Einde inhoudsopgave
Successiewet 1956
Artikel 45 [Termijn van aangifte voor de erfbelasting]
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
17-12-2025, Stb. 2025, 444 (uitgifte: 23-12-2025, kamerstukken: 36812)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
17-12-2025, Stb. 2025, 444 (uitgifte: 23-12-2025, kamerstukken: 36812)
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
1
De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan twintig maanden na het overlijden.
2
De in het eerste lid bedoelde termijn van twintig maanden loopt niet gedurende de tijd dat de nalatenschap onbeheerd is gelaten en geen vereffenaar is benoemd. Indien verkregen wordt ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde, van aanvaarding nadat eerst verwerping had plaatsgehad, van een afstand door een verkrijger onder een ontbindende voorwaarde als bedoeld in artikel 21, tweede lid, ten behoeve van de verwachters, van de uitoefening van een wilsrecht voortspruitende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen, dan wel ten gevolge van de toepassing van artikel 33 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, gaat de in het eerste lid bedoelde termijn van twintig maanden in op de dag waarop één van die gebeurtenissen plaatsvindt.