HR, 22-07-1985, nr. 22 780
ECLI:NL:HR:1985:AW8220
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-07-1985
- Zaaknummer
22 780
- LJN
AW8220
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1985:AW8220, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑07‑1985; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1985:AW8220
ECLI:NL:PHR:1985:AW8220, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑07‑1985
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1985:AW8220
- Vindplaatsen
BNB 1985/259 met annotatie van A.L.C. Simons
FED 1985/586 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
FutD 1985-0219
BNB 1985/259 met annotatie van A.L.C. Simons
Uitspraak 22‑07‑1985
Inhoudsindicatie
Een onbeperkte doorberekenmogelijkheid van kosten van publikatie en externe adviezen in de hinderwetvergunningleges stelt de aanvrager niet in staat de omvang van die leges te leren kennen en strookt daardoor niet met art. 270, dat vermelding van het tarief in de verordening voorschrijft.
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
22 juli 1985.
nr. 22.780
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] (gemeente [Q]) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 februari 1984 betreffende de van haar door de voormalige gemeente [Z] voor het afgeven van na te melden hinderwetvergunning geheven leges.
1. Aanslag en bezwaar.
Aan belanghebbende is door Burgemeester en Wethouders van de voormalige gemeente [Z] op 1 november 1982 een nieuwe - de gehele inrichting aan de [a-straat 1] te [Z] omvattende - vergunning als vereist bij de Hinderwet verleend. Burgemeester en Wethouders hebben voor het afgeven van die vergunning van belanghebbende leges geheven ten bedrage van f. 22.360,67, op het aanslagbiljet gespecificeerd als: "leges f. 39, -- , publikatiekosten f. 239,62, advieskosten [A] f. 22.082,05". Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, door Burgemeester en Wethouders gehandhaafd.
2. Legesverordening.
In de voormalige gemeente [Z] gold in 1982 een legesverordening; waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen luiden als volgt:
Artikel 1.
Aard van de belasting.
Voor het door of vanwege de gemeente verlenen van de in deze verordening omschreven diensten worden overeenkomstig de bepalingen van deze verordening rechten geheven onder de naam "leges".
Artikel 2.
Belastingplicht.
De leges worden geheven van degene op wiens verzoek of aanvrager dan wel ten behoeve van wie een in deze verordening omschreven dienst wordt verleend.
Artikel 3.
Algemeen.
Voor zover in deze verordening niet anders is bepaald voor:
a. elk exemplaar, afschrift of fotokopie, dan wel elk uittreksel uit besluiten, akten of andere stukken, volgens enig wettelijk voorschrift verkrijgbaar gesteld of tegen afgifte waarvan geen bezwaren bestaan, per bladzijde of een gedeelte van een bladzijde | f. 2, - |
b. een afdruk (hieronder ook te verstaan een gecyclostyleerd stuk) van, of. een gedrukt uittreksel uit elk onder a. bedoeld stuk, voor zover afdrukken of gedrukte uittreksels zijn gemaakt, voor elke bladzijde of een gedeelte van een bladzijde | f.1,25 |
c. elke gunstige beschikking op een verzoek in het persoonlijk belang van de aanvrager; behoudens in het geval, dat uit andere hoofde reeds leges. zijn verschuldigd | f.2,50 |
d. elk ander in deze verordening niet met name genoemd stuk tegen afgifte waarvan geen bezwaren bestaan en hetwelk in het bijzonder belang van de aanvrager wordt verstrekt | f.1,50 |
e. een afdruk. van een kaart of tekening voor zover afdrukken voor afgifte aan derden voorradig zijn | f.2,70 |
Artikel 32.
Hinderwet.
Voor het afgeven van:
1.Een vergunning, als bedoeld. in artikel 2, of een tijdelijke vergunning, als bedoeld in artikel 16 van de Hinderwet:
a. voor een niet onder b tot en met g van lid 1 van dit artikel bedoelde inrichting | f. 19,50 |
b. voor een inrichting met een gezamenlijk vermogen der motoren van 25 tot en met 150 pk van meer dan 150 pk | f. 39,40 f. 78, -- |
c. voor een inrichting, als bedoeld in artikel 1, sub III, III-A, IV, X-A, XXII, XXIII, XXV en XXVI van het Hinderbesluit | f. 39,40 |
d. voor een inrichting, als bedoeld in artikel 1, sub II, onder a, van het Hinderbesluit: drukhouders met een gezamenlijke waterinhoud van 1000 tot en met 10.000 liter van meer dan. 10.000 liter | f. 39,40 f. 77,50 |
e. voor een inrichting, als bedoeld in artikel 1, sub V, van het Hinderbesluit, voor zover betreft het bewaren van de daar bedoelde vloeistoffen in tanks met een gezamenlijke inhoud van 3.000 tot en met 18.000 liter van meer dan 18.000 liter | f. 39,40. f. 78, -- |
f. voor een inrichting als bedoeld in artikel 1, sub VIII, van het Hinderbesluit, met een bedrijfsoppervlakte van 100 tot en met 250 m2 van meer dan 250 m2 | f. 39,40 f. 78, -- |
g. voor een stookinrichting met een capaciteit van 250.000 tot en met 1.000.000 kal/h van meer dan 1.000.000 kal/h | f. 39,40 f. 78, -- |
Indien een inrichting valt onder meer dan één der bovengenoemde categorieën, geldt het hoogste tarief van die categorieën.
2. een vergunning, als bedoeld in artikel 6a van de Hinderwet:
a. indien de vergunning niet tevens betrekking heeft op een uitbreiding en/of wijziging van de inrichting | f.19,50 |
b. indien de vergunning tevens betrekking heeft op een uitbreiding en/of wijziging van de inrichting vermeerderd met het tarief, dat wordt geheven voor de uitbreiding en/of wijziging van de inrichting ingevolge lid 1 van dit artikel | f.19,50 |
3. een gunstige beschikking op een verzoek tot het wijzigen of intrekken van voorwaarden | f. 19,50 |
4. een besluit tot verlenging van een tijdelijke vergunning of een besluit tot het omzetten van een: tijdelijke vergunning in een vergunning zonder termijn | f. 13, -- |
5. Het bedrag der in de 1 tot en met 4 genoemde leden wordt verhoogd met de publikatiekosten die door de gemeente moet worden gemaakt in verband met de toepassing van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne.
6. Het bedrag der in de 1 tot en met 4 genoemde leden wordt eveneens verhoogd met de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen.
