De s in de naam ontleen ik aan 's Hofs uitspraak, blz. 1. In de stukken wordt de naam ook wel zonder s gespeld.
HR, 02-03-1994, nr. 28 709
ECLI:NL:HR:1994:ZC5597
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-03-1994
- Zaaknummer
28 709
- LJN
BH8737
- Roepnaam
vervanging door vaste inrichting
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1994:ZC5597, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑03‑1994; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1993:54
ECLI:NL:PHR:1993:54, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑10‑1993
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1994:ZC5597
- Vindplaatsen
BNB 1994/190 met annotatie van F.W.G.M. van Brunschot
FED 1994/294 met annotatie van X.G.R. AUERBACH
WFR 1994/460, 1
FutD 1994-0423
Uitspraak 02‑03‑1994
Inhoudsindicatie
-
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.709
2 maart 1994
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 december 1991 betreffende de haar voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1981 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 793.130, -- , met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over een bedrag van f 434.781, -- , welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 13 oktober 1993 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1.1. Belanghebbende produceert haardblokken en verwerkt houtkrullen. In 1972 verkocht zij een tot haar vermogen behorende, in Nederland gelegen fabriekscomplex. Voor het verschil tussen de verkoopopbrengst en de boekwaarde werd een vervangingsreserve gevormd.
3.1.2. In 1974 besloot belanghebbende de productie in België te doen plaatsvinden. Zij kocht daartoe in België gelegen fabrieksgebouwen aan. De vervangingsreserve werd afgeboekt op de aanschaffingskosten.
3.1.3. De administratie van de aldus in België ontstane vaste inrichting luidt in Belgische franken.
3.1.4. Op de gebouwen en de machines, behorende tot de vaste inrichting, wordt afgeschreven op basis van de historische kostprijs in Belgische franken. De in de jaarstukken van de vaste inrichting opgenomen bedragen worden ten behoeve van de bepaling van het generale resultaat van de onderneming herrekend in Nederlandse guldens tegen de actuele koers van de Belgische frank. Hierdoor wordt, naast de andere koersverschillen, een valutawinst of valutaverlies op de vaste activa en passiva verantwoord.
3.1.5. In 1976 leende belanghebbende een bedrag van B.frs 27.000.000, welk bedrag omgerekend op basis van de toenmalige koers overeenkwam met f 1.826.300, --. Op de lening, waarvoor hypothecaire zekerheid is verleend, lost belanghebbende jaarlijks een tiende deel af.
3.1.6. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende als gevolg van de devaluatie van de Belgische frank op de vaste activa een valutaverlies geleden van f 231.553, -- , op de hypothecaire geldlening behaalde zij een valutawinst van f 41.740, -- en op de vlottende activa en passiva behaalde zij een valutawinst van f 71.368, --.
3.2. In geschil is
( a) of, en zo ja op welke wijze, het valutaresultaat op de vaste activa en de hypothecaire lening in de winst van belanghebbende moet worden verwerkt en
( b) of de overige valutawinst ten bedrage van f 71.368, -- als winst moet worden verantwoord, en zo ja, of die verantwoording uitsluitend de zogenoemde generale winst geldt dan wel tevens de winst van de vaste inrichting.
( c) of de vervangingsreserve in aanmerking genomen dient te worden zowel bij de berekening van de generale winst als bij de berekening van de winst van de vaste inrichting dan wel uitsluitend bij de berekening van de generale winst.
3.3. Het primaire onderdeel van het middel betoogt dat in de grondslag waarnaar belasting wordt geheven, dient te worden opgenomen het totale resultaat van de in Nederland uitgeoefende activiteiten en het in guldens uitgedrukte bedrag van de winst van de Belgische vaste inrichting, waarna een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting dient te worden verleend, welke gelijk is aan dat gedeelte van het belastingbedrag, dat tot dat belastingbedrag in dezelfde verhouding staat als het in de belastinggrondslag opgenomen bedrag van de winst van de Belgische vaste inrichting tot die grondslag.
Dit betoog moet worden verworpen. Het is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 24, paragraaf 1, onder 2°, 2e volzin van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (Tractatenblad 1970, no. 192) (hierna: het Verdrag), indien de winst uit de vaste inrichting in België in de Nederlandse generale winst wordt begrepen, hetgeen niet meebrengt dat van jaar tot jaar het in guldens uitgedrukte bedrag van de winst uit de Belgische vaste inrichting moet kunnen worden teruggevonden in de Nederlandse generale winst. Het primaire onderdeel van het middel faalt derhalve.
3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de valutawinst van f 71.368, -- behoort tot de (generale) winst van belanghebbende.
Het subsidiaire onderdeel I van het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, betoogt dat vreemde valuta en schulden in vreemde valuta, zolang die bedrijfsgebonden zijn, op grond van goed koopmansgebruik niet tot het nemen van valutawinst behoeven te leiden. Het standpunt van belanghebbende houdt derhalve in dat in het belastbare bedrag de valutawinst ad f 71.368, -- niet behoeft te worden opgenomen, zolang deze winst niet aan het vermogen van de vaste inrichting wordt onttrokken.
Dit standpunt is onjuist. Het stelsel zou immers erop neerkomen dat gerealiseerde winst niet tot uitdrukking wordt gebracht, maar voorshands onbelast voor herbelegging in de Belgische vaste inrichting wordt aangewend, hetgeen een in het kader van de jaarlijkse winstberekening niet toegelaten reservering zou inhouden. Nu het Hof - in cassatie niet bestreden - heeft vastgesteld, dat het bij dit bedrag gaat om winst die een gevolg is van het afwikkelen van vlottende activa en passiva waaronder te dezen moeten worden verstaan de lopende handelsvorderingen en schulden van de vaste inrichting, de in kas gehouden Belgische franken en de in het boekjaar voldane overige schulden in Belgische franken, laat goedkoopmansgebruik niet toe de aldus behaalde winst in 141365F 1992 het onderhavige jaar buiten beschouwing te laten. Het onderdeel faalt derhalve.
