Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2014/59/EU betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
Artikel 29 Tijdelijk bewindvoerder
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/806 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/806)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Voor de toepassing van artikel 27, lid 2, punt f), zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten op basis van wat onder de omstandigheden evenredig is, een of meer tijdelijk bewindvoerders kunnen aanstellen om:
- a)
het leidinggevend orgaan van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit tijdelijk te vervangen, of
- b)
tijdelijk te werken met het leidinggevend orgaan van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit.
Bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder specificeert de bevoegde autoriteit of die aanstelling geldt voor de toepassing van punt a) of punt b) van de eerste alinea.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), specificeert de bevoegde autoriteit bij de aanstelling voorts de rol, taken en bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder en eventuele vereisten voor het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit om de tijdelijk bewindvoerder te raadplegen of de goedkeuring van de tijdelijk bewindvoerder te verkrijgen alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.
De lidstaten eisen van de bevoegde autoriteit dat zij de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar maakt, behalve indien de tijdelijk bewindvoerder niet de bevoegdheid heeft om de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit te vertegenwoordigen.
De lidstaten zorgen er voorts voor dat tijdelijk bewindvoerders over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om hun taken uit te voeren en dat zij voldoen aan de vereisten van artikel 91, leden 2 en 2 bis, van Richtlijn 2013/36/EU. De beoordeling door de bevoegde autoriteit of de tijdelijk bewindvoerder over die kennis, vaardigheden en ervaring beschikt en aan die vereisten voldoet, vormt een integrerend onderdeel van het besluit tot aanstelling van die tijdelijk bewindvoerder.
2.
Bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder specificeert de bevoegde autoriteit naargelang de omstandigheden welke bevoegdheden die heeft. Die bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het leidinggevend orgaan van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit krachtens de statuten van de instelling of entiteit en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke functies van het leidinggevend orgaan van de instelling of entiteit uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de instelling of entiteit moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht. De bevoegde autoriteit kan die bevoegdheden aanpassen in geval van gewijzigde omstandigheden.
3.
Bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder specificeert de bevoegde autoriteit welke rol en taken die heeft. Die rol en taken kunnen het volgende omvatten:
- a)
het onderzoeken van de financiële positie van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit;
- b)
het beheren van de bedrijfsactiviteiten of een deel van de bedrijfsactiviteiten van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit beheren om haar financiële positie in stand te houden of te herstellen;
- c)
het nemen van maatregelen om de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit te herstellen;
- d)
het waarborgen van de naleving door de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit van alle vereisten op grond van artikel 30 bis, lid 3, tweede alinea, artikel 30 bis, lid 4, eerste alinea, of artikel 30 bis, lid 5.
Bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder specificeert de bevoegde autoriteit eventuele beperkingen op zijn of haar rol en taken.
4.
De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de exclusieve bevoegdheid hebben om de tijdelijk bewindvoerder aan te stellen en van zijn functie te ontheffen. De bevoegde autoriteit kan de tijdelijk bewindvoerder te allen tijde om welke reden dan ook van zijn functie ontheffen. De bevoegde autoriteit kan de aanstellingsvoorwaarden voor een tijdelijk bewindvoerder te allen tijde wijzigen, met inachtneming van dit artikel.
5.
De bevoegde autoriteit kan eisen dat voor bepaalde handelingen van een tijdelijk bewindvoerder haar voorafgaande goedkeuring is vereist. Deze vereisten worden door de bevoegde autoriteit bij de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder, of bij een eventuele wijziging van de voorwaarden voor diens aanstelling nader omschreven.
Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen, alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit.
6.
Op verzoek van de bevoegde autoriteit stelt de tijdelijk bewindvoerder met door de bevoegde autoriteit vastgestelde tussenpozen verslagen op over de financiële positie van de instelling of de in artikel 1, lid 1, punt b), c) of d), bedoelde entiteit en over de handelingen die hij of zij gedurende zijn of haar mandaat heeft verricht. De tijdelijk bewindvoerder stelt in elk geval dat verslag op aan het einde van zijn of haar mandaat.
7.
De tijdelijk bewindvoerder wordt aangesteld voor ten hoogste één jaar. De bevoegde autoriteit kan die termijn bij wijze van uitzondering eenmaal verlengen met een duur die in verhouding staat tot de omstandigheden, indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden. De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het bepalen of aan die voorwaarden is voldaan en voor het rechtvaardigen van een eventuele verlenging van het mandaat van de tijdelijk bewindvoerder ten aanzien van de aandeelhouders.
8.
De aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder laat, onder voorbehoud van dit artikel, de rechten van de aandeelhouders overeenkomstig het vennootschapsrecht van de Unie of van de betreffende lidstaat onverlet.
9.
De lidstaten kunnen de uit hoofde van het nationaal recht voor een tijdelijk bewindvoerder geldende aansprakelijkheid voor handelingen en nalatigheden in het kader van de vervulling van zijn taken als tijdelijk bewindvoerder overeenkomstig lid 3 beperken.
10.
De krachtens dit artikel aangestelde tijdelijk bewindvoerder wordt niet geacht een schaduwdirecteur of een feitelijke directeur op grond van het nationale recht te zijn.