3. Geding voor het Hof.
Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de vaststaande feiten en het tussen partijen bestaande geschil omschreven als volgt:
Belanghebbende heeft blijkens haar statuten ten doel - voor zover hier van belang - de: handel in hout en aanverwante artikelen en wat tot een en ander behoort, alles in de meest ruime zin.
Zij exploiteert in dit verband een onderneming te [Z]. Op 10 juli 1980 verzocht belanghebbende om een vergunning op grond van de Hinderwet.
Op 9 juli 1980 gaven Burgemeester en Wethouders opdracht aan [A] BV te [R] (: [A]) om te adviseren. inzake de betreffende hinderwetvergunning.
[A] raamde -- blijkens haar schrijven van 5 augustus 1980 aan Burgemeester en Wethouders - de kosten op f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, en de te besteden tijd op 12 1/2 werkdag, waarbij eventuele besprekingen met diverse instanties en belanghebbende alsmede eventuele metingen niet ingecalculeerd waren.
De behandeling van belanghebbendes verzoek werd opgeschort in verband met een mogelijke verplaatsing van haar onderneming.
Bij schrijven van 22 mei 1981 deelden Burgemeester en Wethouders belanghebbende mede, dat die verplaatsing, een langer tijdsbestek zou vragen dan oorspronkelijk was gepland, zodat de hinderwetprocedure diende te worden afgewerkt, waartoe zij [A] opdracht hadden gegeven om het verzoek van belanghebbende van 10 juli 1980, ter verkrijging van een hinderwetvergunning, weer ter hand te nemen.
Tevens deelden Burgemeester en Wethouders mede, dat de daaraan verbonden kosten voor rekening van belanghebbende zouden komen, welke kosten geraamd werden op f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting.
Bij schrijven van 11 juni 1981 bevestigde belanghebbende aan Burgemeester en Wethouders; de ontvangst van voormeld schrijven van 22 mei 1981 en vermeldde voort. als - met een vertegenwoordiger van de gemeente - gemaakte afspraak dat zij in een zo vroeg, mogelijk stadium bij het betreffende onderzoek zou worden ingeschakeld, onder meer, omdat de kosten van het onderzoek zo laag mogelijk moesten blijven.
Bij schrijven van 1 juli 1981 deelden Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende mee dat zij van de inhoud van haar voormelde schrijven van 11 juni 1981 goede nota hadden genomen. Voorts houdt dat schrijven in: "De legeskosten voor de hinderwetvergunning bedragen inderdaad plusminus f. 50, -- , daarnaast worden ...... de kosten van een externe deskundige in rekening gebracht, omtrent de raming van de kosten verwijzen wij naar ons schrijven de dato 22 mei. j.l.".
Een schrijven van [A] de dato 14 juli 1981 aan Burgemeester en Wethouders houdt naar aanleiding van een bespreking ten stadhuize en een bezoek aan het bedrijf van belanghebbende op 9 juli 1981 - onder meer - in, dat diverse voor de Hinderwet essentiële onderdelen niet op de tekeningen zijn aangegeven en het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld, weshalve [A] Burgemeester en Wethouders adviseert belanghebbende te verzoeken de aanvraagstukken te verbeteren en/of aan te vullen.
Een schrijven de dato 28 oktober 1981 van [A] aan Burgemeester en Wethouders houdt een verzoek om aanvullende gegevens in.
Bij schrijven van 16 december 1981 zond [A] aan Burgemeester en Wethouders een declaratie toe, in
welk schrijven mededeling werd gedaan van een overschrijding ten aanzien van de kostenraming de dato 5 augustus 1980 ten bedrage van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting.
Het schrijven geeft hierbij de volgende toelichting:
"Deze is veroorzaakt door:
- het verrichten van geluidmetingen op 9 juli 1981, inclusief rapportage;
- het maken van akoestische berekeningen welke in de conceptvoorwaarden zijn verwerkt;
- bespreking geluidmeetrapport op oktober j.l .;
- loon- en prijsstijgingen sinds 1980 omdat onze raming was gebaseerd op het prijspeil juli 1980.
De kosten met betrekking tot de bespreking van de conceptvoorwaarden welke gehouden wordt op 17 december a.s. benevens eventuele aanpassing van de 1e versie conceptvoorwaarden zijn hier uiteraard niet bij inbegrepen".
Bij schrijven van 7 januari 1982 hebben Burgemeester en Wethouders aan [A] om het totaalbedrag van de adviseringskosten gevraagd ten einde belanghebbende daaromtrent te kunnen inlichten.
Bij schrijven van 7 januari 1982 hebben Burgemeester en Wethouders belanghebbende van een en ander mededeling gedaan, op welk schrijven belanghebbende reageerde bij schrijven van 29 januari 1982.
Bij schrijven van 13 mei 1982 deelden Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende mede, dat de totale kosten van [A] f. 22.082,05, inclusief omzetbelasting bedroegen.
Bij schrijven van 8 november 1982 deelden Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende mee, dat de hinderwetvergunning gereed lag, onder opgaaf van het ter zake door belanghebbende verschuldigde bedrag, welke opgaaf als volgt was gespecificeerd:
a. | leges | f. 39,-- |
publikatiekosten | f. 239,62 | |
totaal | f. 278,62 | |
b. | advieskosten, ingenieursbureau [A] | f. 18.713,60 |
18% BTW | f. 3.368,45 | |
totaal | f. 22.082,05 |
Het geschil betreft de vraag of belanghebbende het bedrag wegens advieskosten door [A] ad f. 22.082,05 verschuldigd is - zoals Burgemeester en Wethouders, verdedigen - dan wel f. 10.500, -- + 18%. omzetbelasting ten bedrage van f. 1.890, -- , zijnde in totaal f. 12.390, -- zoals belanghebbende voorstaat.
Het: Hof heeft de standpunten van partijen weergegeven als volgt:
Namens belanghebbende is in het beroepschrift en namens en door haar mondeling ter voormelde zittingen van 27 mei 1983 en 21 november 1983 gesteld - zakelijk weergegeven -:
Primair merken Burgemeester en Wethouders de externe advieskosten ten onrechte aan als onderdeel van een belastingaanslag, aangezien het hier niet gaat om leges bedoeld in artikel 277 aanhef en onder a, van de gemeentewet of rechten onder b van genoemd artikel, ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, doch om: afwenteling van kosten, welke Burgemeester en Wethouders via de gewone rechter dienen te incasseren.
Subsidiair is, zo van een belastingaanslag wel sprake is, die aanslag, voor wat betreft het bedrag ad f. 22.082,05, haar ten onrechte opgelegd, omdat artikel 32, lid 6, van de Legesverordening spreekt van "kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen".
