Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2014/59/EU betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
Artikel 84 ter Vertrouwelijkheid van voorwetenschap
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de uitoefening van de bevoegdheden uit hoofde van artikel 30 bis, leden 3, 4 en 5, van deze richtlijn of bij het verrichten van een waardering overeenkomstig artikel 36 van deze richtlijn de bevoegdheid hebben om van de instelling of in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit te verlangen dat zij bij de voorbereiding van de afwikkeling alle nodige maatregelen neemt om de vertrouwelijkheid van voorwetenschap als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 596/2014 te waarborgen totdat de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat vertrouwelijkheid niet langer noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.
2.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij het nemen van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 59 van deze richtlijn af te schrijven of om te zetten, de bevoegdheid hebben om van de instelling of in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van deze richtlijn bedoelde entiteit te verlangen dat zij alle nodige maatregelen neemt om de vertrouwelijkheid van voorwetenschap, zoals bedoeld in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 596/2014, over het afwikkelingsproces of de afschrijving of omzetting overeenkomstig artikel 59 van deze richtlijn te waarborgen totdat de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat vertrouwelijkheid niet langer noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.
3.
De afwikkelingsautoriteit stelt de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit ervan in kennis dat volgens haar de naleving van het vereiste om overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel alle nodige maatregelen te nemen om de vertrouwelijkheid van voorwetenschap te waarborgen, niet langer noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.
4.
Gedurende de periode waarin de instelling of in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van deze richtlijn bedoelde entiteit alle nodige maatregelen moet nemen om de vertrouwelijkheid van voorwetenschap te waarborgen overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel, is artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 596/2014 niet van toepassing.
5.
Indien een afwikkelingsautoriteit verlangt dat een instelling of in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van deze richtlijn bedoelde entiteit overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel alle nodige maatregelen neemt om de vertrouwelijkheid van voorwetenschap te waarborgen, of indien een afwikkelingsautoriteit die instelling of entiteit meedeelt dat vertrouwelijkheid niet langer noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, stelt die autoriteit de in de op grond van artikel 17, lid 3, van Verordening (EU) nr. 596/2014 vastgestelde gedelegeerde handelingen genoemde bevoegde autoriteit daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
6.
De instelling of in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), van deze richtlijn bedoelde entiteit mag de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde voorwetenschap alleen aan een derde bekendmaken in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie, zoals bepaald in artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 596/2014, indien de persoon die die voorwetenschap ontvangt, een geheimhoudingsplicht heeft, ongeacht of die plicht gebaseerd is op een wet, een reglement, statuten of een overeenkomst, en ervoor zorgt dat die informatie vertrouwelijk wordt gehouden voor de toepassing van de leden 1 en 2 van dit artikel.
7.
Indien, ondanks de maatregelen die overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel zijn genomen om de vertrouwelijkheid van voorwetenschap te waarborgen, de vertrouwelijkheid van die informatie niet langer is gewaarborgd, maakt de instelling of in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit de voorwetenschap zo spoedig mogelijk openbaar. Dit lid omvat situaties waarin een gerucht uitdrukkelijk betrekking heeft op die voorwetenschap en dat gerucht voldoende nauwkeurig is om aan te geven dat de vertrouwelijkheid van die informatie niet langer is gewaarborgd.