HR, 24-09-1980, nr. 19 435
ECLI:NL:HR:1980:AW9890
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-09-1980
- Zaaknummer
19 435
- LJN
AW9890
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1980:AW9890, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑09‑1980; (Cassatie)
- Vindplaatsen
BNB 1980/331 met annotatie van H.J. Hofstra
AA19810026 met annotatie van Christiaanse J.H.
Uitspraak 24‑09‑1980
Inhoudsindicatie
Vennootschappen; aandeelhouders; winst; lening.
24 september 1980
nr. 19.435
AdJ.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 februari 1979 betreffende de hem opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1972;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende, aan wie aanvankelijk voor het jaar 1972 een aanslag in de inkomstenbelasting was opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 38.373, -- een aanslag tot navordering van die belasting is opgelegd zonder verhoging naar een belastbaar inkomen van f 72.748, --; dat belanghebbende van laatstgenoemde aanslag in beroep is gekomen bij het Hof;
Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt:
"Op 20 februari 1972 overleed de vader van belanghebbende, [A], als zijn enige testamentaire erfgename nalatende zijn buiten iedere gemeenschap van goederen met hem gehuwde echtgenote, mevrouw [B]. Het echtpaar had vijf kinderen, belanghebbende, zijn zuster [C] en zijn drie broers [D]- , [E] - en [F], die naar aanleiding van de uiterste wilsbeschikking van hun vader allen een beroep op hun wettelijk erfdeel hebben gedaan.
Tot de nalatenschap waren dientengevolge gerechtigd belanghebbendes moeder voor drie/achtste en belanghebbende, zijn zuster en zijn broers ieder voor een/achtste aandeel.
Tot de boedel behoorde de helft van het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal van de naamloze vennootschappen, beide omgezet in besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, "[G]"", gevestigd te [Q] - in totaal geplaatst en volgestort: 50 aandelen à f 1.000, -- - en "[H]", eveneens gevestigd te [Q], met een geplaatst en volgestort kapitaal van 10 aandelen à f 1.000, --. De andere helft van het geplaatste kapitaal van deze vennootschappen - verder aan te duiden als "[I] ", onderscheidenlijk "[H] B.V. " - was en is in handen van een in Zwitserland wonende broer van belanghebbendes vader, [J]: belanghebbendes vader en deze oom van belanghebbende bezaten derhalve ieder 25 aandelen [I] en 5 aandelen [H] B.V. .
[I], opgericht op 14 augustus 1950, exploiteert een groothandel in hout te [Q]. [J] voornoemd is sinds het overlijden van belanghebbendes vader haar enige directeur, belanghebbende en zijn broers [D]- en [X] zijn procuratiehouders van deze vennootschap. In [I] waren ten tijde van het overlijden van belanghebbendes vader grote bedragen aan niet uitgedeelde winsten - voor zover is na te gaan heeft deze vennootschap nimmer dividend uitgekeerd - liquide aanwezig. Ten sterfdage van belanghebbendes vader was de waarde der aandelen [I] te stellen op 4700%.
[H] B.V., opgericht op 22 juni 1948, heeft zich in het verleden onder andere bezig gehouden met het voeren van agenturen en de handel in- en exploitatie van octrooien. Reeds geruime tijd voor het overlijden van belanghebbendes vader waren haar bedrijfsactiviteiten echter practisch gesproken beëindigd en ten sterfdage bestond haar vermogen - ook deze vennootschap heeft, voor zover gebleken, haar winsten nimmer uitgedeeld - nagenoeg uitsluitend uit liquide middelen. De intrinsieke waarde der aandelen [H] B.V. was op 20 februari 1972 naar de schatting van partijen 5500% of in totaal f 550.000, --; na het overlijden van belanghebbendes vader was [J] ook van deze vennootschap de enige directeur.