De adviezen van [A] zijn allerminst ten behoeve van haar maar uitsluitend ten behoeve van de gemeente uitgebracht. De adviezen zijn uitgebracht zonder dat daarover overleg met haar heeft plaatsgevonden; zij waren buitengewoon onpraktisch en zijn door de gemeente niet gevolgd bij het verlenen van de vergunning.
Overigens wil zij niet terugkomen op het door haar ter zake aanvaarde: bedrag ad. f. 12.390,- en de bedragen ad. f. 39, -- en f. 239, 62, zodat zij het geschil wil beperken tot een bedrag van f. 22.082,05 - f. 12.390, -- = f. 9.692,05.
Meer subsidiair is de gemeente onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar belangen. Zij heeft niet gevraagd om het dure bureau van [A]. TNO zou goedkoper geweest zijn.
Burgemeester en Wethouders hebben de kosten onvoldoende beperkt en daarmee hun zorgplicht jegens haar onvoldoende in acht genomen.
Nog meer subsidiair zijn Burgemeester en Wethouders gebonden aan de offerte van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, in hun schrijven van 22 mei 1981, nu dit bedrag bij dat schrijven is overeengekomen.
De uitspraak van Burgemeester en Wethouders moet worden vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag van f. 22.360,67 - f . 9.692,05 = f. 12.668,62.
Door Burgemeester en Wethouders is schriftelijk en mondeling namens hen ter voormelde zittingen aangevoerd - zakelijk weergegeven -:
De onderhavige aanslag is opgelegd krachtens de door de Kroon goedgekeurde Legesverordening en wel voor de in de artikelen 1, 2 en 32 bedoelde dienstverlening, bestaande uit het afgeven van een vergunning krachtens de Hinderwet aan belanghebbende. Artikel 32, lid 6, van de Legesverordening bepaalt, dat het bedrag van de onder 1 tot en met 4 genoemde leges verhoogd wordt met de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen. Het gehele bedrag f. 22.082,05 is daarom terecht als leges in de aanslag opgenomen, aangezien hier sprake is van belastingheffing. Zulks is ook in overeenstemming met de wil van de wetgever. Aanvragen om hinderwetvergunningen, welke - zoals de onderhavige aanvraag - moeilijk liggen, worden altijd aan een deskundige voorgelegd, waarbij de gemeente er steeds naar streeft om de kosten zo laag mogelijk te houden. De gemeente heeft overigens die kosten niet in de hand doch is daarbij van de externe deskundige afhankelijk.
Het verschil tussen het oorspronkelijk geraamde bedrag en de uiteindelijke hoogte van de nota valt als volgt te verklaren:
- niet gecalculeerd waren de besprekingen welke mogelijkerwijs met diverse instanties en het bedrijf gehouden moesten worden tijdens de procedure;
- eveneens waren niet gecalculeerd de kosten van eventuele metingen.
Van besprekingen is sprake geweest op 9 juli 1981 en 5 oktober 1981, tevens heeft er een geluidsmeting plaatsgevonden.
De aan de besprekingen en geluidsmeting verbonden werktijd kan, inclusief de verslaglegging, worden bepaald op 6 à 7 werkdagen, waardoor het totaal aantal declarabele dagen voor [A] stijgt van 12,5 (oorspronkelijke raming) tot 19,5.
De einddeclaratie heeft betrekking op 21,6 dagen, waardoor uiteindelijk er slechts sprake is van een overschrijding van de oorspronkelijke raming met: 2,1 dag.
Dit komt ongeveer neer op een overschrijding met 10%. Zij achten dit zonder meer aanvaardbaar, omdat zeer moeilijk een exacte raming kan worden. gemaakt.
Voorts kan de stijging van de declaratie voor een deel worden verklaard door de in de periode 1980 - 1981 plaatsgehad hebbende prijsstijgingen en het feit dat de advisering over de hinderwetaanvraag van belanghebbende na een onderbreking van plusminus 10 maanden opnieuw ter hand moest worden genomen.
Op hun verzoek heeft [A] bij schrijven van 8 juni 1983 aan hen een overzicht laten toekomen van de verrichte werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende. Alhoewel hieruit geen exacte tijdsbesteding - valt af te leiden, menen zij toch dat hiermede- genoegzaam wordt aangetoond dat [A] in alle redelijkheid tot de indiening van de door belanghebbende bestreden nota kon komen. Ten slotte heeft [A] hun nog medegedeeld, dat het onmogelijk is een vergelijking te trekken met andere hinderwetvergunningen. Elke aanvraag om vergunning wordt in principe naar een zelfde procedure afgewerkt.
In hoeverre zulks mogelijk is, is afhankelijk van de vraag in hoeverre er zich problemen voordoen die om nadere studie en onderzoek. vragen. Bij elke aanvraag ligt dit verschillend. De betreffende kosten zijn gemaakt naar aanleiding van belanghebbendes aanvraag om een vergunning. Het zijn kosten voor een advies van een externe deskundige, welk advies de gemeente behoefde ten einde op verantwoorde wijze op belanghebbendes aanvraag te kunnen beslissen. Het zijn derhalve kosten die zonder enige twijfel vallen onder artikel 32, lid. 6, van de Legesverordening.
Zij hebben, alvorens met [A] in zee te gaan, een raming van de desbetreffende kosten gevraagd en aan belanghebbende duidelijk gemaakt, dat het om een raming ging. Van een overeenkomst, waarbij met belanghebbende de hoogte van de door haar verschuldigde advieskosten werd bepaald op f. 10.500,-, exclusief omzetbelasting, is geen sprake. Van onzorgvuldigheid van hun kant is, gezien de werkelijke gang van zaken, eveneens geen sprake.
Zij concluderen tot bevestiging van de bestreden uitspraak.
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
Blijkens artikel 277 van. de gemeentewet worden de door de gemeente gevorderde leges voor gemeentelijke belastingen gehouden. Uit de memorie van antwoord (bladzijde 19, linker kolom) bij voormeld gemeentewetsartikel blijkt, dat - voor zover hier van belang - kosten als die van deskundigen bij hinderwetvergunningen door de gemeente in de leges volledig aan de belanghebbenden zullen kunnen worden doorberekend.