3.5. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat voor de winstberekening van de vaste inrichting uitsluitend de kosten van aanschaf in 1974 van de bedrijfshallen in België uitgangspunt zijn en dat, nu artikel 7, paragraaf 2, van het Verdrag uitgaat van de gedachte dat een vaste inrichting als zelfstandige onderneming moet worden benaderd, er geen reden is de afschrijving van deze bedrijfshallen in het kader van de winstberekening van de vaste inrichting te laten plaatsvinden op de kosten van aanschaf van die hallen na afboeking daarop van een vervangingsreserve die niet is ontstaan in en door de bedrijfsuitoefening van de vaste inrichting.
Het subsidiaire onderdeel II van het middel, dat zich tegen dit oordeel richt, betoogt dat voor de berekening van het belastbare bedrag de maatstaven gelden zoals neergelegd in de Nederlandse belastingwetgeving, hetgeen met zich brengt dat de winst van de vaste inrichting moet worden bepaald alsof de vaste inrichting een zelfstandige onderneming is, en dat, nu deze "zelfstandige onderneming" gebruik heeft gemaakt van het afboeken van de vervangingsreserve op de aanschafprijs, ter bepaling van de winst van de vaste inrichting op het vervangende pand dient te worden afgeschreven op basis van de aanschafprijs nadat deze is verminderd met de vervangingsreserve.
Het onderdeel faalt. Bij de toepassing van artikel 7, paragraaf 2, van het Verdrag moet ter bepaling van de winst uit de Belgische vaste inrichting weliswaar het Nederlandse belastingrecht worden toegepast, doch daarbij dient uitsluitend acht te worden geslagen op de feiten en omstandigheden die de vaste inrichting betreffen. De vervangingsreserve is ontstaan in de uitoefening van de onderneming in Nederland, zodat deze niet de Belgische vaste inrichting betreft en uitsluitend bij de bepaling van de generale winst in aanmerking dient te worden genomen.
3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel in geen van zijn onderdelen tot cassatie kan leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 2 maart 1994.
Conclusie 13‑10‑1993
Inhoudsindicatie
-
Nr. 28.709
Derde Kamer A
Vennootschapsbelasting 1981
Parket, 13 oktober 1993
Mr. Van Soest
Conclusie inzake:
B.V. [X]
tegen
de staatssecretaris van Financiën
Edelhoogachtbaar College,
1. Korte beschrijving van de zaak.
1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen het Hof) van 24 december 1991, nr. 3866/89, Fiscaal up to date 20 februari 1992, blz. 9, punt 92-283, en blz. 10, punt 92-284. Het is ingesteld door de belanghebbende, B.V. [X]1.[X] .
1.2. De belanghebbende, die tot 1972 haar onderneming in Nederland dreef, verkocht in dat jaar haar in Nederland geëxploiteerde fabriekscomplex.
1.3. Zij bracht de boekwinst onder in een vervangingsreserve. Zij heeft daartoe tot voor Uw Raad2.moeten procederen. Het internationale aspect is toen in eerste instantie slechts terloops en in cassatie in het geheel niet aan de orde geweest.
1.4. In 1974 kocht de belanghebbende in België gelegen fabrieksgebouwen aan en zette zij aldaar de produktie voort.
1.5. In geschil is a. welke invloed valutaresultaten hebben op het belastbare bedrag en op de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en b. welke invloed de afboeking van de vervangingsreserve in 1974 heeft op de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
1.6. Het Hof heeft het geschil in beide opzichten ten nadele van de belanghebbende beslecht.
1.7. Het tijdig en regelmatig ingestelde beroep in cassatie steunt op een middel van cassatie, waarin drie, met streepjes aangeduide, wetsartikelen als geschonden of verkeerd toegepast worden genoemd en waarvan de grond wordt aangeduid als (beroepschrift in cassatie, blz. 2)
"( . . . ) toelichting ( . . . ) "
Ik onderken daarin een ongenummerd primair onderdeel en een subsidiair onderdeel, dat uit twee, met Romeinse cijfers genummerde, subonderdelen bestaat.
1.8. De staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris) heeft bij vertoogschrift in cassatie het middel bestreden (de Staatssecretaris onderscheidt, aansluitend bij de streepjes, drie middelen).
2. De factoren van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
Art. 24, § 1, van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, van 19 oktober 1970 (hierna te noemen het Verdrag met België van 1970) houdt in (ik nummer waar daar aanleiding toe is, de volzinnen) :
"Met betrekking tot inwoners van Nederland wordt dubbele belasting op de volgende wijze vermeden. 1º. Nederland is bevoegd ( ... ) in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen ( ... ) te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in België mogen worden belast. 2º. (1e volzin) ( ... ) Nederland [verleent] een vermindering op het overeenkomstig het bepaalde onder 1º berekende belastingbedrag. (2e volzin) Deze vermindering is gelijk aan dat gedeelte van het belastingbedrag dat tot dat belastingbedrag in dezelfde verhouding staat, als het gedeelte van het inkomen ( ... ) dat in de onder 1º bedoelde grondslag is begrepen en dat volgens de artikelen 6 [en] 7 ( ... ) van de Overeenkomst in België mag worden belast, staat tot het bedrag van het gehele inkomen ( ... ) dat de onder 1º bedoelde grondslag vormt. ( .. . ) "
Art. XIII van het bij het Verdrag met België van 1970 behorende Protocol houdt in:
"Onder de grondslag bedoeld in artikel 24, paragraaf 1, wordt verstaan ( ... ) de winst in de zin van de Nederlandse [wet] op de ( ... ) vennootschapsbelasting. "
3. De leer van het gedeelte.
3.1. Het middel houdt primair in (ik geef nadere vindplaatsen in het beroepschrift tot cassatie tussen haakjes aan) ,
" (1e vervolgblad) ( ... ) dat de berekeningen als volgt moeten verlopen.