Blijkens notariële akte, op 22 december 1972 verleden, hebben [J] enerzijds en de gezamenlijke gerechtigden tot de nog onverdeelde nalatenschap van belanghebbendes vader anderzijds ieder hun pakket aandelen [H] B.V. samen mitsdien uitmakende haar gehele geplaatste kapitaal, verkocht aan [I]. Voor elk van beide pakketten is door de koopster de per 20 februari 1972 geschatte intrinsieke waarde van f 275.000, -- betaald; belanghebbendes aandeel in deze opbrengst bedroeg derhalve 1/8 van dat bedrag of f 34.375, --. De aandelen zijn geleverd en de koopsommen zijn betaald op 22 december 1972. Ofschoon zij dat bedrag zonder bezwaar uit de in de loop der jaren geaccumuleerde en liquide in haar vermogen aanwezige winsten contant had kunnen voldoen heeft [I] voor de financiering van het met deze transactie gemoeide bedrag ad in totaal f 550.000, -- een lening van f 402.000, -- bij [H] B.V. opgenomen en slechts voor het resterende bedrag van f 148.000, -- haar eigen liquiditeiten aangesproken.
Bij belanghebbendes aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1972 is van deze transactie geen melding gemaakt en bij de vaststelling van de primitieve aanslag over dat jaar is ter zake derhalve - zoals vermeld is bij die aanslag belanghebbendes aangifte gevolgd - niets in het belastbaar inkomen begrepen. Nadat via een brief van zijn ambtgenoot te [Q], belast met de regeling van de aanslag van de buitenlandse belastingplichtige [J], de feiten betreffende voormelde transactie ter kennis van de Inspecteur waren gekomen heeft hij de onderhavige navorderingsaanslag, waarbij het oorspronkelijk vastgestelde belastbaar inkomen met belanghebbendes aandeel in de opbrengst van het pakket [H] B.V. is verhoogd, aan belanghebbende opgelegd.";
Overwegende dat het Hof, voor zover in cassatie nog van belang, de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
"dat de gemachtigde van belanghebbende ter ondersteuning van zijn standpunt dat de onderwerpelijke aanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd uiteindelijk het volgende, zakelijk weergegeven, heeft aangevoerd:
Belanghebbende had en heeft noch bij [H] B.V. noch bij [I] een aanmerkelijk belang en hij heeft niet slechts alleen, maar ook samen met de medegerechtigden tot de nalatenschap van zijn vader de economische macht over de aandelen [H] B.V. met de onderwerpelijke overdracht verloren; de positie van zijn oom [J] als houder van een 50%-belang bij [I] brengt dat, gezien ook de statuten van die vennootschap, met zich mede. Onder deze omstandigheden vormde de vervreemding van de aandelen [H] B.V. naar het systeem der wet voor belanghebbende niet meer dan een onbelaste vermogenstransactie, zoals ook verkoop van de aandelen [I] - in verband met moeilijkheden met [J] trachten belanghebbende en zijn mede-erfgenamen daartoe thans te komen - zich voor hem buiten de inkomenssfeer zal afspelen. Het staat aandeelhouders die geen aanmerkelijk belang hebben nu eenmaal vrij heffing van inkomstenbelasting te voorkomen door zich van hun aandelenbezit te ontdoen: Dat belanghebbende en zijn medegerechtigden hun aandelen aan [I] hebben verkocht maakt daarbij geen enkel verschil: een willekeurige derde zou op grond van de in [H] B.V. liquide aanwezige winstreserves voor deze aandelen dezelfde prijs hebben betaald als [I] en het stond belanghebbende en zijn mede-erfgenamen uiteraard vrij hun aandelen te verkopen aan wie zij wilden.