Artikel 32, lid 6, van de Legesverordening bepaalt in dit verband: Het bedrag der in de 1 tot en met 4 genoemde leges wordt eveneens verhoogd met. de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende door de gemeente in te winnen externe adviezen. Het Hof merkt hierbij op, dat. het het woord "leden" in die bepaling - daarbij gelet op de tekst van de artikelen 12, leden 4, 5 en 7, en 13, leden 2 en 4, van de Legesverordening - aanmerkt als een kennelijke drukfout en dit woord leest als: "leges"
Ook de kosten van externe deskundigen worden derhalve voor belastingen gehouden, zodat het Hof, nu de onderhavige aanslag, gedagtekend 8 november 1982, is gebaseerd op voormeld artikel 32, lid. 6, daarbij gelet op de artikelen 281 en. 283 van de gemeentewet, in casu bevoegd is.
Belanghebbende heeft aangevoerd, dat de onderhavige externe adviezen niet ten behoeve van haar maar ten behoeve van de gemeente zijn ingewonnen, doch ten onrechte, nu immers de gemeente die adviezen heeft ingewonnen naar aanleiding van belanghebbendes verzoek tot afgifte van een hinderwetvergunning, ten einde - naar Burgemeester en Wethouders onweersproken hebben gesteld - op verantwoorde wijzer op belanghebbendes aanvraag te kunnen beslissen.
De onderhavige aanslag werd geheel in overeenstemming met de Legesverordening opgelegd.
De rechter moet recht spreken volgens de wet en mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen.
Het Hof kan daarom slechts aan belanghebbendes grief, dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, tegemoetkomen voor zover er duidelijk sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van de leges niet op het oog kan hebben gehad.
Gelet op de aard en hoeveelheid van de door [A] verrichte werkzaamheden, zoals deze blijken uit de specificaties in de door Burgemeester en Wethouders bij hun schrijven van 30 juni 1983 overgelegde correspondentie, en op hetgeen Burgemeester en Wethouders daaromtrent in voormeld schrijven van 30 juni 1983 - onbetwist - hebben aangevoerd, is aan het. Hof van een zodanige willekeurige en. onredelijke belastingheffing in casu niet gebleken.
Belanghebbende beroept zich op een overeenkomst tussen haar en de gemeente, waarbij het bedrag der door haar te dragen kosten voor externe adviezen op f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, zou zijn vastgesteld.
Gelet op de betwisting van een zodanige overeenkomst door Burgemeester en Wethouders, de mededeling van Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende, dat de kosten van een externe deskundige voor haar rekening komen, het omschrijven van het bedrag van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, als raming (brieven van 22 mei 1981 en 1 juli 1981) en de mededelingen van Burgemeester en Wethouders aan belanghebbende met. betrekking tot het verloop van de desbetreffende kosten (brieven van 7 januari 1982, 10 februari 1982 en van 13 mei 1982), is het Hof van oordeel, dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de door haar gestelde overeenkomst aannemelijk te maken, zodat het Hof belanghebbendes beroep daarop verwerpt. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, terwijl aan het Hof daarvan ook op andere wijze niet is gebleken, waaruit blijkt, dat de gemeente bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt, dat belanghebbende de betreffende kosten slechts voor f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, diende te dragen, zodat het Hof aan belanghebbendes stelling, dat Burgemeester en Wethouders aan hun offerte van f. 10.500, -- , exclusief omzetbelasting, gebonden zouden zijn, mede gelet op het vorenoverwogene, voorbijgaat.
Ook belanghebbendes grief, dat Burgemeester en Wethouders onzorgvuldig met haar belangen zijn omgegaan, welke grief het Hof verstaat als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, snijdt geen hout, nu uit de gang van zaken voorafgaande aan en ter voorbereiding van de beslissing tot het verlenen van de onderhavige vergunning aan belanghebbende, zoals die gang van zaken blijkt uit de vaststaande feiten, uit hetgeen Burgemeester en Wethouders daaromtrent, onweersproken, hebben gesteld, en uit de voormelde door Burgemeester en Wethouders bij schrijven van 30 juni 1983 overgelegde correspondentie, van de door belanghebbende gestelde onzorgvuldigheid niet blijkt.
Het Hof verwerpt daarom ook belanghebbendes beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het beroep is niet gegrond.
Op dezer gronden heeft het Hof de uitspraak van Burgemeester en Wethouders bevestigd.
4. Geding in cassatie.
Belanghebbende heeft van 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en heeft daarbij de volgende klachten aangevoerd:
Belanghebbende is van oordeel, dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven wegens verzuim van vormen, voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, subsidiair wegens schending van het recht met uitzondering van het recht van vreemde staten.
Belanghebbendes klachten concentreren zich op de waardering van de volgende feiten: Het door de gemeente [Z] ingeschakelde adviesbureau [A] maakt voor de gemeente [Z] een raming van haar kosten bij brief de dato 5 augustus.1980, welke raming neerkomt op een bedrag van f. 10.500,-, exclusief omzetbelasting. [A] geeft aan, dat bij deze begroting niet zijn begrepen besprekingen en geluidsmetingen. Deze brief wordt echter nooit aan belanghebbende ter kennis gebracht. Belanghebbende krijgt deze pas te zien vóór de tweede mondelinge behandeling bij het Gerechtshof. De gemeente deelt bij brief de dato 22 mei 1981 aan belanghebbende mede, dat de kosten van de deskundige geraamd worden op f. 10.500,-, exclusief omzetbelasting. De restricties die [A] ten aanzien van de gemeente maakt, maakt de gemeente niet ten aanzien van belanghebbende. De gemeente gewaagt er evenmin van, dat de offerte van [A] waar zij zich op baseert, 9 maanden oud is.
Belanghebbende heeft haar betoog op deze feiten bij de tweede mondelinge behandeling toegespitst. Belanghebbende had kenbaar gemaakt, dat zij de kosten zo laag mogelijk wilde houden en tijdig bij het onderzoek wenste te worden ingeschakeld. De gemeente geeft - kennelijk - opdracht tot werkzaamheden, die niet zijn geraamd, zoals het houden van besprekingen en het doen van geluidsmetingen, zonder belanghebbende mede te delen, dat dit leidt tot extra. kosten. Voor belanghebbende was niet kenbaar, dat deze werkzaamheden tot extra kosten zouden leiden. In feite heeft de gemeente een a priori onjuiste opgave gedaan, en deze te laat gecorrigeerd. Hoe zou belanghebbende moeten hebben begrijpen, dat de raming maar een raming was voor het halve werk? Normaal voorzienbare - en in feite ook wel door [A] voorziene - werkzaamheden als besprekingen en geluidsmetingen moesten toch onder een dergelijke raming begrepen zijn!
Hoewel belanghebbende niet heeft betoogd, dat tussen haar en der gemeente een overeenkomst was gesloten, vindt zij wel, dat de gemeente enigermate- gebonden is aan haar opgave. Een afwijking van bijna 100% hoeft belanghebbende niet te tolereren.
