd;
2.
hij op of omstreeks 05 november 2013 te [b-plaats], in elk geval in Nederland, een of meer vuurwapens van categorie III, te weten een pistool (Merk CZ, Model 75 BS, Kaliber 9mm para (9 mm luger / 9× 19mm), en/of munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid van (ongeveer) 15 patronen (Kaliber 9×19 mm, Model volmantel rondneus, Bodemstempel S&B 9mm luger) en/of munitie van categorie III te weten een hoeveelheid (van ongeveer) 40 gas/knal patronen (Kaliber 9×19 mm, Modelvolmantel flatnose, Bodemstempel S&B 9 mm luger), voorhanden heeft gehad’
2.2
in de processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 februari 2014, 24 april 2014, 10 juli 2014, 7 oktober 2014 en 17 december 2014 is telkens gerelateerd dat verdachte gedetineerd was in het Huis van Bewaring ‘Zwaag’ te Zwaag.
2.3
In het vonnis d.d. 6 juli 2018 heeft de rechtbank Amsterdam bewezen verklaard, dat:
‘ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [b-plaats], tezamen en in vereniging met een mededader, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken heeft nagemaakt, met het oogmerk om die Britse 1 pond muntstukken als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven
en
in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [b-plaats] en [c-plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en één van zijn mededaders hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en/of heeft vervoerd en/of heeft uitgevoerd;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 5 november 2013 te [b-plaats],
een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, Model 75 BS, kaliber 9mm para (9mm luger / 9× 19mm)),
en munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid van 15 patronen (kaliber 9×9mm, model volmantel rondneus, bodemstempel S&B 9mmluger)
en munitie van categorie III te weten een hoeveelheid 40 gas/knal patronen (kaliber 9×19mm, model volmantel flatnose, bodemstempel S&B 9mm luger),
voorhanden heeft gehad;’
2.4
Verdachte is te dier zake door de rechtbank veroordeeld tot 589 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren. In het vonnis heeft de rechtbank daartoe onder meer overwogen:
‘De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het namaken van Britse 1 -pondmuntstukken en aan het samen met anderen aanwezig hebben, vervoeren en uitvoeren van deze nagemaakte munten.
Met gebruikmaking van zijn specifieke technische kennis en ervaring heeft verdachte in een loods in het westelijk havengebied in [b-plaats] een uiterst professionele muntstraat opgezet, waarmee door verdachte en zijn mededader grote hoeveelheden Britse 1-pondmuntstukken zijn geslagen. Het benodigde metaal bestelde hij bij een bedrijf in Turkije. De munten werden vervolgens vanuit de loods overgebracht naar een loods in [c-plaats] en van daaruit geleverd aan personen die de verdere distributie en uitvoer van de munten naar het Verenigd Koninkrijk voor hun rekening namen.
Door het namaken van grote hoeveelheden Britse 1-pondmuntstukken en door deze munten in het verkeer te brengen, heeft verdachte het vertrouwen in chartaal geld aangetast. De ontvanger van de munten wordt bovendien in zijn vermogen getroffen, op het moment dat blijkt dat de munten niet echt zijn. De uitgifte van chartaal geld is bij uitstek voorbehouden aan de overheid, die daarbij in de regel ook een monetair beleid zal voeren. Het in omloop brengen van dergelijke grote hoeveelheden vals geld zorgt daarom voor een verstoring van het economische en financiële verkeer.
In aanmerking genomen de professionaliteit en grootschaligheid van de productie en het grote maatschappelijke belang om dit soort praktijken te voorkomen, acht de rechtbank een forse straf op zijn plaats. Als uitganspunt neemt zij daarom een gevangenisstraf van 32 maanden.
Daarnaast had verdachte een vuurwapen en munitie in zijn woning voorhanden. Dit brengt onaanvaardbare risico's met zich mee. Het maatschappelijk belang om te voorkomen dat onbevoegden over dergelijke wapens en munitie beschikken is dan ook bijzonder groot. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS oriëntatiepunten) nemen voor dit feit een gevangenisstraf van 3 maanden als uitgangspunt.
Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 april 2018 blijkt dat verdachte in het verleden voor uiteenlopende feiten, waaronder vuurwapenbezit, tot onder meer gevangenisstraffen is veroordeeld. Deze veroordelingen zijn inmiddels zo oud dat de rechtbank daar geen acht meer op zal slaan.