In deze is naar het oordeel van de gemachtigde geen sprake van een transactie als aan de orde was bij het arrest van de Hoge Raad van 27 december 1967, B.N.B. 1968/80, en al evenmin, meer algemeen, van een transactie gericht op het verijdelen van belastingheffing. Om deze reden, en ook reeds omdat de onderwerpelijke verkoop - waartoe belanghebbende en zijn mede-erfgenamen zijn overgegaan om de middelen voor het betalen van het door hen in totaal tot een bedrag van f 192.614, -- verschuldigde successierecht ter zake van de nalatenschap op eenvoudige wijze vrij te maken - niets ongebruikelijks heeft, faalt het beroep van de Inspecteur op het leerstuk van de fraus legis evenzeer. Het is niet juist dat de onderwerpelijke verkoop, zoals de Inspecteur stelt, reële practische betekenis zou missen. In deze is toch de economische macht over [H] B.V. van een aantal natuurlijke personen overgegaan naar een rechtspersoon, [I] ;
dat de Inspecteur tegenover de grieven van belanghebbende het volgende, kort samengevat, heeft gesteld:
Het resultaat van de onderwerpelijke transactie is dat f 402.000, -- van de opgepotte winst van [H] B.V. en f 148.000, -- van de opgepotte winst van [I] naar de aandeelhouders is gevloeid, terwijl deze aandeelhouders niets prijs geven. Hun zeggenschap in [H] B.V. is voor en na de transactie immers gelijk. Het enige oogmerk van de transactie is bij belanghebbende en zijn mede-erfgenamen ook geweest het onttrekken van liquide middelen aan de vennootschappen, en wel ten behoeve van de te betalen successierechten. De constructie welke hier aan de orde is vertoont grote overeenkomst met die, welke heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 27 december 1967, B.N.B. 1968/80, met dien verstande dat het onderwerpelijke geval nog eenvoudiger ligt dan het toen berechte: het belang blijft in deze exact gelijk, terwijl het dividend niet wordt uitgekeerd in de vorm van een aflossing op geldleningen, doch in één keer in de vorm van betaling van de koopsom. De feiten wijzen voorts uit dat de verkoop van de aandelen [H] B. V. aan [I], anders dan de gemachtigde betoogt, op zich zelf beschouwd geen reële practische betekenis heeft, maar uitsluitend is geschied met het oogmerk de onttrekking van opgepotte winst uit beide vennootschappen te transformeren in betaling van een koopsom, ten einde op die manier het ontgaan van belasting over de uitdeling van de opgepotte winst te bewerkstellingen. Doel en strekking der wet zouden worden miskend indien op deze wijze uit de reserves van de vennootschappen ontvangen gelden niet zouden worden belast als uitdelingen van winst door [H] B.V. en [I]. Een transactie als de onderhavige is trouwens na het arrest B.N.B. 1968/80 bijzonder zeldzaam en zeker niet algemeen gebruikelijk, zoals de gemachtigde ten onrechte veronderstelt.
Zou het vorenstaande niet worden aanvaard dan zou de conclusie naar het oordeel van de Inspecteur overigens nog niet moeten zijn dat de onderwerpelijke transactie zich buiten de inkomenssfeer afspeelt, maar dat de ontvangen gelden zijn te beschouwen als - naar het proportionele tarief te belasten - inkomsten ter zake van de (middelijke) inkoop van de aandelen [H] B.V. : de aandelen [H] B.V. vervullen na de verkoop aan [I] immers geen wezenlijke functie meer en zouden volstrekt geruisloos kunnen worden ingetrokken.";
Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat het belang bij [H] B.V. en [I] vóór de onderwerpelijke verkoop dezelfde personen tot voor beide vennootschappen identieke fracties aanging, terwijl niet is gesteld of gebleken - en door het Hof dan ook niet wordt aangenomen - dat de statutaire bepalingen van die vennootschappen in dier voege van elkander afweken, dat de gerechtigden tot de nalatenschap in [H] B.V. als gezamenlijke houders van 50% der aandelen een wezenlijk andere - sterkere - positie innamen tegenover de directeur-mede-aandeelhouder [J] en een grotere invloed op het beleid konden uitoefenen, dan waarover zij in [I] beschikten en beschikken;
dat het Hof op grond hiervan met de Inspecteur van oordeel is dat voor de aandeelhouders door de gelijktijdige verkoop van het gehele geplaatste aandelenkapitaal van [H] B.V. aan [I] in de - formeel juridisch voor deze transactie onmiddellijke, daarna middellijke - zeggenschap over- en het economische belang bij eerstgenoemde vennootschap materieel niets is veranderd;
dat ten tijde van de onderwerpelijke transactie kennelijk geen plannen bestonden tot ontbinding van [H] B.V. - deze vennootschap bestaat, voor zover gebleken, thans nog - en dat toen een besluit van die strekking ook niet was te verwachten;