Belanghebbende is van oordeel, dat de overheid ten minste dezelfde zorgvuldigheid moet betrachten tegenover de burger, als de burgers tegenover elkaar. Dit klemt nog te meer ingeval de betreffende burger geen invloed heeft op de omvang van de opdracht, maar uitsluitend de overheid deze bepaalt.
Het is geoorloofd om in dit geval aansluiting te zoeken bij het civiele recht. De problematiek die zich hier voordoet is in feite civielrechtelijk, slechts door een merkwaardige wetgeving, waarbij het doorberekenen van overeenkomsten van derden onder leges wordt begrepen, is deze problematiek onder het belastingrecht gebracht. Wat een- beginsel van- goede trouw vormt in het civiele recht, is het beginsel van behoorlijk bestuur in het administratieve recht.
Der raming, richtprijs of globale opgave komt met name voor bij het regiecontract. (Overigens ook het contract, dat [A] met de gemeente sloot). De aannemer is in principe gebonden aan zijn opgave, tenzij deze de opdrachtgever tijdig waarschuwt, dat er een aanmerkelijke overschrijding te verwachten is en partijen tezamen nog kunnen beramen op welker wijze een groter overschrijden dan aanvaardbaar is, te achten kan worden vermeden. Doet de aannemer dit niet, dan acht men een overschrijding van de richtprijs met meer dan 10%, niet toelaatbaar (vergelijk Asser-Kamphuijsen, deel. III, bijzondere overeenkomsten bladzijde 340 en volgende).
De gemeente heeft pas achteraf laten weten, dat de rekeningen aanmerkelijk hoger uitvielen, dan was geraamd. Belanghebbende acht het handelen van der gemeente in strijd met het beginsel van het mogen vertrouwen op opgewekte verwachtingen (rechtszekerheidsbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel). Het Hof overweegt in het algemeen, dat hem van onzorgvuldigheid niets gebleken is, zonder in te gaan op belanghebbendes grief, dat de gemeente een bedrag in rekening brengt, zonder enige waarschuwing vooraf, dat bijna het dubbele is van het tevoren geraamde bedrag, terwijl bij deze raming geen voorbehoud was gemaakt.
Het Hof heeft zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd, althans een onjuiste uitleg gegeven aan de begrippen beginselen van behoorlijk bestuur casu quo zorgvuldigheidsbeginsel.
Door Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q], de rechtsopvolgster van de voormalige gemeente [Z], is een vertoogschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 21 maart 1985 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof alsmede die van Burgemeester en Wethouders en tot vermindering van het door de gemeente aan leges gevorderde bedrag met een bedrag van f. 22.082,05.
5. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie.
5.1. Artikel 270 van de gemeentewet bepaalt dat een gemeentelijke belastingverordening in de daartoe leidende gevallen de in die bepaling, genoemde gegevens moet vermelden.
Met de woorden "in de daartoe leidende gevallen" is blijkens de memorie van toelichting (bladzijde 23, linker kolom) behorende bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot evenvermelde bepaling beoogd tot uitdrukking te brengen dat de desbetreffende gegevens slechts in de verordening behoeven te worden opgenomen voor zover zulks met het oog op de aard van de belasting mogelijk en nodig is.
5.2. Wat betreft het tarief brengt zulks mede, dat de verordening niet - zoals artikel 269 (oud) van de gemeentewet voorschreef - het bedrag van de belasting behoeft te vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het beloop van het van hem te heffen bedrag.
5.3. Artikel 32, aanhef en onder 5 en 6, van de Legesverordening houdt in dat tot de leges verschuldigd voor de in artikel 32, aanhef en onder 1 tot en met 4, vermelde diensten tevens behoren de aldaar nader omschreven - door de gemeente ten behoeve van de aanvrager van de vergunning gemaakte - publikatiekosten en kosten van externe adviezen.
Deze bepalingen laten de belastingplichtige die een hinderwetvergunning wil aanvragen, in het onzekere omtrent de vraag tot welk bedrag door de gemeente publikatiekosten zullen worden gemaakt en of in zijn geval een extern adviesbureau zal worden ingeschakeld en, zo ja, welke omvang de adviesaanvraag zal hebben en welke kosten daaraan zullen zijn verbonden. Zij stelt de belastingplichtige mitsdien niet in staat de omvang van de voor het afgeven van de vergunning verschuldigde leges te leren kennen en is daarom niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 270 van de gemeentewet.
5.4. Aan het vorenoverwogene onder 5.3. doet de in de memorie van antwoord (bladzijde 19, linker kolom) bij meerbedoeld wetsontwep voorkomende opmerking dat kosten van deskundigen bij hinderwetvergunningen door de gemeenten volledig aan de belanghebbenden kunnen worden doorberekend, niet af omdat daarbij niet kan zijn gedacht aan een wijze van doorberekening die de belastingplichtige op de zojuist bedoelde wijze in het onzekere laat omtrent de omvang van zijn verplichtingen.
5.5. Het Hof heeft mitsdien artikel 32, aanhef en onder 5 en 6, van de Legesverordening ten onrechte verbindend geoordeeld. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven en de klachten behoeven geen bespreking.
6. Na cassatie.
De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De aanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van f. 39, -.
7. Beslissing.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en die van Burgemeester en Wethouders en
vermindert de aanslag tot een aanslag ten bedrage van f. 39, --.
Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van Vucht, Van der Vorm, Stoffer en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 22 juli 1985, in tegenwoordigheid van de waarnemend- griffier mr. Verdegaal.
Conclusie 22‑07‑1985
Inhoudsindicatie
Een onbeperkte doorberekenmogelijkheid van kosten van publikatie en externe adviezen in de hinderwetvergunningleges stelt de aanvrager niet in staat de omvang van die leges te leren kennen en strookt daardoor niet met art. 270, dat vermelding van het tarief in de verordening voorschrijft.
A.T.
Nr. 22.780
Parket, 21 maart 1985.
Mr. Moltmaker
Conclusie inzake:
[X] BV
tegen
DE GEMEENTE [Q] (de voormalige gemeente [Z])
Edelhoogachtbaar College,
1. De feiten en de procesgang.
1.1 Artikel 32 van de Legesverordening van de gemeente stelt de bedragen vast welke verschuldigd zijn voor het afgeven van een hinderwetvergunning. De leden 1 tot en met 4 van dat artikel vermelden een aantal relatief geringe vaste bedragen. Ingevolge lid 5 worden de in de leden 1 tot en met 4 genoemde legesbedragen verhoogd met de publikatiekosten die door de gemeente moeten worden gemaakt in verband met de toepassing van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne.
