FED 1991/114
Voor de toepassing van art. 29, tweede lid, AWR moet de aangifte als geheel in aanmerking worden genomen. Gezien de hoogte van de toegepaste bijtelling ad f 18 200 in verhouding tot het aangegeven belastbaar inkomen van f 38 002, heeft X dit inkomen tot een aanzienlijk bedrag te laag aangegeven en heeft hij daarom de vereiste aangifte niet gedaan.
HR 14-11-1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4441, m.nt. J.B.H. Röben
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14 november 1990
- Magistraten
Dijk, Van; Stoffer; Wildeboer; Urlings; Zuurmond; Soest, Van
- Zaaknummer
26 727
- Noot
J.B.H. Röben
- LJN
ZC4441
- JCDI
JCDI:ADS207985:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1990:ZC4441, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑11‑1990
- Wetingang
Art. 29, tweede lid, AWR
Essentie
Voor de toepassing van art. 29, tweede lid, AWR moet de aangifte als geheel in aanmerking worden genomen. Gezien de hoogte van de toegepaste bijtelling ad f 18 200 in verhouding tot het aangegeven belastbaar inkomen van f 38 002, heeft X dit inkomen tot een aanzienlijk bedrag te laag aangegeven en heeft hij daarom de vereiste aangifte niet gedaan.
Uitspraak
Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting 1984.
Vaststaat:
In het onderhavige jaar was X eigenares van het pand A-straat 1 te Z (hierna: het pand).
Zij woont en woonde ook in 1984 op de eerste etage van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.