HR, 31-05-1978, nr. 18 230
ECLI:NL:PHR:1978:AX2866
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-05-1978
- Zaaknummer
18 230
- LJN
AX2866
- Roepnaam
Zweedsegrootmoederarrest
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1978:AX2866, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑05‑1978; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1978:AX2866
ECLI:NL:PHR:1978:AX2866, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑05‑1978
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1978:AX2866
- Vindplaatsen
BNB 1978/252 met annotatie van H.J. Hofstra
CFN 2023/112 met annotatie van -
BNB 1978/252 met annotatie van H.J. Hofstra
Uitspraak 31‑05‑1978
Inhoudsindicatie
Zweeds grootmoederarrest. Moet een aan een dochtermaatschappij opgekomen voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente over een door de grootmoedermaatschappij verstrekte lening, tot de winst worden gerekend?
Nr. 18.230.
AdJ
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 juli 1976 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1971;
Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot verwerping van het beroep;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende, aan wie voor het jaar 1971 een aanslag in de vennootschapsbelasting is opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.042.396,--, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur van die aanslag rechtstreeks in beroep is gekomen bij het Hof met het verzoek de aanslag in verband met informele kapitaalstortingen te vernietigen;
Overwegende dat het Hof als vaststaand heeft aangemerkt:
‘‘Belanghebbende is in 1953 opgericht door [A] A/S, een in Zweden gevestigde vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal ( [A] ). Belanghebbende heeft een geplaatst en volgestort aandelenkapitaal van ƒ 35.000,--;
In 1964 is door [A] opgericht [X] Nederland b.v. (aanvankelijk [X] International N.V. geheten) met een geplaatst en volgestort aandelenkapitaal van ƒ 1.000.000,--. Kort na de oprichting droeg [A] de aandelen in deze nieuwe vennootschap aan belanghebbende over. Aanvankelijk werd te dier zake door belanghebbende een schuld van ƒ 1.000.000,-- aan [A] geboekt, later werd dit veranderd in een schuld van Zweedse Kronen (Kr) 1.440.000,--. Rente werd belanghebbende daarover niet verschuldigd.
Belanghebbende en [X] Nederland b.v. vormen met ingang van de oprichtingsdatum van laatstgenoemde een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 27 van het besluit op de Winstbelasting 1940 en artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De overdracht door [A] van de aandelen [X] Nederland b.v. aan belanghebbende geschiedde uitsluitend om die eenheid mogelijk te maken.
[X] Nederland b.v. is een fabricage-eenheid van het [A] -concern, dat thans tot het [C-concern] behoort.
[A] verstrekte in de loop der jaren leningen aan [X] Nederland b.v., die eind 1971 waren opgelopen tot een bedrag van Kr 15.861.000,--. Zij berekent over deze leningen geen rente om redenen die gelegen zijn in de relatie (groot)moedermaatschappij-(klein)dochtermaatschappij.
Zou [A] zich met betrekking tot de rente ‘‘at arms length’‘ hebben opgesteld zowel ten aanzien van het door belanghebbende als schuld geboekte bedrag ter zake van de overdracht van de aandelen [X] Nederland b.v. als ten aanzien van de leningen aan laatstgenoemde, dan zouden in verband daarmede ten laste van de fiscale eenheid de volgende - afgeronde - rentebedragen zijn gekomen
1964: á 5% | ƒ 74.000,-- |
1965: á 5½% | ƒ 305.000,-- |
1966: á 6% | ƒ 556.000,-- |
1967: á 6½% | ƒ 681.000,-- |
1968: á 6½% | ƒ 787.000,-- |
1969: á 7% | ƒ 848.000,-- |
1970: á 7% | ƒ 848.000,-- |
1971: á 7% | ƒ 830.000,-- |
1972: á 7% | ƒ 816.000,-- |
1973: á 8% | ƒ 897.000,-- |
Hiervan heeft betrekking op het door belanghebbende als schuld aan [A] geboekte bedrag ter zake van de overdracht van de aandelen [X] Nederland b.v.
1964: | ƒ 41.000,-- |
1965: | ƒ 55.000,-- |
1966: | ƒ 60.000,-- |
1967: | ƒ 65.000,-- |
1968: | ƒ 65.000,-- |
1969: | ƒ 70.000,-- |
1970: | ƒ 70.000,-- |
1971: | ƒ 67.000,-- |
1972: | ƒ 67.000,-- |
1973: | ƒ 77.000,--. |
In de winst over 1971 is ƒ 518.000,-- koerswinst opgenomen, waarvan f 43.114,-- betrekking heeft op het bij de overdracht van de aandelen [X] Nederland b.v. als schuld aan [A] geboekte bedrag en het restant op de schuld van [X] Nederland b.v. aan [A] .
In het standpunt van belanghebbende, dat de door [A] niet in rekening gebrachte, hiervoor vermelde rentebedragen als informele kapitaalstortingen in mindering op de winst van de fiscale eenheid moeten worden gebracht, bedraagt de winst van die eenheid
1964: ./. | ƒ 533.140,-- |
1965: ./. | ƒ 1.657.309,-- |
1966: ./. | ƒ 2.040.857,-- |
1967: ./. | ƒ 1.490.668,-- |
1968: ./. | ƒ 319.749,-- |
1969: | ƒ 447.119,-- |
1970: | ƒ 338.000,-- |
1971: | ƒ 1.370.000,--;’‘: |
Overwegende dat het Hof het standpunt van belanghebbende zakelijk heeft weergegeven als volgt:
‘‘De door [A] aan belanghebbende en haar dochtermaatschappij niet in rekening gebrachte rente vormt telkenjare een verkapte kapitaalinbreng, die bij de berekening van de fiscale winst op het verschil tussen eindvermogen en beginvermogen in mindering moet worden gebracht.
Dit vloeit voort uit het beginsel dat de winst van de verschillende tot een concern behorende vennootschappen ‘‘at arms length’‘ moet worden berekend.
Toen de Inspecteur destijds bemerkte dat [B] N.V., die ook tot het [C-concern] behoort, aan enkele van haar in het buitenland gevestigde dochtermaatschappijen renteloze leningen had verstrekt, corrigeerde hij dan ook haar winst over de jaren 1967 en 1968 met de fictieve rente over die leningen. Deze fictieve rente vormde naar het oordeel van de Inspecteur een informele kapitaalinbreng door de genoemde vennootschap in haar buitenlandse dochtermaatschappijen. [C] heeft zich bij dat standpunt neergelegd.