Winst behaald in Nederland berekend volgens de Nederlandse wetgeving | A |
Winst behaald in de vaste inrichting berekend volgens de Nederlandse wetgeving | B |
Belastbaar bedrag | C |
( ... ) (2e vervolgblad) C is overeenkomstig het verdrag en het protocol de grondslag waarover de belasting wordt geheven. B is overeenkomstig het verdrag en het protocol het bedrag dat in C begrepen3.is en in België mag worden belast. Belanghebbende is van oordeel dat de uitspraak van het Gerechtshof in strijd is met het verdrag en bovendien onbegrijpelijk nu het Gerechtshof bepaalt dat de teller van de breuk (hier B) lager moet zijn dan het in C begrepen bedrag dat ter belasting. aan België is toegewezen. ( ... )"
3.2. Art. 7, lid 2, van de Beschikking van de Staatssecretaris van 11 februari 1953, nr. 186, Stort. nr. 30, hield in:
"Wordt een bedrijf ( ... ) zowel binnen het Rijk als in het buitenland uitgeoefend, dan wordt het, voor zoveel de uitoefening in het buitenland betreft, als een afzonderlijk bedrijf ( ... ) beschouwd."
3.3. Art. 1, lid 2, Koninklijk Besluit van 30 augustus 1962, Stb. 344, hield in:
"Onder buitenlands belastbaar inkomen wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van de zuivere opbrengsten, voor zover deze bij het vaststellen van het onzuiver inkomen in aanmerking worden genomen, van de volgende bronnen van inkomen ter zake waarvan een binnen het Rijk wonende ( ... ) persoon buiten het Rijk aan een belasting is onderworpen ( ... ): ( ... ) b. een ( ... ) bedrijf, voor zover hij dat uitoefent met behulp van een buiten het Rijk aanwezige vaste inrichting ( ... )"
3.4. Vakstudie Nieuws (VN) 10 oktober 1962, blz. 739, punt 2, annoteerde (onder 1):
"In art. 1, tweede lid is tussengevoegd het zinsdeel: "voor zover deze (opbrengsten) bij het vaststellen van het onzuiver inkomen in aanmerking worden genomen". Dit zinsdeel voorkomt het verlenen van een reductie over een bedrag dat slechts verminderd met een bepaald bedrag, belast wordt, zoals overdrachtswinst."
3.5. Art. 2, lid 2, "Besluit voorkoming dubbele belasting"4., Stb. 1965, 145, hield in:
"Het buitenlandse onzuivere inkomen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige geniet als: a. winst uit buitenlandse onderneming, zijnde ( ... ) het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een buiten het Rijk aanwezige vaste inrichting ( ... ); b. ( ... ) ; voor zover die winst [is] onderworpen aan een belasting naar het inkomen, die ten behoeve van een andere Mogendheid wordt geheven. "
3.6. L. Lancée, Winstsplitsing, deel I, Fed's fiscale brochures, IB: 3.6, 1967, betoogt :
"(blz. 40) [van] de theorie ( ... ), welke ik "de leer van het gedeelte" noem, [kan] de inhoud als volgt ( ... ) worden weergegeven: ( ... ) de voor vrijstelling in aanmerking komende winst van de buitenlandse vestiging ener Nederlandse onderneming [wordt] beperkt (of verhoogd) door de eis dat daarin slechts rekening gehouden mag worden met positieve (of negatieve) winstbestanddelen tot hetzelfde bedrag, waarvoor zij in de generale ondernemingswinst voorkomen. ( ... ) (blz. 43) ( ... ) de leer van het gedeelte ( ... ) gaat uit van de gedachte, dat het resultaat van een bedrijfsdeel vanzelfsprekend begrepen moet zijn in het resultaat van het gehele bedrijf. Deze gedachte is juist, wanneer zij wordt toegepast op de gehele levensduur van de vaste inrichting en generale onderneming; niet5.juist wanneer zij wordt toegepast op jaarmoten. ( ... ) (blz. 44) ( ... ) in het K.B. van ( ... ) 1965, hetwelk dat van ( ... ) 1962 verving, bleken ( ... ) de woorden " ... voorzover deze (opbrengsten) bij het vaststellen van het zuivere inkomen in aanmerking worden genomen" ( ... ) zonder toelichting ( ... ) te zijn verdwenen ( ... ) "
houdt in:
3.7. Art. 24 van het Nederlandse "standaardverdrag" houdt in:
"1. Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen ( ... ) te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst in ...... mogen worden belast. 2. (1e volzin) Indien ( ... ) een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt ( ... ) die volgens artikel ( ... ) 7 ( ... ) van deze Overeenkomst in ....... mogen worden belast en die in de ( ... ) grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze [inkomensbestanddelen] vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. ( ... ) "
3.8. Mijn ambtgenoot Verburg betoogde in zijn conclusie voor HR 10 maart 1993, nr. 28.017, BNB 1993/209 met noot F. W. G. M. van Brunschot6., in een situatie waarin via de verdragsverhouding met de Verenigde Staten het hiervóór onder 3.5 geciteerde voorschrift van toepassing was (onder 25, blz. 1543, regels 40-41),
"( .. . ) dat naar geldend recht voor toepassing van de leer van het gedeelte geen plaats is."
