Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2014/59/EU betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
Artikel 32 ter Procedures ten aanzien van instellingen en entiteiten die niet aan een afwikkelingsmaatregel onderworpen zijn
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer een afwikkelingsautoriteit bepaalt dat een instelling of een in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, lid 1, punten a) en b), maar niet aan de voorwaarde van artikel 32, lid 1, punt c), de bevoegde autoriteit of de afwikkelingsautoriteit de desbetreffende administratieve of gerechtelijke procedure inleidt of daarom verzoekt, met inbegrip van, indien beschikbaar, een vrijwillige procedure, om de instelling of entiteit op ordelijke wijze te liquideren overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
2.
De lidstaten dragen er zorg voor dat een instelling of een in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit die op ordelijke wijze wordt geliquideerd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht in de in lid 1 van dit artikel bedoelde omstandigheden, ook in het kader van een vrijwillige liquidatieprocedure, binnen een redelijk tijdsbestek de markt verlaat of haar bankactiviteiten beëindigt.
3.
De lidstaten dragen er zorg voor dat, indien een afwikkelingsautoriteit vaststelt dat een instelling of een in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, lid 1, punten a) en b), maar niet aan de voorwaarde van artikel 32, lid 1, punt c), die vaststelling een voldoende voorwaarde is voor de bevoegde autoriteit om de vergunning van de instelling of entiteit in te trekken.
4.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de intrekking van de vergunning van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit een voldoende voorwaarde is voor de bevoegde nationale bestuursrechtelijke of gerechtelijke autoriteit om onverwijld de procedure op te kunnen starten om de instelling of entiteit op ordelijke wijze te liquideren overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.