Einde inhoudsopgave
Participatiewet
Artikel 17 Inlichtingenplicht
Geldend
Geldend vanaf 04-02-2026. Let op: treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
28-01-2026, Stb. 2025, 312 jo Stb. 2026, 18 (uitgifte: 03-02-2026, kamerstukken: 36796)
01-10-2025, Stb. 2025, 312 jo Stb. 2026, 18 (uitgifte: 29-10-2025, kamerstukken: 36582)
- Inwerkingtreding
04-02-2026, terugwerkend tot: 01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
28-01-2026, Stb. 2026, 18 (uitgifte: 03-02-2026, kamerstukken: 36796)
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid bijstand / Algemeen
1.
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2.
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
3.
Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 4°, van de Wet op de identificatieplicht. Indien een aanvraag voor het recht op bijstand wordt gedaan met gebruikmaking van een elektronisch identificatiemiddel, wordt het college geacht de identiteit van de belanghebbende te hebben vastgesteld als bedoeld in de eerste zin.
4.
Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voorzover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.