Uw Raad overwoog: de (onder 3.3, blz. 1544, van regel 43 af)
"( .. .. ) buitenlandse winst dient niet hoger, maar ook niet lager te worden gesteld dan de winst, die in het buitenland tot uiting komt of kan komen ( ... ), hetgeen medebrengt dat de winst van een buitenlands bedrijfsdeel in beginsel op de grondslag van de buitenlandse valuta zal moeten worden berekend. Het vorenstaande brengt mede dat, nu de valutaresultaten op guldensverplichtingen die tot het vermogen van de vaste inrichting behoren, in de winst van de vaste inrichting, berekend op de grondslag van de valuta van het desbetreffende land, tot uitdrukking zullen komen, deze resultaten, na omrekening van de winst van het buitenlandse bedrijfsdeel uit de buitenlandse valuta in guldens, eveneens behoren tot de winst van de buitenlandse onderneming waarvoor Nederland vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleent."
Van Brunschot annoteerde (onder 4, blz. 1549, regels 12-13),
"( ... ) dat de Hoge Raad de leer van het gedeelte nu eens en voor altijd buiten werking heeft gesteld. ( . . . ) "
Mw. Bender annoteerde (blz. 148, noot 26):
"Bij een verdrag met een formulering die luidt conform art. 24, lid 2 Nederlands Standaardverdrag ( ... ) zou ( ... ) naar mijn mening dezelfde beslissing zijn genomen; mijns inziens is het voldoende dat de v.i .- winst kwalitatief in de grondslag van de Nederlandse belastingheffing is begrepen; niet vereist is dat dat kwantitatief, gulden voor gulden, het geval is."
3.9. Met mw. Bender neem ik voor de uitlegging van art. 24, § 1, onder 2, 2e volzin, Verdrag met België van 1970 aan, dat het voldoende is dat de winst uit de vaste inrichting in België in de Nederlandse generale winst begrepen is en dat niet van jaar tot jaar het in guldens uitgedrukte bedrag van de winst uit de Belgische vaste inrichting in de Nederlandse generale winst teruggevonden behoeft te kunnen worden.
3.10. Derhalve faalt het primaire onderdeel van het middel.
4. Valutaresultaten.
4.1. Het Hof heeft overwogen (onder 5.5) :
" (blz. 7) ( ... ) de ( ... ) valutawinst van f 71.358, -- ( ... ) is ( ... ) een gevolg ( ... ) van het afwikkelen van ( ... ) de lopende handelsvorderingen en schulden van de v.i., de in kas gehouden Belgische franken en de in het boekjaar voldane overige schulden in Belgische franken. (blz. 8) Dit valutaresultaat, waarvoor uitstel van winstneming niet is toegestaan omdat het betrekking heeft op in het boekjaar aangegane en/of afgewikkelde transacties, behoort tot de (generale) winst van belanghebbende ( ... ) "
4.2. Het subsidiaire subonderdeel I houdt in (beroepschrift in cassatie, 3e vervolgblad),
"( ... ) dat vreemde valuta en schulden in vreemde valuta zolang die bedrijfsgebonden zijn, op grond van goedkoopmansgebruik niet tot het nemen van valutawinst behoeven te leiden zodat in het belastbaar bedrag 1981 de valutawinst ad f. 71.368, -- niet behoeft te worden opgenomen ( .. . ) "
4.3. Het standpunt van de belanghebbende komt er op neer - althans ik kan het op geen andere wijze verklaren -, dat valutaresultaten in de generale winst niet in aanmerking genomen behoeven te worden, zolang en voor zover de financiering van de Belgische vaste inrichting in Belgische franken voortduurt.
4.4. HR 3 december 1952, nr. 11.115, BNB 1953/19 met noot A. J. van Soest, overwoog (blz. 61, regels 14-26) ,
"dat het ( ... ) stelsel, waarnaar belanghebbende ( ... ) haar filiaal ( ... ) wil opnemen ( ... ), hierop neerkomt, dat de tot dit filiaal behorende activa en passiva als één geheel worden beschouwd ( ... ); dat de vraag, of een dergelijk stelsel, waarin de gang van zaken in dit filiaal belanghebbendes winst in het algemeen alleen dan zal beïnvloeden, wanneer gelden ( ... ) worden overgemaakt, met goed koopmansgebruik in overeenstemming is, thans in het midden kan blijven, daar het in ieder geval met het oog op art. 10 van het Besluit op de Inkomstenbelasting, zoals dit destijds luidde ( ... ), niet kan worden aanvaard ( ... )"
(aldus ook HR 25 mei 1955, nr. 12.303, BNB 1955/247).
A. J. van Soest annoteerde (blz. 62, regels 42-46) :
"( ... ) dat ook deze vraag ontkennend zal worden beantwoord; het besluit vraagt niet naar de Nederlandse winst, maar naar de totale winst van de Nederlandse vennootschap, van welke laatste dan onder bepaalde omstandigheden het buitenslands verworven gedeelte vrij van belasting kan zijn ( ... )"
4.5. Van Soest Belastingen, 17e druk, 1990, blz. 82, betoogt:
"( ... ) Men zou nu echter de mogelijkheid kunnen verdedigen van opneming van een buitenlands filiaal in de balans als een vaste eenheid ( .. . )"
4.6. Naar het mij voorkomt, zou het stelsel van waardering van het filiaal, i. c. de Belgische vaste inrichting, als een eenheid, in ieder geval de uitwerking die de belanghebbende aan deze gedachte geeft, in strijd komen met de omstandigheid dat het Nederlandse winstbegrip geen andere reserveringen toestaat dan de bepaaldelijk opgesomde. Het stelsel zou er immers op neerkomen dat gerealiseerde winst niet in aanmerking genomen wordt, maar onbelast voor herbelegging in de Belgische vaste inrichting wordt aangewend.