Lid 6 schrijft vervolgens voor dat de legesbedragen genoemd in de leden 1 tot en met 4 eveneens worden verhoogd met de kosten van de ten behoeve van de belanghebbende in te winnen externe adviezen.
1.2 Op 1 november 1982 verleende de gemeente, aan belanghebbende de door deze op 10 juli 1980 gevraagde hinderwetvergunning, ter zake waarvan aan belanghebbende aan leges werd berekend f. 22.360,67, waaronder f. 22.082,05 inclusief BTW (f. 3.368,45) aan advieskosten [A] (t.w. de door de gemeente ingeschakelde externe adviseur [A] BV) .
1.3 Bij brief van 22 mei 1981 had de gemeente aan belanghebbende meegedeeld:
a dat zij [A] opdracht had gegeven het verzoek ter hand te nemen
b dat de daaraan verbonden kosten voor rekening van belanghebbende kwamen
c dat deze kosten - naast t.z.t. nog verschuldigde legeskosten - werden geraamd op f. 10.500, -- exclusief BTW.
1.4 Bij brief van 11 juni 1981 bevestigde belanghebbende een afspraak met een ambtenaar van de gemeente, dat belanghebbende in een zo vroeg mogelijk stadium bij het onderzoek zou worden ingeschakeld (o.m.) om de kosten daarvan zo laag mogelijk te houden.
1.5 De gemeente schreef op 1 juli 1981 dat zij van het verzoek van belanghebbende bij het onderzoek te worden ingeschakeld goede nota had genomen en dat ingevolge artikel 43a van de legesverordening de kosten van een externe deskundige in rekening zouden worden gebracht. Omtrent de raming daarvan werd verwezen naar de brief van 22 mei 1981.
Volledigheidshalve teken ik hierbij aan, dat de hier genoemde legesverordening kennelijk de voorloper was van de in punt 1.1 hiervoor vermelde legesverordening, welke werd vastgesteld op 26 oktober 1981 en goedgekeurd bij K.B. van 5 januari 1982 en welke dus gold op het moment dat de vergunning werd verleend. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de tekst van de oude verordening op dit punt zodanig verschilde van de thans geldende verordening, dat hij erop mocht vertrouwen dat kosten van externe adviezen niet aan hem zouden worden doorberekend. De vraag of een dergelijke stelling met succes zou kunnen worden verdedigd, komt in deze procedure dus niet aan de orde.
1.6 Voor het verdere verloop van de correspondentie verwijs ik naar de uitspraak van het Hof. De bezwaren van belanghebbende tegen de legesheffing werden door de gemeente afgewezen bij besluit van B en W van 26 november 1982.
1.7 Het Hof is van oordeel dat de aanslag geheel in overeenstemming met de legesverordening is opgelegd, dat de rechter recht moet spreken volgens de wet en in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet mag beoordelen.
Van een willekeurige en onredelijke belastingheffing, welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van leges niet op het oog kan hebben gehad, is het Hof i.c. niet gebleken, gelet op de gang van zaken.
Dat tussen de gemeente en belanghebbende een overeenkomst zou zijn gesloten, waarbij de kosten voor externe adviezen op f. 10.500, -- exclusief BTW zouden zijn vastgesteld, acht het Hof niet aannemelijk gemaakt. Het Hof verwerpt voorts het beroep op het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
1.8 In het cassatiemiddel voert belanghebbende o.m. aan, dat zij weliswaar niet heeft betoogd, dat tussen haar en de gemeente een overeenkomst was gesloten, maar dat de gemeente niettemin enigermate is gebonden aan haar opgave. Een afwijking van bijna 100 % zou civielrechtelijk in strijd zijn met de goede trouw, hetgeen in administratiefrechtelijke termen betekent: in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur (in het beroepschrift in cassatie worden meer in het bijzonder genoemd het rechtszekerheidsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel).
2. Beoordeling van het cassatiemiddel.
2.1 Het Hof memoreert uitvoerig de briefwisseling tussen belanghebbende en de gemeente. Het Hof ontleent daaraan het feitelijke en m.i. voldoende gemotiveerde oordeel, dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om de door haar gestelde overeenkomst aannemelijk te maken.
Met de onmiddellijk daarna volgende overweging, dat B en W ook niet aan hun offerte gebonden zijn omdat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, terwijl aan het Hof daarvan ook op andere wijze niet is gebleken, waaruit blijkt, dat de gemeente bij belanghebbende het vertrouwen heeft gewekt ... enz. heeft het Hof m.i. implicite geoordeeld, althans kennelijk bedoeld te zeggen, dat de bedoelde briefwisseling geen feiten en omstandigheden als hiervóór bedoeld bevat. Dit is een waardering van hetgeen door belanghebbende ten processe is aangevoerd, welke waardering van feitelijke aard is en derhalve niet in cassatie kan worden getoetst.
2.2 Gelet op het vorenstaande kon en mocht het Hof m.i. tot het oordeel komen, dat in het onderhavige geval de legesheffing niet in strijd was met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het cassatiemiddel faalt derhalve.
2.3 Er lijkt mij echter alle reden om ambtshalve te onderzoeken of een legesheffing op basis van een open formulering als die van het onderhavige artikel 32 lid 6 van de Legesverordening wel aanvaardbaar is. De formulering van die bepaling is namelijk zodanig, dat de omvang van de belastingschuld niet kenbaar is uit de wet, maar afhangt
a van de vraag welke externe deskundige(n) de gemeente wenst in te schakelen en
b de door de externe deskundige(n) berekende tarieven.
3. Delegatie van wetgevende bevoegdheid.
3.1 Algemeen.
3.1.1 Artikel 104 van de Grondwet (tekst 1983) bepaalt:
"Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van een wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld."
Deze omschrijving bevat, aldus Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 11e druk (1983) blz. 501,
"in 19e eeuwse taal het oude adagium, dat de vorst (de landsheer) geen lasten kon leggen op zijn onderdanen dan met medewerking van hun vertegenwoordigers."
3.1.2 Overeenkomstig de ook elders in de Grondwet van 1983 gebezigde terminologie (zie bijv. de artikelen 14, 15, 20 en 29 Gw.) luidde de oorspronkelijk voorgestelde tekst van artikel 104 (Tweede Kamer, zitting 1978-1979-15.575, nr. 2):
"Belastingen en andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld."