Verdachte heeft 409 dagen in voorarrest doorgebracht. Deze detentie heeft diep ingegrepen in zijn eigen leven, als ook in dat van zijn vrouw en zijn zoon.
Mede in aanmerking genomen de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, vindt de rechtbank het niet passend dat verdachte opnieuw de gevangenis in gaat. De rechtbank zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijk deel opleggen ter grootte van 180 dagen, met een proeftijd van 2 jaren. Deze voorwaardelijke straf dient verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.
Verder zal verdachte de consequenties van zijn handelen moeten voelen door het verrichten van een taakstraf van 240 uren.
Omdat de rechtbank voor de feiten een langere gevangenisstraf als uitgangspunt neemt en op een enkel onderdeel — anders dan de officier van justitie heeft gesteld — tot een bewezenverklaring komt, komt zij tot een zwaardere straf dan door de officier van justitie is geëist.’
2.5
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2023 is onder meer gerelateerd dat Mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam voert het woord ter verdediging tot de verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn op schrift gestelde pleitnota. In de pleitnota is onder meer aangevoerd:
‘Strafmaat & persoonlijke omstandigheden
41.
De redelijke termijn is aanzienlijk overschreden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
42.
Redelijke termijn eerste aanleg: het startpunt van de redelijke termijn in eerste aanleg betreft de dag van de aanhouding van [verdachte], 5 november 2013. Uitgaand van de redelijke termijn van 24 maanden, had de strafzaak uiterlijk 5 november 2015 moeten worden afgerond. Het vonnis van de Rechtbank dateert van 6 juli 2018. In eerste aanleg is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn van 32 maanden.
43.
Redelijke termijn hoger beroep: het startpunt van de redelijke termijn in hoger beroep betreft de dag van het instellen van het rechtsmiddel. Dat was op 19 juli 2018. Uitgaand van de redelijke termijn van 24 maanden, had de strafzaak uiterlijk op 19 juli 2020 moeten worden afgerond. In hoger beroep is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn van in ieder geval 33 maanden.
44.
Schending redelijke termijn en consequentie: dat brengt de totale schending op (33+32=) 65 maanden! De Rechtbank heeft in haar vonnis opgenomen dat de ingewikkeldheid, van de zaak noch de invloed van [verdachte] op het procesverloop rechtvaardiging biedt voor de overschrijding in eerste aanleg. En dat de schending daarom dient te leiden tot strafvermindering.
45.
Ook in hoger beroep zijn er geen feiten en/of omstandigheden die enige rechtvaardiging bieden voor de overschrijding van de redelijke termijn. De regiezitting heeft op 6 augustus 2020 plaatsgevonden. De toegewezen onderzoekswensen door uw Hof waren beperkt, te weten het horen van twee getuigen. Aan [verdachte] kan derhalve niet worden tegengeworpen dat hij debet is aan de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ook de ingewikkeldheid van de zaak is geen argument. De consequentie die de overschrijding naar mijn mening moet hebben, is enerzijds strafvermindering en 15 anderzijds dat aan [verdachte] geen onvoorwaardelijke straf meer kan worden opgelegd dan welke reeds aan hem is opgelegd.
46.
Welk strafdoel is na 10 jaren nog gediend? De vergelding heeft enerzijds plaatsgehad door de tijd die hij in VH heeft doorgebracht, en anderzijds door de lange duur van de procedure. Het heeft die hele periode als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd gehangen. In die periode is vastgesteld dat [verdachte] niet is gerecidiveerd, zodat ook het strafdoel (speciale) preventie niet langer ruimte is.’
2.6
In het arrest d.d. 30 juni 2023 heeft het hof bewezen verklaard:
‘1.