In het onderhavige geval doet zich de omgekeerde situatie voor. [A] heeft aanzienlijke bedragen aan niet bedongen rente op informele wijze in een Nederlandse belastingplichtige ingebracht.
Het is onaanvaardbaar, dat de Inspecteur nu een standpunt inneemt tegengesteld aan dat door hem ingenomen tegenover [B] N.V..
Het maakt geen enkel verschil of een moedermaatschappij rente van een dochtermaatschappij bedingt en die rente jaarlijks kwijtscheldt, dan wel haar een lening gedurende een bepaalde termijn renteloos verstrekt.
Een moedermaatschappij kan ook renteloos gelden aan een dochtermaatschappij lenen zonder termijnbepaling.
Dit geval onderscheidt zich materieel in geen enkel opzicht van de eerdergenoemde gevallen. In elk daarvan vindt er kapitaalinbreng plaats ter grootte van de kwijtgescholden rente dan wel de marktrente.
In casu vormen de verstrekte leningen geen verkapt kapitaal. Indien financiering plaatsvindt met geleende gelden komt de kwestie van het verkapte kapitaal uitsluitend in bijzondere gevallen, waarvan hier geen sprake is, aan de orde. Zulks blijkt uit de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de doctrine. In feite heeft de Inspecteur dit reeds toegegeven door koerswinsten op de leningen in de winst van de fiscale eenheid van het jaar 1971 te begrijpen;’‘;
Overwegende dat het Hof het standpunt van de Inspecteur zakelijk heeft weergegeven als volgt:
‘‘Met betrekking tot de geldmiddelen door [A] verstrekt aan de dochtermaatschappij van belanghebbende is er sprake van geldleningen, waarover [A] om redenen die in de verhouding (groot)moeder-(klein)dochter zijn gelegen, geen rente heeft bedongen .
Met betrekking tot het bij belanghebbende als schuld aan [A] geboekte bedrag van Kr 1.440.000,-- samenhangend met de overdracht van de aandelen [X] Nederland b.v., is sprake van vermomd kapitaal. De opzet van [A] was om formeel kapitaal te storten. Deze aandelen zijn uitsluitend ten name van belanghebbende gesteld om een fiscale eenheid van belanghebbende met [X] Nederland b.v. tot stand te kunnen brengen en daardoor winsten van belanghebbende met verliezen van [X] Nederland b.v. te kunnen verrekenen. Een vergelijkbaar geval treft men aan in B.N.B. 1974/64.
De winst over 1971 moet met ƒ 43.114,-- worden verminderd. Ten onrechte is dit bedrag als koerswinst op een schuld van Kr 1.440.000,-- in die winst begrepen.
Het niet bedingen van rente van de leningen van [A] aan de dochtermaatschappij van belanghebbende is weliswaar veroorzaakt door de (groot)moeder-(klein)dochterverhouding, maar was in concernverband gezien zakelijk. Het bedingen van rente zou bij [A] vroeg of laat tot belastingheffing hebben geleid, doch zulks zou in Nederland in verband met de beperkte verliescompensatie hebben geleid tot een bedrag aan verliezen van ruim ƒ 2.400.000,-- uit de jaren 1965, 1966 en 1967, dat nimmer tot compensatie zou zijn gekomen.
Een concernbeleid, dat gericht is op het zoveel mogelijk benutten van in het concern geleden reële, fiscaal compensabele verliezen, dient in het algemeen door de fiscus als zijnde een op zakelijke gronden bepaald beleid te worden aanvaard, voor zover dat niet in strijd komt met goed koopmansgebruik.
Een dergelijke opvatting kan ook van de Zweedse fiscus worden verwacht.
Toepassing van het ‘‘at arms length-beginsel’‘ bij de dochtermaatschappij leidt bij de moedermaatschappij tot grote financiële moeilijkheden en is derhalve niet aanvaardbaar.
Het afzien door een moedermaatschappij van rente leidt ook buiten het geval van niet-compensabele verliezen niet tot aftrek van fictieve rente bij de dochtermaatschappij. Ook dan is er geen sprake van informele kapitaalstortingen.
In gevallen waarin de ondernemer ten koste van de onderneming wordt bevoordeeld, wordt de winst van de onderneming gecorrigeerd. Dit gebeurt ook wanneer de dochtermaatschappij renteloos leningen verstrekt aan de moedermaatschappij. De winst van de dochter wordt in dat geval met de niet bedongen rente verhoogd. Dit betekent echter nog niet dat aldus het door de moeder genoten voordeel bij haar zonder meer onbelast blijft. Om dat te bereiken, is toepassing van de deelnemingsvrijstelling noodzakelijk.
In casu doet zich het omgekeerde voor: de moedermaatschappij bevoordeelt de dochtermaatschappij. Het vormt een van de gevallen waarin een onderneming door een derde wordt bevoordeeld. In de jurisprudentie wordt dan verschil gemaakt tussen de gevallen waarin zo'n bevoordeling plaatsvindt door overdracht van goederen of het kwijtschelden van schulden en die waarin dat geschiedt door het om niet of tegen te lage vergoeding ter beschikking stellen van goederen, arbeid of geldmiddelen. In de eerste groep van gevallen leidt zo'n bevoordeling tot een onbelaste vermogensaanwas, in de tweede kan slechts de werkelijk betaalde vergoeding ten laste van de winst worden gebracht.
Met betrekking tot de bevoordeling van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid door een derde is de jurisprudentie dienovereenkomstig. Gaat het echter om de bevoordeling van dochtermaatschappijen door moedermaatschappijen dan is de jurisprudentie niet geheel duidelijk. Wel kan men niet iedere bevoordeling van een vennootschap door een aandeelhouder door het in aanmerking nemen van een informele kapitaalstorting uit de fiscale winst elimineren.
