Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/9.3.1:9.3.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/9.3.1
9.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS589934:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
436. In paragraaf 9.2 heb ik betoogd dat art. 60 Fw ook van toepassing is op het retentierecht dat wordt uitgeoefend op de zaak van een derde in het faillissement van die derde. Doordat lid 1 van art. 60 Fw functioneert als een toegangspoortje naar leden 2, 3 en 4, beheerst het gehele artikel de verhouding tussen de curator van de failliete derde en de retentor. Maar met die constatering zijn we er nog niet helemaal.
Op het eerste gezicht is het recept dat art. 60 Fw uitschrijft voor het derdenretentierecht wellicht duidelijk. Het ziet er als volgt uit: de curator van de derde-eigenaar mag de zaak opeisen bij de retentor. De retentor kan zijn vordering ter verificatie indienen bij de curator van de derde. Ondanks de opeising behoudt de retentor voorrang bij de uitdeling van de executieopbrengst. Ingevolge art. 60 lid 3 Fw kan hij de curator van de derde een termijn stellen om op te eisen en te verkopen. Bij ongebruikt verstrijken van de termijn, krijgt hij het recht van parate executie op de teruggehouden zaak. De verplichtingen tot het per exploot aan de curator aanzeggen van de executie en de inschrijving van dit exploot uit art. 60 lid 4 Fw gelden dan natuurlijk eveneens voor hem. In grote lijnen geeft dit de gang van zaken weer.
Maar er kunnen ook specifieke complicaties opkomen, vanwege het feit dat iemand die niet schuldeiser van de gefailleerde is, wel voldoening van zijn vordering via het faillissement zoekt. Een aantal van die complicaties behandel ik in de komende paragrafen. In het hiervoor beschreven recept bleef bijvoorbeeld de positie van de schuldenaar buiten beschouwing. Maar een opeising door de curator zou niet diens gebruiksrecht (als hij dat heeft) moeten kunnen ondergraven. Over de positie van de schuldenaar gaat paragraaf 9.3.2. In paragraaf 9.3.3 behandel ik de verificatie van de vordering van de retentor en hoe de curator zijn vordering moet toetsen, of bestrijden in een renvooiprocedure, nu de gefailleerde niet de schuldenaar is. Verder is de vraag hoe met de voorrang van de retentor op één enkel boedelbestanddeel moet worden omgegaan in het faillissement van de derde; daarover gaat paragraaf 9.3.4.