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [b-plaats], tezamen en in vereniging met een mededader, hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken heeft nagemaakt, met het oogmerk om die Britse 1 pond muntstukken als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven; en
hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te [b-plaats] en [c-plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk hoeveelheden van ongeveer 690.969 en 450.000 en 7.450 Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en een van zijn mededaders zelf hadden nagemaakt, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en heeft vervoerd en heeft uitgevoerd;
2.
hij op 5 november 2013 te [b-plaats], een vuurwapens van categorie III, te weten een pistool (Merk CZ, Model 75 BS, Kaliber 9mm para (9 mm Luger/ 9× 19mm), en
munitie van categorie III, te weten 15 patronen (Kaliber 9×19 mm, Model volmantel rondneus, Bodemstempel S&B 9mm Luger) en
munitie van categorie III, te weten 40 gas/knal patronen (Kaliber 9×19 mm, Model volmantel flatnose, Bodemstempel S&B 9 mm Luger), voorhanden heeft gehad.’
2.7
In het arrest heeft het hof verdachte veroordeeld tot een aanzienlijk zwaardere straf dan in eerste aanleg is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden waarvan 9 (negen) maanden voorwaardelijk. In het arrest heeft het hof daartoe overwogen:
‘Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 589 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis van dagen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 409 dagen, met aftrek van de tijd die in voorlopige hechtenis is doorgebracht.
In het kader van de strafoplegging heeft de verdediging gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn en betoogd dat thans geen ruimte meer is voor een onvoorwaardelijke straf van langere duur dan in eerste aanleg opgelegd, nu hiermee gezien de lange duur van de procedure geen algemeen of specifiek strafdoel wordt gediend.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het produceren van valse Britse 1 pondmuntstukken en aan het samen met anderen in voorraad hebben, vervoeren en uitvoeren van deze valse munten.
De productie heeft op grootschalige en professionele wijze plaatsgevonden gedurende een lange periode.
De uitgifte van geld is bij uitstek voorbehouden aan de overheid. Door valse munten in het economische en financiële verkeer te brengen wordt inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat kan en moet worden gesteld in de waarde van geld. Daarnaast wordt de ontvanger van het valse geld in zijn vermogen getroffen.
Voorts heeft de verdachte in zijn woning een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.
Het hof acht dit ernstige feiten.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte steeds alle betrokkenheid ontkend. Zodoende heeft hij op geen enkel moment inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen.
Gelet op de ernst van de feiten zoals bewezenverklaard en de omstandigheden van dit geval, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij acht het hof, anders dan de verdediging heef betoogd, een gevangenisstraf van langere duur dan door de rechtbank opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden.
Het hof komt in beginsel tot een gevangenisstraf van 27 maanden en ziet in hetgeen de raadsman en de verdachte in hoger beroep hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, aanleiding een gedeelte van deze straf, 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen.
Het hof heeft verder acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. De termijn is aangevangen op 5 november 2013 met de inverzekeringstelling van de verdachte, de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 6 juli 2018 en het hof wijst heden, op 30 juni 2023, arrest. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren per rechterlijke instantie.
In eerste aanleg heeft een overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden met 2 jaren en 8 maanden en in hoger beroep met bijna drie jaren. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de straf, in die zin dat in plaats van een voorwaardelijk deel van 6 maanden, een voorwaardelijk deel van 9 maanden zal worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:1.0 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.’
2.8
In zijn arrest van 3 oktober 20001. heeft de Hoge Raad onder meer aangegeven:
‘3.14.
Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.
3.15.
Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin
- a.
de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of
- b.
het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.
In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.
- 3.16.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen 2 jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdige personen is toegepast.’
2.9
Nu verdachte ten tijde van de berechting in eerste aanleg in verband met de betreffende zaak 409 dagen (bijna 14 maanden) in voorlopige hechtenis verkeerde heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de op de redelijkheid te beoordelen termijn in eerste aanleg (ook) 2 jaar bedraagt. Gelet hierop is het arrest en/of strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed.2.
2.10
Niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht. De door het hof opgelegde straf wekt in het licht van de in eerste aanleg gevorderde straf en de door de rechtbank opgelegde straf al verbazing. Nu in hoger beroep de redelijke termijn ook nog met bijna 3 jaren is geschonden en in eerste aanleg de schending van de redelijk nog aanzienlijker is dan hetgeen het hof als uitgangspunt heeft genomen (te weten 3 jaren en 2 maanden in plaats van ‘slechts’ 2 jaren en 8 maanden) kan het arrest niet in stand blijven.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 10 oktober 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑10‑2023
HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, m.nt. JdH.
zie o.m. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016,70,mnt. BEK; zie voorts HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:834 en HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1309.