In het onderhavige geval is geen sprake van kapitaalstorting in de dochtermaatschappij van belanghebbende, omdat niet voldaan is aan de voorwaarden, dat
1. de intentie bestond om kapitaal te storten,
2. de bevoordeling zich op de balans manifesteerde en
3. geschiedde door inbreng van vermogensbestanddelen of het kwijtschelden van schuld;’‘;
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
‘‘dat het Hof met de Inspecteur van oordeel is, dat een redelijke rente op het bij belanghebbende ter zake van de verwerving van de aandelen [X] Nederland b.v. als schuld geboekte bedrag van Kr 1.440.000,-- niet ten laste van de winst van de onderhavige fiscale eenheid kan worden gebracht;
dat immers [X] Nederland b.v. door [A] met een geplaatst en volgestort aandelenkapitaal van ƒ 1.000.000,-- is opgericht, waarvan Kr. 1.440.000,-- de tegenwaarde vormt, waaruit volgt, dat dit bedrag door [A] als risicodragend was bedoeld;
dat [A] weliswaar kort na de oprichting de aandelen [X] Nederland b.v. aan belanghebbende heeft overgedragen, maar zulks - naar tussen partijen vaststaat - uitsluitend heeft gedaan met het doel om [X] Nederland b.v. met belanghebbende een fiscale eenheid te laten vormen;
dat het Hof aan het feit, dat [A] met belanghebbende niet een overeenkomst van geldlening tegen een bepaalde rente heeft gesloten doch het bij een tegoedschrijving van Kr. 1.440.000,-- heeft gelaten, het vermoeden ontleent, dat [A] bedoeld bedrag als risicodragend kapitaal is blijven beschouwen, waaruit volgt, dat zij de eventuele voordelen van [X] Nederland b.v. door middel van uitkeringen op de aandelen van belanghebbende wenst te genieten dan wel door middel van koerswinsten op die aandelen;
dat in die zin het bedrag van Kr. 1.440.000,-- voor belanghebbende kapitaal vormt en de niet bedongen rente derhalve niet tot de zogenaamde informele kapitaalstortingen behoren;
dat in een dergelijke situatie koerswinsten niet, althans niet in 1971, tot de winst behoren, waaruit volgt, dat de winst over 1971, zoals ook de Inspecteur heeft toegegeven, te dezer zake ƒ 43.114,-- te hoog is vastgesteld;
dat met betrekking tot de door [A] aan [X] Nederland b.v. na haar oprichting ter beschikking gestelde geldmiddelen vaststaat, dat deze geldleningen vormen, dus niet bedoeld zijn als risicodragend kapitaal;
dat eveneens vaststaat, dat [A] om redenen van concernbelang geen rente heeft bedongen, hetgeen betekent, dat [A] in haar kwaliteit van grootmoedermaatschappij de dochtermaatschappij van belanghebbende met de rente die zij had kunnen bedingen - en buiten die kwaliteit ook zou hebben bedongen - bewust heeft willen bevoordelen;
dat zulke voordelen voor belanghebbendes dochtermaatschappij geen winst vormen en als informele kapitaalstortingen moeten worden aangemerkt, waaraan niet afdoet dat deze voordelen kunnen zijn verstrekt om te voorkomen dat bij de fiscale eenheid verliezen niet tot compensatie zouden komen;
dat de winsten van de fiscale eenheid derhalve bedragen:
1964: | ./. | ƒ 533.140,-- | + | ƒ 41.000,-- | = | ./. | ƒ 492.140,-- |
1965: | ./. | ƒ 1.657.309,-- | + | ƒ 55.000,-- | = | ./. | ƒ 1.602.309,-- |
1966: | ./. | ƒ 2.040.857,-- | + | ƒ 60.000,-- | = | ./. | ƒ 1.980.857,-- |
1967: | ./. | ƒ 1.490.668,-- | + | ƒ 65.000,-- | = | ./. | ƒ 1.425.668,-- |
1968: | ./. | ƒ 319.749,-- | + | ƒ 65.000,-- | = | ./. | ƒ 254.749,-- |
1969: | ƒ 447.119,-- | + | ƒ 70.000,-- | = | ƒ 517.119,-- | ||
1970: | ƒ 338.000,-- | + | ƒ 70.000,-- | = | ƒ 408.000,-- | ||
1971: | ƒ 1.370.000,-- | + | ƒ 67.000,-- | = | |||
- | ƒ 43.114,-- | ƒ 1.393.886,--; |
dat daaruit volgt, dat in verband met de compensatie van verliezen de aanslag ten onrechte is opgelegd;’‘;
Overwegende dat het Hof op die gronden de aanslag heeft vernietigd;
Overwegende dat de Staatssecretaris het navolgende middel van cassatie aanvoert, toegelicht gelijk daarachter vermeld:
‘‘Schending van het Nederlandse recht met name van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de artikelen 7 en 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, doordat het Hof heeft beslist dat de voordelen die belanghebbende geniet doordat de Zweedse moedermaatschappij haar langlopende renteloze geldleningen heeft verstrekt, voor haar geen winst vormen en als informele kapitaalstortingen moeten worden aangemerkt, hetgeen medebrengt dat belanghebbende telkenjare als het ware een fictieve rente-aftrek mag toepassen, zulks ten onrechte aangezien van een informele kapitaalstorting geen sprake is en de fiscale winstberekening niet toelaat rekening te houden met in werkelijkheid niet betaalde of verschuldigde kosten.
Toelichting .
Belanghebbende ( [X] b.v.) is in 1953 opgericht door de in Zweden gevestigde vennootschap Lilla [X] Papperbruks A/S (hierna [A] ). In 1964 werd door [A] opgericht [X] Nederland b.v. met een geplaatst en gestort kapitaal van ƒ 1.000.000,--. Kort na de oprichting werden de aandelen door [A] aan belanghebbende overgedragen waartegenover door belanghebbende een schuld werd geboekt van ƒ 1.000.000,--, later gewijzigd in Zw. kr. 1.440.000,--.
Belanghebbende werd over deze schuld geen rente verschuldigd. De overdracht van de aandelen geschiedde om een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 27 van het Besluit op de Winstbelasting 1940 en artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 19'69 mogelijk te maken.
[A] verstrekte in de loop der jaren leningen aan [X] Nederland b.v. die eind 1971 waren opgelopen tot Zw. kr. 15.861.000,--. Over deze leningen wordt geen rente berekend om redenen die naar het oordeel van het Hof uitsluitend gelegen zijn in de aandeelhouders-relatie (groot)moedermaatschappij- (klein)dochtermaatschappij.
Het Hof beslist ten aanzien van de lening van Zw. kr. 15 861 000 dat de voordelen die belanghebbende geniet door het niet behoeven te betalen van rente geen winst vormen en als informele kapitaalstortingen moeten worden aangemerkt, om welke reden bij de berekening van de fiscale winst als het ware een fictieve-aftrek mag worden toegepast.
De Staatssecretaris is met de Inspecteur van oordeel dat van een informele kapitaalstorting geen sprake is. Informele kapitaalinbrengen kunnen zich naar zijn oordeel niet voordoen in de sfeer van de baten en lasten, doch uitsluitend in de vermogenssfeer. Naar zijn oordeel is van het laatste slechts sprake indien een inbreng plaatsvindt in geld of goederen dan wel passiva om niet worden overgenomen, zonder dat in verband daarmede aandeelbewijzen zijn uitgegeven of bijschrijving in een aandeelhoudersregister heeft plaatsgevonden. Van een inbreng van geld of goederen of van het om niet overnemen van passiva is in het onderhavige geval geen sprake.
De beslissing van het Hof is naar de mening van de Staatssecretaris in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad, voor welke jurisprudentie hij moge verwijzen naar het vertoogschrift van de Inspecteur.
De Staatssecretaris is, nog afgezien van de vraag of er een informele kapitaalstorting is, van mening dat de winstberekening volgens goed koopmansgebruik het toepassen van een fictieve rente-aftrek niet toelaat en dat dit met name in strijd komt met de beslissingen van de Hoge Raad vervat in de, in het vertoogschrift van de Inspecteur vermelde, zogenoemde kostenarresten. Deze arresten leren dat slechts de werkelijk gemaakte kosten als bedrijfslast in aanmerking komen, ook al zijn deze kosten door de invloed van persoonlijke omstandigheden lager dan het geval zou zijn geweest indien louter zakelijke motieven in de verhouding tussen debiteur en crediteur in aanmerking zouden zijn genomen.
De Staatssecretaris is van mening dat deze voor de winstberekening ten behoeve van de heffing van inkomstenbelasting gewezen arresten ook voor de berekening van de winst van aan vennootschapsbelasting onderworpen lichamen van toepassing zijn en dat het verschil in wezen tussen een natuurlijk persoon en een rechtspersoon niet leidt tot een afwijking;’‘;
Overwegende omtrent het aldus toegelichte middel:
dat het Hof aan het door hem vastgestelde feit dat [A] om redenen van concernbelang geen rente heeft bedongen de betekenis heeft toegekend, dat [A] in haar kwaliteit van grootmoedermaatschappij de dochtermaatschappij van belanghebbende - waarmee belanghebbende blijkens 's Hofs uitspraak een fiscale eenheid vormde - met de rente, die zij had kunnen bedingen en buiten die kwaliteit ook zou hebben bedongen, bewust heeft willen bevoordelen;
dat het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat het aan belanghebbendes dochter opgekomen voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente over de haar door de grootmoedermaatschappij verstrekte lening, zijn oorzaak niet vond in de bedrijfsuitoefening van belanghebbendes dochter doch uitsluitend in de vennootschappelijke betrekkingen tussen de drie bedoelde vennootschappen;
dat het Hof terecht dit voordeel niet tot de winst heeft gerekend, aangezien ingevolge artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 daartoe alleen worden gerekend voordelen welke worden verkregen uit onderneming;
dat daarbij niet van belang is of meergenoemd voordeel tot de vermogenssfeer dan wel tot die van baten en lasten behoorde en evenmin hoe het voordeel zou kunnen worden gekwalificeerd, terwijl met betrekking tot een niet tot de winst behorend voordeel een beroep op goed koopmansgebruik niet aan de orde kan komen;
dat het middel mitsdien niet tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep;
Gedaan bij de Heren Vroom, Vice-President, Van der Ven, Wiersma, Antal en Stol, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de een en dertigste mei 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van den Dries.
Conclusie 31‑05‑1978
Inhoudsindicatie
Zweeds grootmoederarrest. Moet een aan een dochtermaatschappij opgekomen voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente over een door de grootmoedermaatschappij verstrekte lening, tot de winst worden gerekend?
L.
Nr. 18.230
Raadkamer A, oorspronkelijk
5 januari 1977.
Mr. Van Soest.
conclusie inzake:
Staatssecretaris van Financiën
tegen:
[X] B.V.
Edelhoogachtbare Heren,
De belanghebbende is een dochtermaatschappij van Lilla [A] A/S ([A]), een in Zweden gevestigde vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Zelf is zij enig aandeelhoudster van [X] Nederland b.v. De belanghebbende en [X] Nederland b.v. vormen een fiscale eenheid, als bedoeld in art. 27 Besluit op de Winstbelasting 1940 en art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Vpb '69). De belanghebbende heeft aan [A] een renteloze schuld, groot Zweedse Kronen (Kr) 1.440.000, uit hoofde van de koop van de aandelen [X] Nederland b.v. (hierna te noemen ‘‘schuld I’‘). [A] heeft aan [X] Nederland b.v. renteloze leningen verstrekt tot een bedrag van, per ultimo 1971, Kr 15.861.000 (‘‘schuld II’‘).
Het Hof heeft beslist, dat bij de berekening van de jaarwinst van de fiscale eenheid een redelijke rente op schuld II in mindering gebracht kan worden, dat zulks niet geldt met betrekking tot schuld I en dat een in 1971 geconstateerde koerswinst op schuld I niet tot de winst over 1971 behoort.
De rekwirant van cassatie (de Staatssecretaris) bestrijdt de eerstgemelde beslissing, dus de aftrek van rente op schuld II.
‘‘Winst is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit onderneming.’‘ (art. 7 Wet op de inkomstenbelasting 1964 – I.B. '64 -).
In de relatie tussen de eigenaar van een eenmanszaak en zijn onderneming blijft de rente-kwestie buiten beschouwing: of hij in zijn winstberekening ‘‘rente’‘ over het ingebrachte kapitaal berekent of niet en, zo ja, hoe veel, is niet van belang. Zou men - conform de bedrijfseconomie - slechts hetgeen een redelijke rente overtreft, als verkregen ‘‘uit onderneming’‘ aanmerken, dan zou toch deze redelijke rente als verkregen ‘‘uit vermogen’‘ tot het inkomen van de eigenaar behoren, zodat het eenvoudiger is de rentepost geheel buiten beschouwing te laten.
Bij een eenmanszaak wordt de rente-kwestie eerst van belang, indien de ondernemer als zodanig vorderingen op of schulden aan derden heeft. Is in dat geval de rente zakelijk bepaald, dan behoort tot de winst hetgeen ontvangen wordt, en is aftrekbaar hetgeen wordt betaald. Problemen rijzen, indien de ondernemer uit persoonlijke overwegingen de rente op nihil, dan wel te laag of te hoog gesteld heeft. Gemakshalve laat ik in hetgeen volgt het geval van een te lage rente onbesproken; theoretisch ligt het geheel analoog aan het geval van renteloosheid. Ik onderscheid dan vier gevallen:
a. de ondernemer heeft een tot zijn ondernemingsvermogen behorende vordering op een derde, waarvoor hij uit hoofde van zijn persoonlijke relatie tot de schuldenaar een te hoge rente heeft bedongen;
b. de ondernemer heeft een tot zijn ondernemingsvermogen behorende vordering op een derde, waarvoor hij uit persoonlijke overwegingen geen rente bedongen heeft;
c. de ondernemer heeft een op zijn ondernemingsvermogen drukkende schuld aan een derde, waarvoor hij uit persoonlijke overwegingen een te hoge rente betaalt;
d. de ondernemer heeft een op zijn ondernemingsvermogen drukkende schuld aan een derde, waarvoor hij uit hoofde van zijn persoonlijke relatie tot de schuldeiser geen rente betaalt.
Ad a. In dit geval behoort de redelijke rente tot de winst uit onderneming, het meerdere tot de inkomsten uit vermogen.
Ad b. H.R. 30 oktober 1968, BNB l969/5 met noot L. Lancée, FED, IB: Art. 6(1) (1950): 315 met noot D. Brüll, Weekblad voor fiscaal recht (W.F.R.) 4931 d.d. 30 januari 1969, jaargang 98, blz. 92 met noot C. van Soest (zie ook C. van Soest, W.F.R. 4942 d.d. 17 april 1969, blz. 339 v.), overwoog, ‘‘dat als beginsel geldt dat in de belasting slechts worden betrokken opbrengsten en inkomsten, die de belastingplichtige werkelijk heeft genoten, en niet ook opbrengsten en inkomsten, die hij desgewenst zou hebben kunnen genieten; dat dan ook, indien een ondernemer om persoonlijke redenen een mogelijkheid tot het behalen van een voordeel in zijn bedrijf onbenut laat en een ander de gelegenheid geeft dit voordeel te behalen, in het algemeen het door die ander genoten voordeel niet tot de belastbare bedrijfswinst van de ondernemer kan worden gerekend; dat er zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, waaronder dit anders is en het voordeel, dat een derde heeft behaald doordat een ondernemer, met prijsgeving van de mogelijkheid dit voordeel zelf in zijn bedrijf te behalen, hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, als een aan dat bedrijf voor daaraan vreemde doeleinden onttrokken voordeel moet worden aangemerkt, dat aan de bedrijfswinst behoort te worden toegevoegd’‘. Er bestaat onzekerheid over, wat ten dezen onder ‘‘bijzondere omstandigheden’‘ valt, maar naar mijn mening is het in overeenstemming met het geciteerde arrest, dat in het algemeen de niet bedongen rente niet als een bij te tellen onttrekking moet worden aangemerkt. Daar staat tegenover, dat zij bij de schuldenaar ook niet aftrekbaar is (verg. Brüll, FED, Vpb: Art. 14:78 v.): als hij een particulier is, omdat van aftrekbare kosten en persoonlijke verplichtingen alleen sprake is indien uitgaven daadwerkelijk gedaan zijn; als hij een ondernemer is wegens de ad d te bespreken jurisprudentie.
Ad c. In dit geval behoort de redelijke rente tot de ondernemingskosten, het meerdere tot de persoonlijke verplichtingen.
Ad d. H.R. 12 februari 1958, BNB 1958/116 met noot J.B.J. Peeters, W.F.R. 4395 d.d. 29 maart 1958, jaargang 87, blz. 298 met noot C. van Soest, overwoog, ‘‘dat evenmin als een belastingplichtige, die voor de uitoefening van zijn bedrijf gebruik maakt van grond, die hem in eigendom toebehoort of wel hem om niet ten gebruike is afgestaan, zijn verlies- en winstrekening mag belasten met de huur- of pachtwaarde van dien grond, een belastingplichtige, die grond pacht tegen een lageren prijs dan normaal zou kunnen zijn bedongen - ook als de oorzaak daarvan is gelegen in de persoonlijke verhouding van partijen -, een hoger bedrag als bedrijfslast in mindering op zijn winst mag brengen dan in werkelijkheid door hem als pachtsom is betaald’‘ (in gelijke zin voor beloning voor arbeid H.R. 4 mei 1955, BNB 1955/223; 20 november 1957, BNB 1957/326; 10 december 1958, BNB 1959/51; 22 maart 1961, BNB 1961/145; zie C. J. Sleddering, W.F.R. 4760 d.d. 8 juli 1965, jaargang 94, blz. 557 e.v.). Dit brengt mede, dat ook niet betaalde rente niet mag worden afgetrokken (aldus ook Sleddering t.a.p., blz. 559). Daar staat tegenover, dat zij bij de schuldeiser ook niet belast is: als hij een particulier is, omdat van inkomsten uit vermogen alleen sprake is indien daadwerkelijk een voordeel is genoten; als hij een ondernemer is wegens het ad b gezegde.
Art. 8, lid 1, Vpb '69 luidt: ‘‘De winst wordt opgevat en bepaald op de voet van de artikelen 7 (en) 9 ... van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 519), behoudens voor zover bij ... deze wet ... anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen tussen de belastingplichtige en een natuurlijk persoon het tegendeel voortvloeit.’‘ Art. 10, aanhef en letter a, Vpb '69: ‘‘Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek: de ... onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, onder welke naam of in welke vorm ook gedaan’‘.
Ten dele door de bepaling van art. 10 Vpb '69, ten dele door de slotclausule van art. 8, lid 1, Vpb '69 wordt de wetstoepasser ingescherpt, dat de winstbepaling van een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal in (ten minste) tweeërlei opzicht onderscheiden is van die van een eenmanszaak: de vennootschap heeft in beginsel geen persoonlijke overwegingen en zij heeft aandeelhouders. Daarom moest uitdrukkelijk geregeld worden, dat de uitkeringen door de vennootschap aan haar aandeelhouders niet aftrekbaar zijn, ook al strekken zij tot beloning voor het ter beschikking stellen van kapitaal.
