Einde inhoudsopgave
Wet bemanning zeeschepen
Artikel 27 Erkenning buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs
Geldend
Geldend vanaf 01-07-2025
- Bronpublicatie:
11-12-2024, Stb. 2025, 9 (uitgifte: 17-01-2025, kamerstukken: 36440)
- Inwerkingtreding
01-07-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
06-05-2025, Stb. 2025, 145 (uitgifte: 28-05-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsomstandigheden en beroepsschade
Vervoersrecht / Zeevervoer
Bestuursrecht algemeen / Toezicht
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
1.
Onze Minister kan een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 20 van richtlijn (EU) 2022/993 of een vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in hoofdstuk II van de bijlage bij het STCW F-verdrag dat is afgegeven door of namens de bevoegde autoriteit van een staat die verdragspartij is bij het STCW-verdrag of het STCW F-verdrag erkennen.
2.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot afgifte en intrekking van een erkenning als bedoeld in het eerste lid.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de benodigde gegevens voor de afgifte van een erkenning.
4.
Een zeevarende die erkenning van zijn vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs heeft aangevraagd kan, voor een periode van niet meer dan drie maanden volstaan met een door Onze Minister op aanvraag afgegeven bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs, tezamen met het te erkennen vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs.
5.
Bij ministeriële regeling worden de voorwaarden vastgesteld waaronder een bewijs van aanvraag om erkenning van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven.