Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) nr. 806/2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010
Artikel 13 ter Tijdelijk bewindvoerder
Geldend
Geldend vanaf 10-05-2026
- Redactionele toelichting
Wordt toegepast vanaf 11-05-2028.
- Bronpublicatie:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/808 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/808)
- Inwerkingtreding
10-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-03-2026, PbEU L 2026, 2026/808 (uitgifte: 20-04-2026, regelingnummer: 2026/808)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Voor de toepassing van artikel 13, lid 2, punt f), kan de ECB, op basis van wat onder de omstandigheden evenredig is, een of meer tijdelijk bewindvoerders aanstellen om:
- a)
tijdelijk het leidinggevend orgaan van de entiteit te vervangen, of
- b)
tijdelijk samen te werken met het leidinggevend orgaan van de entiteit.
Bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder specificeert de ECB of die aanstelling geldt voor de toepassing van punt a) of punt b) van de eerste alinea.
Voor de toepassing van de eerste alinea, punt b), specificeert de ECB voorts op het moment van benoeming de rol, taken en bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder en eventuele vereisten voor het leidinggevend orgaan van de entiteit om de tijdelijk bewindvoerder te raadplegen of de goedkeuring van de tijdelijk bewindvoerder te verkrijgen alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen.
De ECB maakt de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar, tenzij de tijdelijk bewindvoerder geen bevoegdheid heeft om de entiteit te vertegenwoordigen.
Elke tijdelijk bewindvoerder moet over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring beschikken om zijn of haar taken uit te voeren en moet voldoen aan de vereisten van artikel 91, leden 2 en 2 bis, van Richtlijn 2013/36/EU. De beoordeling door de ECB of de tijdelijk bewindvoerder over die kennis, vaardigheden en ervaring beschikt en aan die vereisten voldoet, maakt integraal deel uit van het besluit tot benoeming van die tijdelijk bewindvoerder.
2.
Welke bevoegdheden de tijdelijk bewindvoerder heeft, wordt bij zijn of haar aanstelling door de ECB naargelang de omstandigheden bepaald. Die bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het leidinggevend orgaan van de entiteit krachtens de statuten van de entiteit en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke functies van het leidinggevend orgaan van de entiteit uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de entiteit moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht. De ECB kan die bevoegdheden aanpassen in geval van gewijzigde omstandigheden.
3.
De ECB specificeert de rol en taken van de tijdelijk bewindvoerder op het ogenblik van zijn of haar aanstelling. Die rol en taken kunnen het volgende omvatten:
- a)
het onderzoeken van de financiële positie van de entiteit;
- b)
het beheer van de bedrijfsactiviteiten of een deel van de bedrijfsactiviteiten van de entiteit om haar financiële positie in stand te houden of te herstellen;
- c)
het nemen van maatregelen om de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de entiteit te herstellen;
- d)
het waarborgen van de naleving door de entiteit van alle vereisten op grond van artikel 13 quater, lid 3, tweede alinea, lid 4, eerste alinea, of lid 5.
De ECB bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder de grenzen van diens rol en taken af.
4.
De ECB heeft de exclusieve bevoegdheid om een tijdelijk bewindvoerder aan te stellen en van zijn functie te ontheffen. De ECB kan de tijdelijk bewindvoerder te allen tijde om welke reden dan ook van zijn functie ontheffen. De ECB kan de aanstellingsvoorwaarden voor een tijdelijk bewindvoerder te allen tijde wijzigen, met inachtneming van dit artikel.
5.
De ECB kan eisen dat voor bepaalde handelingen van een tijdelijk bewindvoerder de voorafgaande goedkeuring van de ECB is vereist. Die vereisten worden door de ECB bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder, of bij een eventuele wijziging van de voorwaarden voor diens aanstelling nader omschreven.
Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de entiteit bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen, alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de ECB.
6.
Op verzoek van de ECB stelt de tijdelijk bewindvoerder met door de ECB vastgestelde tussenpozen verslagen op over de financiële positie van de entiteit en over de handelingen die hij of zij gedurende zijn of haar mandaat heeft verricht. De tijdelijk bewindvoerder stelt in elk geval een dergelijk verslag op aan het einde van zijn of haar mandaat.
7.
De tijdelijk bewindvoerder wordt benoemd voor ten hoogste één jaar. De ECB kan die termijn bij wijze van uitzondering eenmaal verlengen met een duur die in verhouding staat tot de omstandigheden, indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden. De ECB is ervoor verantwoordelijk te bepalen of aan die voorwaarden is voldaan, en moet een verlenging van het mandaat van de tijdelijk bewindvoerder tegenover de aandeelhouders rechtvaardigen.
8.
De aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder laat, onder voorbehoud van dit artikel, de rechten van de aandeelhouders, zoals vastgelegd in het vennootschapsrecht van de Unie of van de betreffende lidstaat onverlet.
9.
Een overeenkomstig de leden 1 tot en met 8 aangestelde tijdelijk bewindvoerder wordt niet geacht een schaduwdirecteur of een feitelijke directeur van de betrokken entiteit op grond van het nationale recht te zijn.