Derhalve wordt het met geval c parallel lopende geval ook parallel opgelost: indien de vennootschap aan haar aandeelhouder een schuld heeft, waarvoor zij uit hoofde van het aandeelhouderschap een te hoge rente betaalt, dan is slechts de redelijke rente aftrekbaar (H.R. 4 juni 1930, B. 4752; Hof 's- Hertogenbosch 27 februari 1976, BNB 1976/270). De particuliere aandeelhouder geniet de volle rente als inkomsten uit vermogen, te weten de redelijke rente uit zijn vordering, het meerdere uit zijn aandeel. Is de aandeelhouder een lichaam, dan kan het meerdere onder de deelnemingsvrijstelling vallen.
Het met geval b parallel lopende geval wordt echter voor de vennootschapsbelasting anders opgelost dan voor de inkomstenbelasting: indien de vennootschap een vordering op haar aandeelhouder heeft, waarvoor zij uit hoofde van het aandeelhouderschap afziet van rente, dan vormt het bedrag van de redelijke rente een onttrekking (H.R. 1 februari 1928, B. 4219; 16 mei 1928, B. 4273; 25 juni 1928, B. 4299; 10 april 1929, B. 4491; 23 oktober 1929, B. 4591; 7 januari 1970, BNB 1970/62 met noot J.E.A.M. van Dijck, De Nederlandse onderneming 31 juli 1970, jaargang 3, blz. 759; Hof Amsterdam 7 februari 1963, BNB 1963/204; in gelijke zin ook Hof 's-Hertogenbosch 1 oktober 1971, BNB 1972/122, over een vordering op een zustermaatschappij). De particuliere aandeelhouder geniet in theorie de redelijke rente als inkomsten uit vermogen, maar kan haar weer aftrekken als kosten of persoonlijke verplichtingen. Is de aandeelhouder een lichaam dan behoort de redelijke rente enerzijds tot zijn winst, eventueel vallend onder de deelnemingsvrijstelling, en anderzijds tot zijn uitgaven (zie H.R. 8 juni 1960, BNB 1960/198 met noot P. den Boer).
(In het zojuist gezegde wordt geen verandering gebracht door H.R. 20 oktober 1971, BNB 1971/233 met noot A.J. van Soest, FED, Vpb: Art. 14:76 met noot Brüll, Vakstudie-Nieuws (V.-N.) 11 november 1971, punt 14 (zie ook F.H.M. Grapperhaus, Kanttekeningen bij de vrijheid van de ondernemer in het belastingrecht, 1976, noot 79): daar was het oogmerk de aandeelhouder te bevoordelen niet vastgesteld.)
Uit het zojuist besproken geval blijkt, dat de regeling van de vennootschapsbelasting medebrengt de betrekkingen tussen de vennootschap en haar aandeelhouders te toetsen aan de redelijkheid en de invloed van het aandeelhouderschap te elimineren in situaties waarin de regeling van de inkomstenbelasting daartoe niet voert voor wat door persoonlijke overwegingen beïnvloede betrekkingen tussen de ondernemer en derden betreft (verg. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip, 1964, blz. 330 v.). Deze constatering is mede van belang voor de nog te bespreken gevallen.
In het met geval a parallel lopende geval - de vennootschap heeft een vordering op haar aandeelhouder, waarvoor zij uit hoofde van het aandeelhouderschap een te hoge rente ontvangt - ontvangt de vennootschap, algemener uitgedrukt, een te hoge prijs voor haar prestatie jegens de aandeelhouder. In dat geval draagt de normale prijs bij tot de winst van de vennootschap en vormt het meerdere een kapitaalverstrekking van de aandeelhouder aan de vennootschap (verg. H.R. 9 januari 1957, BNB 1957/163 met noot Peeters, betreffende een commissie, hoger dan normaal, door een hoofdkantoor toegekend aan haar bijkantoor ter vergoeding van kosten van het bijkantoor; E. Tekenbroek, BNB 1956/198). Zo draagt ook de redelijke rente bij tot de winst van de vennootschap en vormt het meerdere een kapitaalverstrekking. Bij de aandeelhouder-ondernemer leidt deze kapitaalverstrekking tot een toevoeging aan de boekwaarde van de aandelen en daardoor ook aan de winst. Bij de particuliere aandeelhouder behoort de redelijke rente tot de aftrekbare kosten of de persoonlijke verplichtingen en het meerdere tot de persoonlijke verplichtingen. De in de laatstbedoelde situatie blijkende onevenwichtigheid - de particuliere aandeelhouder kan het excedent aftrekken, bij de vennootschap is het niet belast - kan twijfel oproepen aan de juistheid van het uitgangspunt. Naar het mij voorkomt, is deze onevenwichtigheid echter één van de vele fricties tussen het winstbegrip enerzijds en het inkomstenbegrip anderzijds, waarvan de wetgever er slechts enkele heeft weggenomen door middel van speciale regelingen en de overige heeft aanvaard. Ik meen, dat in ieder geval niet in de sfeer van de winstberekening van de vennootschap de onderhavige frictie - die zich slechts voordoet bij sommige aandeelhouders - door wetsuitlegging weggenomen zou kunnen worden (verg. N. Nobel, Winstrechten, l970, blz. 119).
Dienovereenkomstig moet ook het met geval d parallel lopende geval - de vennootschap heeft een schuld aan haar aandeelhouder, die uit hoofde van het aandeelhouderschap afziet van rente - beschouwd worden als een verbijzondering van de algemene situatie, waarin de aandeelhouder een te lage prijs ontvangt voor zijn prestatie jegens de vennootschap. Ook in dat geval is het verschil tussen de normale prijs en de lage prijs een ‘‘informele’‘ kapitaalinbreng (H.R. 3 april 1957, BNB 1957/165 met noot M.J.H. Smeets). Het zelfde moet dan gelden voor de redelijke rente waarvan betaling achterwege is gebleven. Bij de aandeelhouder-ondernemer leidt de kapitaalinbreng tot toevoeging van de boekwaarde van de aandelen en daarmede aan de winst. Bij de particuliere aandeelhouder behoort de niet-ontvangen rente niet tot het belastbare inkomen. Het voordeel dat de vennootschap ten gevolge van de goedkope kapitaalverschaffing behaalt, kan bij latere uitdeling aan inkomstenbelasting onderworpen zijn, voor zover het het ‘‘gestorte kapitaal’‘ overtreft. Aangezien de vraag, of ‘‘informele’‘ kapitaalstorting het ‘‘gestorte kapitaal’‘ verhoogt, in het onderhavige geval niet aan de orde is, moge ik er te dezer plaatse aan voorbij gaan.
