HR, 24-12-1957, nr. 13 378
ECLI:NL:HR:1957:AY1099
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-12-1957
- Zaaknummer
13 378
- LJN
AY1099
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1957:AY1099, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑12‑1957; (Cassatie)
- Vindplaatsen
BNB 1958/84 met annotatie van H.J. Heilema
Uitspraak 24‑12‑1957
Inhoudsindicatie
Economisch eigendom, boekwaarde.
24 December 1957.
No.13378.
Tw
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Middelburg van 15 December 1956 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1953;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, aan wien een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1953 werd opgelegd, welke door den Inspecteur, na reclame, nader werd geregeld naar een zuiver inkomen van f 13.562,- , van 's Inspecteurs beschikking in beroep is gekomen, doch de Raad van Beroep die beschikking heeft bevestigd, na te hebben overwogen:
"dat partijen ten processe uitsluitend verdeeld zijn over de vraag of appellant, die het bedrijf van landbouwer uitoefent, al dan niet is gerechtigd tot het toepassen ener afschrijving ten bedrage van f 407,90 op de kosten van een in 1950 verbeterde aansluiting van zijn hofstede aan het lichtnet van de N.V. Provinciale Zeeuwse Electriciteits-Maatschappij, hierna te noemen de P.Z.E.M.;
dat appellant met goedvinden van de Inspecteur ter vergadering nog heeft overgelegd: a) een schrijven van de P.Z.E.M. d.d. 7 Maart 1950, waarin hem werd te kennen gegeven, dat de kabel waarlangs tot dusverre de stroom voor appellants hofstede werd betrokken noodzakelijk moest worden vervangen met een omschrijving van de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze vervanging zou kunnen plaatsvinden, en b) een afschrift van de diensvolgens in April 1950 tussen appellant en de P.Z.E.M. gesloten overeenkomst;
dat de inhoud dezer producties volkomen aansluit aan de desbetreffende mededelingen van partijen in haar schrifturen en ter vergadering, waardoor ten processe is komen vast te staan, dat appellant zich des- tijds jegens de P.Z.E.M. contractueel o.m. heeft moeten verplichten om voor eigen rekening de nodige kabelsleuven te graven en weder te dichten en de nieuwe kabel op aanwijzing van de P.Z.E.M. te leggen en voorts om, na gereedkoming van de dusgenaamde "garantielijn", aan de P.Z.E.M. een bijdrage ineens te betalen ter grootte van f 5.618,- zonder nochtans deze nieuwe lijn in eigendom of zelfs maar in mede-eigendom te verwerven;
dat voorts ten processe is gebleken, dat appellant in het bedrijfsjaar 1950/51 o.m. een bedrag van een/derde van deze f 5.618,- vermeerderd met f 500,- voor "installatiekosten van de gebouwen" ten laste van zijn bedrijfswinst heeft gebracht alsmede dat de administratie deze aftrekpost (hoewel naar haar mening door appellant ten onrechte aangeduid als "1/3 extra-afschrijving" en gekoppeld aan een gewone afschrijving van 10% van het na aftrek dezer extra-afschrijving resterende bedrag van f 4.079,-) als opzichzelf juist heeft aanvaard, zulks mede op grond van de overweging, dat de nieuwe kabel-installatie- appellant geeft dit trouwens volmondig toekon en kan worden geacht juist voor een/ derde deel te dienen ten nutte van appellants bedrijf;
dat appellant nu betoogt, primair dat de economische eigendom van de bewuste kabel aan hem zou toekomen hetgeen hem, hoewel via deze kabel ook en zelfs in sterkere mate, electriciteit voor privé doeleinden pleegt te worden betrokken, het recht zou geven om de kabel zelf als bedrijfsmiddel tot zijn bedrijfsvermogen te rekenen, en subsidiair dat de door hem aan de aanleg van deze kabel ten koste gelegde bedragen in ieder geval zouden moeten worden aangemerkt als te zijn besteed aan de verbetering van een zijner bedrijfsmiddelen scilicet zijn boerderij;
dat aan appellant kan worden toegegeven, dat de belastingplichtige onder bepaalde omstandigheden ook goederen, welke niet zijn eigendom zijn doch waarop hij zekere gebruiksrechten kan doen gelden, tot zijn bedrijfsvermogen vermag te rekenen, doch dat de onderwerpelijke kabel, naar 's Raads gevoelen, in ieder geval niet tot appellants bedrijfsvermogen behoort; dat toch deze kabel, al heeft appellant de kosten van deszelfs aanleg, althans voor een belangrijk deel, voor zijn rekening moeten nemen, een onderdeel is blijven vormen van het lichtnet van de P.Z.E.M., dat evenmin als de rest van dit net bij appellant in gebruik ligt, maar dat slechts dient om de door appellant voor zijn privé gebruik en voor zijn bedrijf benodigde electrische stroom van de centrale naar appellants boerderij te voeren;
dat niet is gebleken, dat de aan appellant in 1950 opgedrongen verbetering van zijn aansluiting op het lichtnet door appellant alleen of zelfs maar in hoofdzaak ter wille van zijn bedrijf moest worden aanvaard; dat het dan ook appellant niet vrijstond om naar eigen inzicht te beslissen, dat de kosten dezer verbetering verder dan tot het bedrag, dat - op basis der eerder vastgestelde verhouding tussen het profijt, dat appellants bedrijf uit de aansluiting trekt, en het nut, dat deze aansluiting voor appellants privé oplevert - kan worden geacht in het jaar 1950 ten behoeve van appellants bedrijf aan onkosten voor de nieuwe kabelaanleg te zijn besteed, op het bedrijfsvermogen dienden te drukken; "
Overwegende dat belanghebbende in cassatie, onder vermelding van artikel 8, lid 1, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 en artikel 16 van de wet van 19 December 1914, Staatsblad no. 564, als geschonden, tegen de uitspraak drie grieven heeft aangevoerd, die op het volgende neerkomen:
1º dat de uitspraak ten onrechte vermeldt, dat zij betrekking heeft op den aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1952, hoewel in geding was de aanslag in die belasting voor het jaar 1953; dat de uitspraak derhalve niet juist gewezen is en niet in stand kan blijven;
2º dat de Raad van Beroep ten onrechte heeft beslist, dat belanghebbende den onderhavigen kabel niet tot zijn bedrijfsvermogen mag rekenen; dat weliswaar juridisch de eigendom van dien kabel aan de P.Z.E.M. toebehoort, doch de economische eigendom daarvan aan belanghebbende toekomt en deze deel kan uitmaken van het bedrijfsvermogen;
dat, al moge door middel van den bedoelden kabel ook electriciteit voor privé-doeleinden worden betrokken, belanghebbende de grenzen der redelijkheid niet heeft overschreden door den economischen eigendom van dien kabel als deel van zijn bedrijfsvermogen aan te merken;
3º dat, zo de meervermelde kabel en de uitbreiding der binneninstallatie niet als een afzonderlijk deel van het bedrijfsvermogen kunnen worden beschouwd, zij toch als verbetering van de tot het bedrijfsvermogen behorende boerderij tot dat vermogen moeten worden gerekend; dat de Raad van Beroep de door belanghebbende voor den aanleg van den kabel en de uitbreiding van de binneninstallatie gedane uitgaven ten onrechte niet als kosten van verbetering van de boerderij heeft aangemerkt, doch als onkosten, welke slechts voorzover zij ten nutte van het bedrijf hebben gestrekt, als bedrijfskosten op de winst in mindering kunnen worden gebracht;
Overwegende omtrent de eerste grief:
dat het duidelijk is, dat de vermelding in de uitspraak van het jaar 1952 in stede van het jaar 1953 op een type-fout berust;
dat deze misslag aan een juiste uitvoering van de uitspraak niet in den weg heeft kunnen staan en derhalve belanghebbende geen nadeel heeft kunnen toebrengen;
dat de grief mitsdien niet tot cassatie kan leiden;
Overwegende met betrekking tot de tweede grief:
dat, wil iemand als "economisch eigenaar" van een zaak, waarvan de eigendom naar burgerlijk recht aan een ander toebehoort, kunnen worden aangemerkt, vereist is, dat economisch het belang bij die zaak geheel aan hem toekomt, hetgeen insluit, dat het risico van de waardeveranderingen en het eventuele tenietgaan van de zaak ten volle door hem wordt gedragen; dat niet gebleken en zelfs niet gesteld is, dat met betrekking tot den onderhavigen electriciteits-kabel enig risico als voormeld door belanghebbende wordt gelopen;
dat de Raad van Beroep dan ook terecht heeft beslist, dat de economische eigendom van dien kabel niet aan belanghebbende toekomt en mitsdien geen deel van zijn bedrijfsvermogen vormt;
dat de grief dus ongegrond is;
Overwegende aangaande de derde grief:
dat juist is, dat de aanleg van den meervermelden kabel en de daarmede samenhangende uitbreiding van de binneninstallatie een verbetering van de tot belanghebbendes bedrijfsvermogen behorende boerderij hebben teweeg gebracht;
dat derhalve de hiervoor door belanghebbende gedane uitgaven kosten van verbetering van die boerderij vormen, met het bedrag waarvan haar boekwaarde dient te worden verhoogd, en niet - gelijk de Raad heeft aangenomen - onkosten zijn, die slechts voorzover zij ten behoeve van het bedrijf zijn gemaakt als bedrijfslast op de winst in mindering kunnen worden gebracht;
dat aan belanghebbende behoort te worden toegestaan de boekwaarde van de boerderij te verhogen met het bedrag der vorenbedoelde uitgaven verminderd met de reeds in het boekjaar 1950/1951 toegepaste afschrijvingen, om vervolgens op de aldus verhoogde boekwaarde de normale jaarlijkse afschrijving toe te passen;
dat, wijl de verbetering van de electriciteits-voorziening mede ten nutte is gekomen van het woongedeelte van de boerderij, nog de vraag onder de ogen zal moeten worden gezien, of zulks al dan niet tot een verhoging van de huurwaarde van dat woongedeelte aanleiding geeft;
dat uit het bovenontwikkelde volgt, dat de uitspraak niet in stand kan blijven, terwijl verwijzing moet plaats vinden;
Vernietigt de bestreden uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Middelburg;
Verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, van Rijn van Alkemade, Wiarda, van der Loos en Tekenbroek, Raden, en door den Vice-President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den vier en twintigsten December 1900 zeven en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Verstraaten.