4.7. Nu het Hof heeft vastgesteld, dat het bij dit bedrag gaat om activa en passiva die zijn afgewikkeld, dwingt het Nederlandse belastingrecht ertoe de behaalde winst in aanmerking te nemen.
4.8. Aangezien 's Hofs desbetreffende overweging mij juist voorkomt, meen ik dat het subsidiaire subonderdeel I faalt.
5. De opheffing van de vervangingsreserve.
5.1. Het Hof heeft overwogen (onder 5.6, blz. 8):
"( ... ) Voor de winstberekening van de v.i. zijn ( .. . ) uitsluitend de kosten van aanschaf in 1974 van de bedrijfshallen in België uitgangspunt. Nu de ( ... ) Overeenkomst in artikel 7 paragraaf 2 uitgaat van de gedachte dat een v.i. als zelfstandige onderneming moet worden benaderd, is er geen reden de afschrijving van deze bedrijfshallen in het kader van de winstberekening van de v.i. te laten plaatsvinden op de kosten van aanschaf van die hallen na afboeking daarop van een vervangingsreserve die niet is ontstaan in en door de bedrijfsuitoefening van de v.i."
5.2. Het subsidiaire subonderdeel II houdt in (beroepschrift in cassatie t. a. p.):
"( ... ) Voor de berekening van het belastbaar bedrag gelden de maatstaven zoals neergelegd in de Nederlandse belastingwetgeving. Hierbij moet de winst van de vaste inrichting bepaald worden alsof de vaste inrichting een zelfstandige onderneming is. Deze "zelfstandige onder- neming" heeft gebruik gemaakt van het afboeken van de vervangingsreserve op de aanschafprijs. De op basis van de Nederlandse Wetgeving te bepalen winst van de vaste inrichting moet dan ook een afschrijving op het vervangende pand op basis van de (aanschafprijs minus afboeking vervangingsreserve) , bevatten. ( ... )"
5.3. Art. 4, § 2, 1e volzin, Verdrag met België van 1933 hield in:
"Indien een onderneming ( ... ) vaste inrichtingen heeft in beide verdragsluitende Staten, zal ieder der Staten de belasting heffen over het gedeelte der inkomsten, dat op zijn grondgebied is verkregen."
Voor de toepassing van dit voorschrift overwoog HR 27 april 1960, nr. 14.104, BNB 1960/161 met noot A. J. van Soest (blz. 468, regels 37-47),
"( ... ) dat de winst van een bedrijfsinrichting die een Nederlandse onderneming in België heeft, voor de regeling van haar aanslag in de vennootschapsbelasting niet lager, maar ook niet hoger wordt gesteld dan de winst van de bedrijfsinrichting, die in België ( ... ) in een naar de winst geheven belasting ( ... ) zou worden betrokken in de veronderstelling, dat de Belgische fiscus met betrekking tot de belasting van de bedrijfswinst van voor hem buitenlandse belastingplichtigen zou handelen gelijk de Nederlandse fiscus volgens de hier te lande geldende voorschriften moet handelen met der (lees: de, v.S. ) bedrijfswinst van wie voor hem buitenlandse belastingplichtigen zijn ( ... )"
5.4. HR 4 mei 1960, nr. 14.218, BNB 1960/1637.met noot
A. J. van Soest onder nr. 164, overwoog,
" (blz. 478, van regel 49 af) dat ( ... ) in de Beschikking van ( ... ) 1941 ( ... ) met betrekking tot de wijze waarop de winst van de buitenlandse bedrijfsinrichting moet worden berekend geen andere aanwijzing voorkomt dan die van artikel 3, lid 2 ( ... ), volgens welke, ingeval een bedrijf zowel binnen het Rijk als in het buitenland wordt uitgeoefend, dit, voorzoveel de uitoefening in het buitenland betreft, als een afzonderlijk bedrijf wordt beschouwd; (blz. 479, tot en met regel 11) dat deze aanwijzing ( ... ) meebrengt, dat de buitenlandse bedrijfswinst niet hoger, maar ook niet lager moet worden gesteld dan de winst, die in het buitenland ( ... ) in een naar de winst geheven belasting ( ... ) zou worden betrokken in de veronderstelling, dat de buitenlandse fiscus met betrekking tot de belasting van de bedrijfswinst van voor hem buitenlandse belastingplichtigen zou handelen gelijk de Nederlandse fiscus volgens de hier te lande geldende voorschriften moet handelen met de bedrijfswinst van wie voor dezen fiscus buitenlandse belastingplichtigen zijn ( ... )"
(aldus ook HR 4 mei 1960, nr. 14.203, BNB 1960/165 met noot A. J. van Soest) .