Het door de Staatssecretaris in zijn beroepschrift in cassatie, blz. 2, gemaakte onderscheid ‘‘Informele kapitaalinbrengen kunnen zich naar zijn oordeel niet voordoen in de sfeer van de baten en lasten, doch uitsluitend in de vermogenssfeer.’‘ is, naar het mij voorkomt, vreemd aan het winstbegrip van de vennootschapsbelasting, althans voor wat betreft de in art. 2, lid 5, Vpb. '69 bedoelde lichamen (anders met betrekking tot de term ‘‘kosten’‘ H.R. 20 april 1977, BNB 1977/162 met noot A. Nooteboom). Gelijk ik uiteenzette, dwingt dat winstbegrip ertoe de transacties tussen de vennootschap en haar aandeelhouders te toetsen aan hetgeen objectief, redelijk, normaal is: heeft hetzij bij de vennootschap, hetzij bij de aandeelhouder de bedoeling bestaan de wederpartij te bevoordelen, dan moet de invloed daarvan uit de transactie geëlimineerd worden en moet het daaruit voortvloeiende verschil op rekening geschreven worden van het verkeer tussen de vennootschap en de aandeelhouder. Is sprake van een bevoordeling van de aandeelhouder, dan is er een onttrekking aan de vennootschap en zal door niemand, met name niet door de autoriteit die verantwoordelijk is voor de heffing van de belasting, verdedigd worden, dat zulks uitzondering zou kunnen lijden voor verschuivingen hetzij in de sfeer van de baten en lasten, hetzij in de vermogenssfeer. Maar ook indien sprake is van een bevoordeling van de vennootschap, ontbreekt enige aanwijzing, dat het zojuist bedoelde onderscheid gemaakt zou mogen worden (anders A.J. van Soest, Belastingen, 13e druk door P. den Boer, F.W.G.M. van Brunschot en J. van Soest, 1977, blz. 364): zou in die sfeer de door de aandeelhouder beoogde bevoordeling van de vennootschap als winst worden aangemerkt, dan zou tot die winst gerekend worden, hetgeen niet uit onderneming, maar uit het aandeelhouderschap wordt verkregen. Deze onevenwichtigheid kan niet gelezen worden in de eenvoudige en consequent uitgewerkte bepalingen waarin het winstbegrip is neergelegd en waarin baten en lasten, alsmede vermogensvoor- en -nadelen zonder onderscheid worden beheerst door één enkele formulering (in deze geest A.J. van Soest, BNB 1971/233, met betrekking tot lage rente; verg. ook V.-N. 10 mei 1975, punt 2, met betrekking tot hoge huur, ontvangen van een zustervennootschap).
Indien het door de Staatssecretaris gemaakte onderscheid ten dezen op zou gaan, dan zou, naar het mij voorkomt, een voor langere tijd door de aandeelhouder renteloos aan de vennootschap verstrekte geldlening wel in de vermogenssfeer liggen (het voorbeeld is ook gegeven in de aanvulling van het beroepschrift van de belanghebbende, blz. 7, letter b). In dat geval boekt de vennootschap tegenover de ter leen ontvangen som slechts de (lage) contante waarde als schuld en vormt het verschil informeel kapitaal. In volgende jaren komt de toeneming van de contante waarde van de schuld geleidelijk ten laste van de winst. Dit voorbeeld doet zien, hoe ongerijmd het zou zijn het aangrenzende geval van kort lopende renteloosheid geheel anders te behandelen.
Ook uit de strekking van de bepalingen vloeit naar mijn mening het door de Staatssecretaris gemaakte onderscheid niet voort. Bij de aandeelhouder- ondernemer moet de winst, ook en met name in de sfeer van baten en lasten, bepaald worden met correctie van voor- en nadelen voortvloeiend uit het aandeelhouderschap (zie J.F. Spierdijk, Cahiers de droit fiscal international, LVIb, 1971, blz. 251). Dat hierover nauwelijks jurisprudentie en literatuur bestaat, kan een gevolg zijn van de omstandigheid, dat de problemen zich in de regel slecht laten isoleren: tegenover een nadeel dat de aandeelhouder zich ten behoeve van de vennootschap getroost, staat licht een voordeel dat hij te haren koste geniet (Spierdijk t.a.p., blz. 257 v.). Bovendien is in binnenlandse verhoudingen veelal aan een nauwkeurige analyse van de relatie geen fiscaalrechtelijke betekenis verbonden, zolang de aandeelhouder en de vennootschap van de zelfde cijfers uitgaan (Spierdijk t.a.p., blz. 253). Niettemin is het weinig twijfelachtig, dat in het geval van H.R. 3 april 1957, BNB 1957/165, de moedermaatschappij die goederen tegen een lagere prijs aan de dochtermaatschappij levert, naar Nederlands recht een winst maakt ten bedrage van het verschil tussen de normale prijs en de boekwaarde van de goederen; de normale prijs wordt bij haar geactiveerd door hem, voor zover hij de ontvangen lage prijs te boven gaat, bij te boeken op de boekwaarde van de aandelen in de dochtermaatschappij (zie Spierdijk t.a.p. , blz. 259). Desgelijks schrijft Spierdijk t.a.p., blz. 258, voor ‘‘Loans P is a manufacturing company, not engaged in the lending business ... S. is a wholly-owned subsidiary of P ... P lends S funds ... The loan is on open account and without interest. With regard to Dutch P: Interest will be allocated to P on the amount which it could have charged to an independent third party for a loan contracted under similar circumstances and under the same conditions.’‘ De Ad b beschreven jurisprudentie gaat niet alleen aan de zijde van de (dochter-)vennootschap, maar ook aan die van de aandeelhouder-ondernemer niet op. Men zou kunnen zeggen, dat het aandeelhouderschap behoort tot de ‘‘bijzondere omstandigheden’‘, als bedoeld in H.R. 30 oktober 1968, BNB 1969/5. Van fiscaalrechtelijk belang is de kwestie ook in binnenlandse verhoudingen bij voorbeeld indien de aandeelhouder een lichaam is dat een beroep op de deelnemingsvrijstelling kan doen: het kan dan niet door voor een lening aan de dochtervennootschap geen rente te bedingen bereiken, dat een dienovereenkomstig hoger dividend ten volle belastingvrij zou blijven.