dat, zoals uit de vastgestelde feiten moet worden afgeleid, het geplaatste aandelenkapitaal van [H] B.V. op 22 december 1972 geen andere waarde vertegenwoordigde - de gemachtigde heeft ter zitting deze vennootschap kernachtig getypeerd als "een kast met geld" - dan het totaal van de in die vennootschap aanwezige liquide middelen;
dat deze liquide middelen, gezien de door partijen niet ter discussie gestelde schatting van de intrinsieke waarde van de aandelen naar de toestand ten sterfdage, ten tijde van de onderwerpelijke transactie ongeveer f 550.000, -- moeten hebben belopen, terwijl alleen reeds de liquide in het vermogen van [I] aanwezige geaccumuleerde winsten dat bedrag overtroffen;
dat verder moet worden vastgesteld dat in dit geding aan het Hof niets is gebleken van enig reëel zakelijk belang, afgezien dan van het belang van haar aandeelhouders, hetwelk [I] bij de onderwerpelijke transactie zou hebben gehad;
dat onder deze omstandigheden de conclusie moet zijn dat de betaling door [I] van het bedrag, hetwelk bij deze transactie ten titel van koopsom voor de aandelen [H] B.V. is overeengekomen, in wezen het karakter heeft van - en zowel door [I] als door haar aandeelhouders bepaaldelijk ook is bedoeld als - een uitdeling van een gedeelte der in laatstgenoemde vennootschap geaccumuleerde winsten aan haar aandeelhouders, althans dat die betaling dermate nabij komt aan zodanige uitdeling dat zij ten aanzien van de aandeelhouders daarmede voor de toepassing van artikel 24 der Wet op de inkomstenbelasting 1964 op één lijn moet worden gesteld;
dat, gelijk in het vorenstaande reeds ligt besloten, naar 's Hofs oordeel van een "inkoop van eigen aandelen" - door [I] of [H] B.V. - als door de Inspecteur subsidiair nog aangeroerd in deze niet kan worden gesproken;
dat het vorenstaande tot de slotsom voert dat belanghebbendes aandeel, groot f 34.375, -- , in de opbrengst van het tot de onverdeelde boedel behorende pakket [H] B.V. terecht door de Inspecteur bij de onderhavige navorderingsaanslag als een naar het progressieve tarief belast bestanddeel van belanghebbendes belastbaar inkomen in aanmerking is genomen; ";
Overwegende dat het Hof op die gronden de bestreden navorderingsaanslag heeft gehandhaafd;
Overwegende dat belanghebbende 's Hofs uitspraak bestrijdt met de volgende middelen van cassatie toegelicht gelijk daarachter vermeld:
"1. Schending van het recht met name van artikel 17 van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, nu het Hof een motivering van de uitspraak heeft gegeven, welke niet door de motivering kan worden gedragen.
2. Schending van het recht met name van artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, omdat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld, dat de winst door belanghebbende behaald met de vervreemding van zijn aandelen in [H] B.V. als inkomen uit vermogen dient te worden belast als een naar het progressieve tarief belast bestanddeel van zijn belastbaar inkomen en derhalve niet is een onbelaste vermogenswinst.
Toelichting op de cassatiemiddelen.
Het Hof heeft bij zijn uitspraak terecht vastgesteld, dat de belanghebbende voor 1/16 deel aandeelhouder was in [H] B.V. en derhalve geen aanmerkelijk belang heeft en had in respectievelijk [I] en [H] B.V. .
In het Nederlandse fiscale bestel wordt door de wetgever en de jurisprudentie algemeen aanvaard, dat het de aandeelhouder vrijstaat zich van zijn aandelen te ontdoen om te voorkomen dat hij wordt betrokken in de inkomstenbelasting met betrekking tot ontvangen dividenden.
De vervreemdingswinst blijft bij afwezigheid van een vermogenswinstbelasting onbelast.
De wetgever heeft zulks uitdrukkelijk aanvaard doordien regelingen zijn getroffen, dat winst behaald met de vervreemding van aandelen door natuurlijke personen in bepaalde gevallen onderworpen zijn aan heffing van inkomstenbelasting, zoals bepaald bij artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting (inkoop van eigen aandelen), artikel 25, lid 1, sub e, van de Wet op de inkomstenbelasting juncto artikel 31, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting (liquidatie-uitkeringen en artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting (aanmerkelijk belangwinstheffing) .
Met name de regeling met betrekking tot de belastbare winst uit een vervreemd aanmerkelijk belang duidt erop, dat door de wetgever aangenomen wordt, dat een aandeelhouder, die geen aanmerkelijk belang heeft, niet over de niet-uitgedeelde winsten beschikt, wanneer hij zijn aandelen vervreemdt.
In zoverre is de overweging van het Hof, dat de betaling van het bedrag van de koopsom het karakter heeft van uitdeling van gereserveerde winsten opmerkelijk.