5.5. VN 30 augustus 1961, blz. 602, punt 27, betoogt8.;
"( ... ) Art. 11 stelt geen beperking wat betreft het land waarin wordt vervangen. Indien de vervanging in België plaatsvindt en de ten laste van de in Nederland behaalde winst gevormde reserve in België wordt afgeboekt, wordt de stille reserve overgeheveld van Nederland naar België. Indien het gevolg hiervan zou zijn dat deze reserve in de toekomst door de reductie ter voorkoming van dubbele belasting in feite niet meer zou kunnen worden belast, zou men zich moeten afvragen of art. 11 moet worden beperkt tot vervanging in de Nederlandse sfeer. De tekst geeft voor deze beperking geen aanleiding, maar mogelijk wel het systeem der wet. Wij menen evenwel dat verdedigd kan worden dat voor de toepassing van de reductie ter voorkoming van dubbele belasting de voortaan in België behaalde winst, dient te worden verminderd met het verschil tussen de afschrijving op kostprijs minus afboeking van het vervangende pand en de afschrijving welke op de werkelijke kostprijs zou zijn toegepast. Daarbij wordt de afboeking wel toegepast voor de berekening van de totale winst, maar niet voor die van de aan de Belgische vaste inrichting toe te rekenen winst. Bij deze opvatting bestaat geen bezwaar tegen toepassing van art. 11 I.B. ( . . . ) "
5.6. HR 3 oktober 1962, nr. 14.844, BNB 1962/319, overwoog (blz. 861, regels 40-51),
"dat artikel 1, lid 2, van de Beschikking van ( ... ) 1953 ( ... ) bepaalt, dat onder buitenslands belastbaar inkomen wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van de zuivere opbrengsten van de in dat lid opgesomde bronnen van inkomen ter zake waarvan een binnen het Rijk wonende ( ... ) persoon in een vreemden Staat aan een ten behoeve van dien Staat geheven belasting naar het inkomen is onderworpen; dat ( ... ) onder "zuivere opbrengst" dient te worden verstaan de zuivere opbrengst bedoeld in ( ... ) het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, berekend op de wijze als in de bepalingen van dat Besluit is voorgeschreven, derhalve met inachtneming van de franchise van artikel 20, lid 3 ( ... )"
5.7. HR 12 februari 1964, nr. 15.068, BNB 1964/95 met noot A. J. van Soest9., overwoog (blz. 280, regels 3-7),
"dat art. 7, lid 2, der ( ... ) Beschikking van ( ... ) 1953 niet medebrengt, dat een bedrijfsmiddel, hetwelk slechts ten gebruike is gegeven aan de buitenlandse vaste inrichting, bij wege van fictie aangemerkt zou moeten worden als door die vaste inrichting te zijn aangeschaft tegen een - eveneens bij wijze van fictie - schattenderwijs bepaalden kostprijs ( ... )"
5.8. Th. S. IJsselmuiden, WFR 1964/4733, onder IV, c, betoogt:
" (blz. 1091) ( ... ) Een bedrijf verhuist van de binnenstad naar buiten gelegen industrieterrein. De oude fabriek wordt afgebroken en de grond ( ... ) verkocht. ( . .. ) Vooropgesteld dat de ( ... ) capaciteit ( ... ) gelijk blijft, rijst de vraag of wij de stille reserves in de oude fabriek mogen afboeken op de nieuwe fabriek. Mijns inziens ja ( ... ) (blz. 1093) ( ... ) Wordt een gehele fabriek met machines en installaties verkocht en elders een nieuw bedrijf gesticht - doorgaans zal zich deze situatie voordoen in het kader van een onteigening - dan zal men van de gelegenheid gebruik maken de nieuwe fabriek zo doelmatig mogelijk in te richten. ( ... ) Volgens artikel 14 ( ... ) zou men voor ieder bedrijfsmiddel de boekwinst moeten vaststellen en deze winst alleen mogen doorschuiven wanneer in het nieuwe bedrijf een "vervangend" bedrijfsmiddel wordt geplaatst. "
5.9. Art. 2, lid 3, Besluit voorkoming dubbele belas- ting hield in:
"Bij het bepalen van de winst uit een buitenlandse onderneming worden bedrijfsmiddelen welke voor het drijven van die onderneming worden gebruikt, doch niet van meet af aan daarvoor zijn gebezigd, geacht bij de aanvang van dat gebruik te zijn aangeschaft tegen de waarde ( . . . )"
5.10. Art. 7, § 2, Verdrag met België van 1970 houdt in:
"Indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting, worden in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn, die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk zou handelen."
5.11. Naar ik in mijn conclusie voor HR 12 maart 1975, nr. 17.411, BNB 1975/101 met noot Nooteboom, betoogde (blz. 460, regels 32-33),
" (blz. 460, regels 32-33) ( ... ) kan van vervanging sprake zijn bij verplaatsing van het bedrijf naar een andere vestigingsplaats ( ... ) (blz. 461, regels 37-52) ( ... ) de omstandigheid, dat ten tijde van de verwerving van het pand A-straat de vervroegde afschrijving geschorst was voor panden te P en niet voor panden te Y ( ... ) doet ( ... ) twijfel rijzen, of bij vervanging van een pand te Y door een pand te P de vorming van een vervangingsreserve wel mogelijk is. ( ... ) Nu is het vervangingsbegrip van de vervangingsreserve ( ... ) ruimer dan dat van de ruilarresten, maar uit de wetsgeschiedenis volgt niet, dat deze verruiming zich mede zou uitstrekken tot verschillen in fiscaal regime ( ... ) Nu is het onderhavige verschil niet zeer belangrijk, maar het heeft wel juist betrekking op de ratio van de vervangingsreserve: de vergemakkelijking van de financiering van het vervangende bedrijfsmiddel; blijkens de schorsing van de vervroegde afschrijving hecht de wetgever (in ruime zin) minder waarde aan investeringen in P dan aan investeringen in Y. ( ... )"
(zie voorts mijn hiervóór in noot 1 genoemde conclusie).