Het beroep dat de Staatssecretaris doet (beroepschrift in cassatie, blz. 3) doet op ‘‘goed koopmansgebruik’‘, is mij niet geheel duidelijk. Het gaat in het onderhavige geval, naar ik uit de stukken afleid, uitsluitend om de vraag, hoe de winst van de belanghebbende in haar totaliteit bepaald moet worden: de vraag is, of de rente die haar aandeelhouder had kunnen bedingen, maar niet bedongen heeft, op de winst in mindering gebracht kan worden. Die vraag wordt beheerst door art. 8, lid 1, Vpb. '69 jo. art. 7 I.B. '64, eventueel ook in verband met art. 10, aanhef en letter a, Vpb. '69. Eerst indien vast staat, wat tot de totale winst behoort c.q. daarop in mindering kan komen, komt de vraag aan de orde, in welk jaar voor- en nadelen in aanmerking genomen worden (art. 8, lid 1, Vpb. '69 jo. art. 9 I.B. '64), en eerst bij de beantwoording van deze vraag speelt ‘‘goed koopmansgebruik’‘ een rol.
Nu kan men zich wel voorstellen, dat ook de laatstbedoelde kwestie in geschil zou zijn. Bij lang lopende leningen zal, gelijk ik uiteen zette, jaarlijks de toeneming van de contante waarde van de schuld ten laste van de winst komen; dat is in theorie iets anders dan het bedrag van de normale rente. Ook kan ik mij voorstellen, dat men zou verdedigen, dat de normale rente eerst afgetrokken mag worden op het ogenblik waarop het - dientengevolge hogere - dividend tot uitkering komt. Ik kan echter in de stukken niet lezen, dat voor geval de onderhavige redelijke rente bij de belanghebbende aftrekbaar is, er ook maar een ogenblik aan getwijfeld is, dat die aftrek van jaar tot jaar zou dienen plaats te vinden. Ook bij mij rijst trouwens bij kennisneming van de door het Hof vastgestelde feiten die twijfel niet.
Ik meen op grond van een en ander, dat bij de bepaling van de winst van een in Nederland gevestigde vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal in mindering gebracht kan worden de rente die zij ter zake van schulden aan haar onmiddellijke of middellijke aandeelhouder zou moeten voldoen indien de rentevoet zou zijn vastgesteld tussen van elkaar onafhankelijke partijen.
Hieraan kan niet afdoen, dat de aandeelhouder in het buitenland gevestigd is: de Nederlandse belastingheffing is niet afhankelijk van de wijze waarop buitenlandse relaties van Nederlandse belastingplichtigen in feite behandeld worden (afgezien van situaties waarin de wet zulks uitdrukkelijk regelt); verg. HR.. 23 april 1958, BNB 1958/179 met noot A.J. van Soest. Met name kan de aftrek van rente niet afhankelijk gesteld worden van het antwoord op de vraag, of zij bij de buitenlandse aandeelhouder als winst wordt verantwoord en dienovereenkomstig belast.
Nu echter de aandeelhouder een in Zweden gevestigde ondernemer is, rijst de vraag, of de tussen Nederland en Zweden bestaande verdrags-verhouding in het vorenstaande wijziging brengt.
Art. 7 van het Verdrag tussen Nederland en Zweden tot het vermijden van dubbele belasting en tot het vaststellen van regelen voor wederzijdse administratieve hulp met betrekking tot belastingen van inkomen en van vermogen d.d. 25 april 1952 bepaalde (in overeenstemming met hetgeen reeds voordien gold: art. VII slotprotocol bij het Verdrag tussen Nederland en Zweden ter voorkoming van dubbele belasting d.d. 21 maart 1935): ‘‘Indien a. een onderneming van een van de Verdragsluitende Staten ... deelneemt ... in het kapitaal van een onderneming van de andere Verdragsluitende Staat ... en ... tussen de twee ondernemingen in haar ... financiële relaties, voorwaarden zijn gemaakt of opgelegd, welke afwijken van die, welke zouden zijn gemaakt tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen voordelen, welke zonder deze voorwaarden zouden zijn opgekomen aan een van de ondernemingen, maar tengevolge van die voorwaarden haar niet zijn opgekomen, begrepen worden in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast. Als gevolg daarvan dienen de noodzakelijke verbeteringen te worden aangebracht met betrekking tot de inkomsten van de andere onderneming.’‘ Van deze bepaling veroorlooft de eerste volzin Zweden [A] aan belasting te onderwerpen over de redelijke rente. De tweede volzin heeft in dit verband geen betekenis, aangezien hij slechts bevestigt hetgeen naar Nederlands recht unilateraal reeds geldt.
Met werking vanaf 1 januari 1969 is het verdrag van 1952 vervangen door een verdrag d.d. 12 maart 1968. Art. 9 van het verdrag van 1968 komt overeen met art. 7, 1e volzin, van het verdrag van 1952. Aan de Toelichtende nota (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1967-1968 - 9618, nr. 1) ontleen ik: ‘‘Daarbij heeft zowel van Nederlandse als van Zweedse zijde de wens voorgezeten om ... zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de tekst van de modelconventie die door het Fiscale Comité van de O.E.S.O. in 1963 is aanbevolen.... Met betrekking tot andere onderwerpen (dan dividenden) die zowel in het geldende verdrag als in het nieuwe verdrag zijn geregeld, bevat het verdrag nagenoeg geen wijzigingen van wezenlijk belang.’‘ Naar het mij voorkomt, heeft het vervallen van art. 7, 2e volzin, van het verdrag van 1952 geen materiële gevolgen (in gelijke zin Nederlandse regelingen van internationaal belastingrecht (losbladig), II.B Verdrag met Zweden. Commentaar art. 9, aant. 2: ‘‘Een redelijke interpretatie brengt o.i., met zich, dat een dergelijke correctie automatisch dient te leiden tot een verlaging van de winst van de onderneming in de andere staat:’‘; verg. nog M. R. Reuvers, FED, Dubb.B.: Verdr. Zweden: 6).
Ik meen derhalve, dat de bilaterale regelingen met Zweden geen wijziging brengen in hetgeen naar Nederlands recht unilateraal geldt.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Parket 1 december 1977.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,