Onbegrijpelijk is echter de overweging van het Hof, dat het aandeelhoudersbelang gericht was op een uitdeling van geaccumuleerde winsten welke uitdeling ook bepaaldelijk werd bedoeld.
Veeleer moeten de aandeelhouders worden geacht hun aandelen tegen de waarde in het economisch verkeer aan een besloten vennootschap, die over voldoende middelen beschikte om de koopsom te voldoen, te hebben vervreemd.
Middelen tot de aankoop van de aandelen zijn door [I] niet op bijzondere wijze vrijgemaakt.
Het Hof heeft terecht overwogen, dat [H] B.V., ten tijde van de vervreemding door de belanghebbende van de aandelen in [H] B.V. aan [I], slechts liquiditeiten had, derhalve geen winstgevende aktiviteiten.
De overweging van het Hof, dat door gelijktijdige verkoop van het gehele geplaatste aandelenkapitaal van [H] B.V. aan [I] in de - formeel juridisch voor deze transactie onmiddellijke, daarna middellijke - zeggenschap over, en het economisch belang bij eerstgenoemde vennootschap niets is veranderd, komt onbegrijpelijk voor, nu immers door het Hof wordt overwogen dat in [H] B.V. ten tijde van de onderhavige aandelentransactie slechts liquiditeiten aanwezig waren.
Gegeven de situatie, zoals die door het Hof is geconstateerd - en waarin de aandelen van [H] B.V. geen andere waarde vertegenwoordigen dan het totaal van de in die vennootschap aanwezige liquide middelen - zijn de aandelen [H] B.V. een gemakkelijk te vervreemden object.
Banken zijn in het algemeen zeer wel bereid om aandelen in een zodanige vennootschap over te nemen.
Van enige belaste vervreemdingswinst zou dan evenmin sprake zijn geweest.
De conclusie moet dan ook luiden, dat het "economisch belang" van de belanghebbende in [H] B.V. nihil was.
Anderzijds achtte [I] het raadzaam [H] B.V. direct te kunnen gebruiken ten behoeve van aktiviteiten, welke direct of indirect aan haar eigen aktiviteiten dienstbaar zijn.
Met name speelde een rol het onroerend goed dat tot het bedrijfsvermogen van [I] behoorde en behoort.
Bedoeld onroerend goed, in de binnenstad van [Q] gelegen, is reeds vele jaren onderwerp van discussie tussen de gemeente [Q] en [I] in verband met de voorgenomen onteigening.
De gemeente [Q] heeft vervangende grond aangeboden in de Binckhorst.
Een en ander is bij de mondelinge behandeling van het Hof aan de orde geweest.
[I] was en is voornemens het te verwerven onroerend goed in te brengen in [H] B.V., omdat een deel van de te bouwen opstallen aan derden zullen worden verhuurd.
Uit het vorenstaande blijkt, dat [I] geen plannen had of heeft tot ontbinding van [H] B.V ..
Anders dan het Hof heeft overwogen, heeft onder de gegeven feiten en omstandigheden in wezen geen uitdeling van geaccumuleerde winsten door [I] aan haar aandeelhouders plaatsgevonden, omdat immers het vermogen van [I] door de onderwerpelijke transactie niet is afgenomen.
De in het leven geroepen toestand is geen andere, dan wanneer de aandelen zouden zijn vervreemd aan derden.
In zodanig geval zou de vermogenswinst evenzeer onbelast gebleven zijn.
Het oogmerk van belanghebbende was niet om op ongeoorloofde wijze belastingheffing te verijdelen, omdat immers ingeval van vervreemding van de aandelen in [H] B.V. aan derden evenzeer van een onbelaste vermogenswinst sprake zou zijn geweest.
Daaraan dient het volgende te worden toegevoegd.
Indien van een verijdeling van belastingheffing gesproken zou moeten worden, zou moeten vaststaan, dat "normaliter" belastingheffing zou hebben plaatsgevonden.
Bij de beoordeling van wat als "normaliter" moeten gelden is 's Hofs karakterisering van de onderhavige transactie als een uitdeling van winst in strijd met de feiten.