5.12. Stevens betoogde in zijn hiervóór in noot 1 genoemde annotatie:
" (blad 59, keerzijde) ( ... ) Het ( ... ) arrest [van 1978] opent voor de belanghebbende de mogelijkheid om te profiteren van het "lek" dat ontstaan is door het Hopperzuigerarrest BNB 1964/95 ( ... ), waarin de Hoge Raad besliste dat voor de berekening van de situswinst van de vaste inrichting dezelfde afschrijving mag gelden als voor de generale winstberekening. ( ... ) Omdat ( ... ) de verdragsbepalingen met België de eenzijdige regeling terzijde schuiven, moet de Nederlandse fiscus ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat hij aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet gaan verlenen voor winsten die aan de Belgische fiscus niet behoeven te worden getoond en in Nederland hun oorsprong hebben. ( .. . ) "
5.13. Een klaarblijkelijk van de Staatssecretaris afkomstige mededeling in Infobulletin 85/710.hield in:
"( ... ) Voorshands ( ... ) bestaat er geen bezwaar tegen dat ( ... ) art. 14 Wet IB 1964 in beginsel toepassing vindt indien binnen het Rijk gelegen onroerende goederen welke tot het vermogen van een onderneming behoren, worden vervangen door dienovereenkomstige in het buitenland gelegen onroerende goederen. Hieraan is evenwel de voorwaarde verbonden dat de totale winst uit onderneming zal worden berekend met inachtneming van afschrijvingen op basis van de historische kostprijs van het in het buitenland gelegen onroerend goed minus de vervangingsreserve terwijl de winst uit het in het buitenland gelegen gedeelte van de onderneming ter bepaling van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting met inachtneming van afschrijvingen op basis van de historische kostprijs wordt berekend, dus zonder afboeking van de vervangingsreserve. ( ... ) Deze voorwaarde dient tegenover de inspecteur schriftelijk te worden aanvaard. ( .. . ) "
5.14. Naar J. Bouwsma en D. B. H. de Bruin, De eenzijdige regeling ter voorkoming van dubbele belasting, Fiscale brochures FED, Diversen 2, 2e druk, 1986, nr. 2.4.4.5, betogen,
" (blz. 56) ( ... ) zal men het vormen van een vervangingsreserve veelal uitsluitend aantreffen in omstandigheden, waarbij het bedrijfsmiddel de generale onderneming heeft verlaten. De vervangingsreserve mag in elk onderdeel van de onderneming worden benut, mits het vervangende, nieuwe bedrijfsmiddel eenzelfde economische functie in de onderneming vervult als het oude ( ... ) (blz. 57) ( ... ) Uitvloeisel van de regeling is ( ... ) dat een binnen de generale onderneming, bij de domicilie-onderneming gevormde vervangingsreserve, in principe, kan worden benut voor een vervanging binnen de situsonderneming. Aannemende dat de situsonderneming rechtstreeks tot vervanging overgaat, is de vraag op welke basis dan de afschrijving in de situsonderneming dient te geschieden. Indien artikel 2, lid 3, Besluit
analoog wordt toegepast, zou de afschrijvingsgrondslag - bij een overbrenging van de vervangingsreserve naar de situsonderneming - uitsluitend binnen de generale onderneming worden verlaagd. Door de hogere afschrijving voor de vrij te stellen situswinst zou de Nederlandse fiscus geleidelijk zijn claim op de vervangingsreserve realiseren. Indien artikel 2, lid 3, Besluit niet analoog wordt toegepast, zou men - uitgaande van het Hopperzuigerarrest tot de kosten van de situsonderneming kunnen rekenen "het bedrag dat de belastingplichtige bij de berekening van haar totale winst wegens afschrijving op dat bedrijfsmiddel in aanmerking heeft genomen; ". De fiscale claim op deze vervangingsreserve behoeft bij deze handelwijze, naar onze mening, evenmin als bij de toepassing van artikel 2, lid 3, Besluit verloren te gaan. Eis is dan dat de vervangingsreserve, voor de berekening van de situswinst, niet op de kostprijs van het vervangende bedrijfsmiddel in mindering wordt gebracht. Er ontstaat bij vervreemding van het vervangende bedrijfsmiddel dan een verschil tussen de vervreemdingswinst binnen de generale onderneming en die binnen de situsonderneming. De heffing over de vervangingsreserve wordt dan uitgesteld. Dit uitstel past binnen de doelstelling van artikel 14 Wet IB 1964. Voorbeeld ter illustratie: De apparatuur ( ... ) wordt ( ... ) aan het einde van het 4e jaar vervreemd. Er is op dat moment bij de domicilie- onderneming een vervangingsreserve gevormd van (blz. 58) f 300.000. In het 5e jaar schaft de situsonderneming apparatuur aan met een aanschafwaarde van f 1.200.000. Deze apparatuur wordt aan het eind van het 6e jaar vervreemd voor f 750.000, zonder dat het voornemen tot vervanging bestaat. Er wordt per jaar 20% van de aanschafwaarde op de apparatuur afgeschreven.
Generale onderneming | Situsonderneming | |
Aanschafwaarde, nieuwe apparatuur | f 1.200.000 | f 1.200.000 |
Benutte vervangingsreserve | f 300.000 | |
Afschrijving 20% per jaar: in situsonderneming conform Hopperzuigerarrest, jaar 5 en 6 | f 360.000 | f 360.000 |
f 540.000 | f 840.000 | |
Vervreemdingsopbrengst | f 750.000 | f 750.000 |
Vervreemdingswinst, resp. vervreemdingsverlies | f 210.000 | f 90.000 |
De fiscale claim op de vervangingsreserve wordt nu gerealiseerd. De vrij te stellen situswinst wordt verlaagd met het vervreemdingsverlies, terwijl er in de generale onderneming winst is."
5.15. Naar G. M. M. Michielse, De vervangingsreserve, Fiscale brochures FED, IB, 3e druk11., 1989, betoogt,
"(blz. 69) ( ... ) 5.1 ( ... ) (blz. 70) ( ... ) kan zich de situatie voordoen dat de gereserveerde boekwinst gehandhaafd blijft in de generale winst, terwijl het buitenland een dergelijke reservering niet accepteert en deze dus uit de buitenlandse winst moet worden verwijderd. Dit lijkt op een onevenwichtigheid. Als men echter bedenkt dat de Nederlandse fiscus zijn claim op de boekwinst - tenminste op termijn - behoudt en dat de belastingplichtige bij het bepalen van de buitenlandse winst met betrekking tot deze boekwinst in de toekomst geen voorkoming van dubbele belasting meer kan claimen, wordt de onevenwichtigheid gereduceerd tot een - vaak overigens niet onaanzienlijk - rentevoordeel voor belastingplichtige. ( ... ) 5.2. ( ... ) (blz. 71) ( ... ) De Staatssecretaris heeft ( ... ) nadere voorwaarden gesteld ( ... ) De Staatssecretaris bereikt hiermee dat een bijna permanent voordeel - onroerend goed heeft immers een lange economische levensduur, waardoor het aanvankelijk optredende nadeel voor de Nederlandse fiscus slechts zéér langzaam in de vorm van hogere "buitenlandse" afschrijvingen wordt terugverdiend - voor belastingplichtige wordt verijdeld. ( ... ) "
5.16. M. Romyn, Internationaal belastingrecht, 4e druk, 1991, betoogt:
" (blz. 36) Met gebruikmaking van de faciliteit van de vervangingsreserve van art. 14 Wet IB kan boekwinst van een vervreemd "binnenlands" bedrijfsmiddel voor de bepaling van de generale winst in mindering worden gebracht op de kostprijs van een vervangend bedrijfsmiddel, ook al behoort dat vervangend bedrijfsmiddel tot het vermogen van een vaste inrichting in het buitenland. Art. 14 Wet IB beperkt de faciliteit niet tot vervanging "binnen de grenzen". Op de balans van de onafhankelijk geachte vaste inrichting zal een vervangend bedrijfsmiddel echter voor de marktwaarde (blz. 37) zijn opgenomen. ( ... ) in deze situatie zullen de afschrijvingen voor de bepaling van de generale winst en die voor de bepaling van de situswinst tijdelijk uiteenlopen. Een hogere afschrijving ten laste van de situswinst c.q. een lagere situsboekwinst bij vervreemding waarborgt dat de Nederlandse fiscus zijn claim over de meerwaarde van het vervangen bedrijfsmiddel uiteindelijk realiseert ( ... ) "
5.17. Naar ik meen, moet ter berekening van de voorkoming van dubbele belasting op grond van art. 7, § 2, Verdrag met België van 1970 de winst uit de Belgische vaste inrichting bepaald worden op basis van haar gegevens, los van gegevens van de generale onderneming die geen betrekking hebben op de Belgische vaste inrichting. Op die, Belgische, gegevens moet het Nederlandse belastingrecht toegepast worden.
5.18. Dat betekent met betrekking tot de opheffing van de vervangingsreserve, dat deze wel de generale winst, maar niet de Belgische winst betreft. Het bestaan van de vervangingsreserve is in de zin van het zojuist onder 5.17 betoogde een "gegeven", dat de Belgische vaste inrichting niet aangaat.
5.19. Anders gezegd: ter bepaling van de winst uit de Belgische vaste inrichting moet weliswaar het Nederlandse belastingrecht worden toegepast, maar alleen en uitsluitend op de feiten en omstandigheden die de Belgische vaste inrichting betreffen. En in dit opzicht is het bestaan van de vervangingsreserve weliswaar een gevolg van de toepassing van het Nederlandse belastingrecht op de generale onderneming, maar, nadat die toepassing eenmaal is geschied, is het bestaan van de vervangingsreserve één van de feiten en omstandigheden, die wel de generale onderneming, maar niet de Belgische vaste inrichting regardeert.
5.20. Indien het anders zou zijn - zou de aanwending van een niet in België ontstane vervangingsreserve ter financiering van een vervanging in België wel leiden tot lagere afschrijvingen in de Belgische vaste inrichting -, dan zou naar mijn oordeel de vervanging niet als een vervanging in de zin van art. 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964 aangemerkt kunnen worden wegens het verschil in fiscaal regime.
5.21. Alsdan zou het afzien van vervanging in Nederland meebrengen dat de gehele vervangingsreserve verplicht aan de generale winst toegevoegd zou moeten worden.
5.22. Het zojuist verwoorde standpunt is evenwel in dit geval buiten de rechtsstrijd. 5.23. Op grond van een en ander meen ik, dat het Hof op goede gronden een juiste beslissing genomen heeft, weshalve het subsidiaire subonderdeel II faalt.
6. Conclusie.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
ag
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑10‑1993
HR 29 november 1978, nr. 18.945, met mijn conclusie, BNB 1979/57 met noot J. Verburg; FED, IB' 64 : Art. 14:56 met noot L. G. M. Stevens.
Cursivering van de belanghebbende.
Ik plaats de naam tussen aanhalingstekens, omdat ik het in de ontwikkelingsgang van het instituut memorabel vind dat het, zo belangrijke, stuk regelgeving eerst in 1965 een officiële naam verkreeg.
Cursivering van Lancée.
Fiscaal arrestenboekje, 2e druk, 1962, nr. 53 met noot A. J. van den Tempel.
Cursiveringen van VN.
VN 11 maart 1964, blz. 167, punt 9; FED, Dubb.B .: Alg. : 78 met noot M. R. Reuvers; Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 1964/4697, blz. 314 met noot Lancée; Maandblad voor Belastingrecht, april 1964, jaargang 32, blz. 100 met noot D. A. van Waardenburg; Belastingbeschouwingen, I.Z. 17 (het oorspronkelijke nummer 16 is later gecorrigeerd) met noot A. Nooteboom.
Van J. H. Kat, De vervangingsreserve.