Deze redactie gaf aanleiding tot een parlementaire discussie over de draagwijdte van de in deze terminologie besloten delegatiebevoegdheid. Zie Bijlage II bij de MvT (stuk nr. 4), blz. 11 en 12, waaruit blijkt, dat de bewindslieden het met de Raad van State eens zijn, dat waar delegatie van belastingwetgeving niet te vermijden valt, deze delegatie zoveel mogelijk beperkt dient te blijven tot minder essentiële onderdelen. Zij merken echter tevens op (t.a.p. blz. 12) :
"Hoever de wetgever daarbij mag gaan, en aan welke organen hij mag delegeren, blijkt niet uit de delegatieterminologie. Deze vragen zullen moeten worden beantwoord door andere aspecten van de grondwettelijke opdracht tot wetgeving, als het onderwerp, de historie en de strekking van de bepaling."
De bewindslieden waren er voorts niet van overtuigd, dat door de term "uit kracht van een wet"
"zou zijn aangegeven dat delegatie van belastingwetgeving nimmer betrekking mag hebben op de elementen van het belastbaar feit, de basis van het tarief en de normen die strekken tot het vaststellen van de kring van belastingplichtigen."
In de MvA onderstrepen de bewindslieden nogmaals (Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15.575, nr. 7, blz. 7) dat zij
"niet anders beogen dan de delegatiebevoegdheid ten aanzien van belastingwetgeving beperkt te houden en zich niet verder te doen uitstrekken dan in het verleden het geval is geweest."
en in de Nota naar aanleiding van het eindverslag (stuk nr. 9, blz. 2):
"ons voorstel waarborgt dat geen belasting of ander heffing onder welke benaming ook wordt geheven zonder wettelijke grondslag. Daarbij is over de gehele linie terughoudendheid geboden ten aanzien van delegatie van wetgevende bevoegdheid."
Bij amendement (stuk nr. 10) werd de redactie van artikel 104 Gw. geformuleerd zoals deze thans luidt. Blijkens de toelichting beoogde het amendement tot uitdrukking te brengen dat bij delegatie in de belastingwetgeving grote terughoudendheid geboden is.
3.1.3 De gedachte dat de delegatiebevoegdheid in de belastingwetgeving zo beperkt mogelijk moet worden opgevat, vinden wij ook allerwege terug in de litteratuur. Ik volsta met te verwijzen naar J.A. Schlette, Delegatie in het Nederlands Belastingrecht, diss. VU Amsterdam 1963, en de Geschriften nrs. 122 (Proeve van een nieuwe grondwet) en 131 (Delegatie van wetgevende bevoegdheid) van de Vereniging voor Belastingwetenschap (resp. uit 1968 en 1972), zie ook Geschrift nr. 155 (1981) blz. 80.
3.1.4 Het Europese Hof van Justitie 9 juli 1981, nr. 169/80, Jurisprudentie van het Hof van Justitie 1981, blz. 1931 e.v. overweegt (rov. 17):
"Het beginsel van rechtszekerheid eist dat een regeling waarbij aan de belastingplichtige lasten worden opgelegd duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de belastingplichtige ondubbelzinnig zijn rechten en verplichtingen kan kennen en dienovereenkomstig zijn beschikkingen kan treffen."
3.2 Lagere overheden algemeen.
3.2.1 Dat delegatie zo beperkt mogelijk behoort te zijn, geldt niet alleen voor de in artikel 104 Gw. genoemde belastingen van het Rijk maar evenzeer voor de heffingen van de lagere overheden. Het grote verschil tussen deze beide wordt in Van der Pot-Donner (a.w. blz. 449) als volgt omschreven:
"De rechter zal zich, ook nu de Grondwet poogt aan te geven, hoever delegatie kan gaan, als zij naar de wet verwijst, zich ervan onthouden om te toetsen of de wet niet teveel delegeert. Art. 120 G.W. gebiedt hem die terughoudendheid. Doch waar dat gebod niet geldt, is hij waakzaam tegen te vergaande delegatie."
3.2.2 Toetsing op dit punt van een belastingwet in formele zin aan het Verdrag van Rome tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zal naar ik aanneem volgens de opvatting van Uw Raad zoals deze blijkt uit het arrest van 14 september 1983, BNB 1984/224, nt. J.P. Scheltens, niet mogelijk zijn.
Een uitzondering daarop lijkt mij in beginsel mogelijk als de wet in formele zin zo vaag zou zijn en een zodanige mogelijkheid tot willekeur zou bevatten, dat er eerder van confiscatie c.q. onteigening zonder schadevergoeding dan van belastingheffing sprake zou zijn. In het onderhavige geval lijkt mij dit echter niet aan de orde.
3.2.3 Met betrekking tot de rechterlijke toetsing van (verboden) delegatie op andere gebieden dan die van de gemeentelijke belastingen verwijs ik naar de noot van H.J. Hofstra onder HR 7 februari 1973, BNB 1973/69 en de conclusie van mijn ambtgenoot Van Soest voor HR 22 december 1976, BNB 1977/50, nt. H.J. Hofstra (blz. 237) en HR 11 maart 1981, BNB 1981/105 (blz. 572) en de daarin vermelde jurisprudentie en litteratuur. Hij citeert t.a.p. de omschrijving van A.M. Donner (Handelingen NJV 1951, I, blz. 173) :
"Verboden delegatie wordt .... aangenomen, wanneer het gaat om de "uitvoering" van zo ruim geformuleerde voorschriften, dat de uitvoerende organen in feite "naar goedvinden" of "naar willekeur" zouden kunnen regelen of beschikken."
Aangenomen dat milieuheffingen belastingen zijn (volgens het antwoord op vraag 10, Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 18.474, nr. 4, blz. 2 hebben de door de centrale waterbeheerders opgelegde heffingen een retributiekarakter), meent H.J. Hofstra (WFR 5670/1985, blz. 194), dat zij moeten worden ingepast in de beginselen die wij aan onze belastingstructuur ten grondslag leggen. Voor retributies zou naar ik meen in beginsel hetzelfde gelden. Vgl. bijv. MvA, Eerste Kamer, zitting 1980-1981-15.575, nr. 20, blz. 3. Zie in dit verband ook HR 13 februari 1985, nr. 22.571 en mijn conclusie voor dat arrest.
3.3 Artikel 270 gemeentewet, algemeen.
3.3.1 Een beperking van de delegatiebevoegdheid in gemeentelijke belastingverordeningen geeft artikel 270 van de gemeentewet, luidende:
"Onverminderd de bepalingen van het derde hoofdstuk van deze titel vermelden de belastingverordeningen, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp der belasting, de grondslag, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is."