Doel en strekking van de Wet zijn niet miskend, nu belanghebbende zich, onder de gegeven feiten en omstandigheden, op alleszins aanvaardbare wijze van de aandelen in [H] B.V. heeft ontdaan. " ;
Overwegende aangaande beide middelen:
dat uit artikel 24 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voortvloeit dat, indien een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal haar reserves - dat is het bedrag aan vermogen dat in haar aanwezig is boven het op de aandelen gestorte kapitaal - uitdeelt aan haar particuliere aandeelhouders, die aldus uitgedeelde reserves bij die aandeelhouders als inkomsten uit vermogen zijn aan te merken;
dat dit niet met zich brengt dat, indien een aandeelhouder als evenbedoeld zijn aandelen aan derden verkoopt en in de koopsom mede een vergoeding is begrepen voor in een dergelijke vennootschap aanwezige reserves, de koopsom in zoverre als inkomsten uit vermogen zou zijn aan te merken;
dat dit laatste echter anders is in het geval alle aandeelhouders hun aandelen verkopen aan een andere vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal waarin zij voor hetzelfde of nagenoeg hetzelfde gedeelte gerechtigd zijn als in de vennootschap wier aandelen worden verkocht, zodat zij hun belang in het aandelenkapitaal van laatstbedoelde vennootschap behouden en voorts aannemelijk is dat die verkoop buiten een beoogd fiscaal voordeel geen zakelijk belang diende;
dat immers weliswaar aldus de koopsom ten laste van de kopende vennootschap en niet ten laste van de vennootschap wier aandelen worden verkocht komt doch eerstbedoelde vennootschap de koopsom, zonder dat dit tot belastingheffing leidt, terstond kan putten uit het aanwezige vermogen van laatstbedoelde vennootschap door deze laatste dividend te doen uitkeren;
dat doel en strekking van voornoemd artikel 24 zouden worden miskend indien de aldus met het oogmerk tot verijdeling van de werking van die bepaling geschapen rechtstoestand niet voor de toepassing van deze bepaling op dezelfde wijze zou worden beoordeeld als de situatie waarin de vennootschap wier aandelen worden verkocht haar reserves aan haar aandeelhouders zou uitdelen;
dat in het onderhavige geval het Hof heeft geoordeeld dat voor de aandeelhouders door de gelijktijdige verkoop van het gehele geplaatste aandelenkapitaal van [H] B.V. aan [I] in de zeggenschap over en het economische belang bij eerstgenoemde vennootschap materieel niets is veranderd, en voorts dat niet is gebleken van enig reëel zakelijk belang, afgezien dan van het belang van haar aandeelhouders, hetwelk [I] bij de onderwerpelijke transactie zou hebben gehad;
dat deze oordelen, die geenszins onbegrijpelijk en van feitelijke aard zijn, in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden;
dat belanghebbende in cassatie nog wel stelt dat [I] voornemens was in [H] B.V. onroerend goed in te brengen doch deze stelling, waarvan uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat zij reeds eerder is voorgedragen, niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, omdat zij een onderzoek van feitelijke aard zou vergen waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt;
dat uit voormelde oordelen van het Hof voortvloeit dat in het onderwerpelijke geval een situatie, zoals hierboven in de derde rechtsoverweging geschetst, aanwezig is, zodat de door belang- hebbende voor de aandelen ontvangen koopsom, voor zover die het op de aandelen gestorte kapitaal overtreft, is te rekenen tot de inkomsten uit vermogen als bedoeld in meergenoemd artikel 24;
dat uit 's Hofs uitspraak blijkt dat de koopsom voor het door belanghebbende verkochte gedeelte van de aandelen [H] B.V. f 34.375, -- en het op die aandelen gestorte kapitaal voor belanghebbendes gedeelte 1/16 x f 10.000, -- of f 625, -- bedroeg, zodat het bedrag van de inkomsten uit vermogen ter zake van de onderwerpelijke verkoop is te stellen niet op f 34.375, -- , zoals het Hof heeft gedaan, doch op f 625, -- lager, derhalve op f 33.750, --;
Overwegende dat uit het bovenstaande voortvloeit dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven en de Hoge Raad de hoofdzaak kan beslissen;
Vernietigt de uitspraak van het Hof;
Vermindert de bestreden navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 72.123, -- onder handhaving van de overige elementen.
Gedaan bij de Heren Vroom, Vice-President, Wiersma, Antal, Stol en Jansen, Raden, en door de Vice-President voornoemde uitgesproken ter Raadkamer van de vier en twintigste september 1900 tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van den Dries.