Einde inhoudsopgave
Waterschapswet
Artikel 122g [Berekening vervuilingseenheden]
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
10-02-2025, Stb. 2025, 63 (uitgifte: 14-03-2025, kamerstukken: 36412)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2025, Stb. 2025, 101 (uitgifte: 18-04-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Belastingen van lagere overheden / Waterschapsbelastingen
Staatsrecht / Decentralisatie
Milieubelastingen (V)
1.
Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van gegevens verkregen door middel van door de heffingplichtige, gedurende elk etmaal van het kalenderjaar ondernomen meting, bemonstering en analyse, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.
2.
Op aanvraag van de heffingplichtige staat de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, onder nader te stellen voorwaarden toe dat van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Dit besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3.
De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid organische koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid stikstof verminderd met de nitriet-stikstof en de nitraat- stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen.
4.
In afwijking van het derde lid, tweede volzin, wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen vastgesteld op lager dan drie onderscheidenlijk hoger dan drie, indien de heffingplichtige op zijn kosten onderscheidenlijk de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, op kosten van het waterschap overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen nadere regels doet blijken dat deze verhouding lager is dan tweeënhalf onderscheidenlijk hoger is dan drieënhalf. Indien blijkt dat die verhouding lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen gedeeld door tweeënhalf onderscheidenlijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie.
5.
Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels.