FED 1985/70
In casu was de heffing van een rioolrecht voor het belastingjaar 1980 van de zakelijk gerechtigden voor belanghebbende in zodanige mate voorzienbaar, dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigde af te wijken van het rechtsbeginsel, dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden.
HR 24-10-1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8569, m.nt. M.J. Smid
- Instantie
Hoge Raad (Belastingkamer)
- Datum
24 oktober 1984
- Magistraten
Dijk, Van; Vucht, Van; Stoffer; Verburgh; Baardman
- Zaaknummer
22456
- Noot
M.J. Smid
- LJN
AC8569
- JCDI
JCDI:ADS204517:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Belastingen van lagere overheden / Gemeentelijke belastingen
Fiscaal procesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1984:AC8569, Uitspraak, Hoge Raad (Belastingkamer), 24‑10‑1984
- Wetingang
Art. 277 gemeentewet
Essentie
In casu was de heffing van een rioolrecht voor het belastingjaar 1980 van de zakelijk gerechtigden voor belanghebbende in zodanige mate voorzienbaar, dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigde af te wijken van het rechtscommit; beginsel, dat wetgevende maatregelen alleen voor de toekomst behoren te gelden.
Uitspraak
De gemeente Havelte heeft voor het jaar 1980 een Verordening rioolrecht 1980 vastgesteld, waarvan de voor dit geding van belang zijnde bepalingen luiden als volgt:
'Art. 1. 1. In de gemeente Havelte wordt onder de naam rioolrecht een recht geheven voor het hebben van een aansluiting op de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.