3.3.2 Artikel 270 is ontleend aan artikel 269 (oud) gemeentewet. Met betrekking tot laatstgenoemd artikel vermeld ik de volgende jurisprudentie:
- Hof 's-Hertogenbosch 5 april 1963, BNB 1963/246: Het Hof oordeelde een verordening op de baatbelasting onverbindend, aangezien de verordening het bedrag van de belasting liet afhangen van grondslagen die een aangeslagene niet uit of krachtens wettelijke voorschriften kon achterhalen.
De verordening vermeldde dus niet, zoals artikel 269 (oud) eiste, het bedrag van de belasting en haar grondslagen.
- Hof 's-Gravenhage 10 april 1970, BNB 1970/162: Het Hof oordeelde een exploitatiebelastingverordening onverbindend, aangezien het bedrag van de belasting moest worden ontleend aan een bouwexploitatieverordening, welke geen belastingverordening was en daardoor ook niet aan Koninklijke goedkeuring onderworpen. Bovendien noemde de bouwexploitatieverordening geen enkel bedrag, dat als belastingbedrag zou kunnen worden aangemerkt, enz.
- HR 14 februari 1972, BNB 1973/72, nt. H.J. Hofstra: Uit een verordening slachthuisrechten kon niet worden opgemaakt wie de belasting verschuldigd was. Essentieel lijkt mij de overweging van Uw Raad dat de rechter moet kunnen toetsen of iemand terecht als belastingplichtige is aangemerkt (vgl. ook Hofstra in zijn noot).
3.3.3 Op het eerste gezicht lijkt deze jurisprudentie voor het onderhavige geval doorslaggevend. Immers het is duidelijk dat een bepaling als het onderhavige artikel 32 lid 6 van de legesverordening de belastingplichtige geen enkele zekerheid verschaft omtrent de hoogte van de leges die hij verschuldigd zal worden. Niettemin lijkt een dergelijke conclusie wat voorbarig en dient eerst in de beschouwingen te worden betrokken de wetsgeschiedenis van artikel 270, het karakter van leges en de vraag of op grond daarvan een andere benadering rechtvaardigd is.
3.4 Wetsgeschiedenis van artikel 270 algemeen.
3.4.1 De MvT op de wet van 24 december 1970, Stb. 608, waarbij artikel 270 van de gemeentewet zijn huidige redactie kreeg, zegt (Tweede Kamer, zitting 1967-1968-9538, nr. 3, blz. 23 lk):
"In dit artikel is het beginsel neergelegd, dat voor zover daarin niet door de wet is voorzien, de belastingverordening alles moet bevatten wat voor de heffing en de invordering van de belasting van belang is. Met de woorden "in daartoe leidende gevallen" is beoogd tot uitdrukking te brengen, dat de in de onderhavige bepaling genoemde gegevens slechts in de verordening behoeven te worden opgenomen, voor zover zulks met het oog op de aard van de belasting mogelijk en nodig is."
3.4.2 Naar het mij voorkomt wordt - mede gelet op de tekst van artikel 270 - in dit citaat bedoeld te zeggen, dat volgens artikel 270 delegatie slechts is toegestaan, indien de aard van de belasting opneming van de in het artikel genoemde gegevens in de belastingverordening onmogelijk of onnodig maakt. De vraag wanneer iets onmogelijk of onnodig is, zal echter niet steeds eenvoudig te beantwoorden zijn. M.i. moet dit worden uitgelegd als redelijkerwijs onmogelijk of onnodig. De beantwoording van de vraag of daarvan sprake is zal vaak afhangen van subjectieve waarderingen: wanneer wordt een wettelijke bepaling te ingewikkeld of te ondoelmatig of te weinig flexibel enz. De kenbaarheid voor de belanghebbenden van hun belastingverplichtingen moet echter voorop blijven staan, vgl. bijv. MvA (stuk nr. 6) blz. 19 rk .:
"De ondergetekenden zijn oordeel, dat het door indexering automatisch aanpassen van gemeentelijke tarieven geen aanbeveling verdient .... Voorts zal automatische tariefsaanpassing bij gemeentelijke belastingen leiden tot een verminderd inzicht van de contribuabelen in hun fiscale verplichtingen."
3.4.3 Wat dus i.c. ter beoordeling staat, is of de aard van de legesheffing noodzaakt tot een bepaling als het onderhavige artikel 32, lid 6 van de legesverordening.
3.5 De aard van de legesheffing.
3.5.1 In de MvT (Zitting 1967-1968-9538, nr. 3, blz. 23 lk) wordt opgemerkt:
"Voorts zijn thans, overeenkomstig de regeling vervat in artikel 146 van de Provinciewet, de leges, naast de rechten bedoeld in artikel 277 (nieuw), afzonderlijk vermeld (letter h). De leges hebben nl. niet altijd zuiver het karakter van een retributie. Bovendien heeft het weinig zin het voorschrift inzake beperking van de opbrengst tot een "matige winst" ook voor leges te doen gelden, omdat de kosten hier "veelal niet of moeilijk zijn te bepalen.
3.5.2 Naar aanleiding van een opmerking in het VV (Zitting 1968-1969-9538, nr. 5, blz. 15 rk), dat de leges in de loop der jaren tot absurde bedragen zijn opgevoerd, zegt de MvA (stuk nr. 6, blz. 20 lk):
"Overigens wordt opgemerkt dat voor de goedkeuring van de legesverordeningen met betrekking tot tarieven die "uit de toon" vallen, met de betrokken gemeentebesturen overleg wordt gepleegd. Tot staving van het voorgestelde legesniveau wordt veelal overlegging van een kostenopstelling verlangd .... Kunnen bepaalde gemeenten zich budgettair veroorloven de tarieven lager dan kostprijsdekkend te stellen, dan staat hun zulks uiteraard vrij."
3.5.3 Met betrekking tot de leges terzake van bepaalde vergunningen vinden wij in de MvA (blz. 19 lk):
"Kosten als die van welstandstoezicht bij bouwvergunningen en die van deskundigen bij hinderwetvergunningen zullen door de gemeenten in de leges volledig aan de belanghebbenden kunnen worden doorberekend."
3.5.4 A.L.C. Simons heeft in WFR 5464 (1980) verdedigd, dat leges niet zouden mogen uitgroeien tot een vergoeding voor dienstverlening. De Commissie tot herziening van het belastinggebied van provincies en gemeenten (Commissie Christiaanse 1983) meent (Rapport blz. 60/61) dat heffing van leges moet worden beperkt tot vergoeding van kosten, die de gemeente maakt ten behoeve van dienstverlening aan individuele burgers en bedrijven en dat het dus geen echte belastingen (behoren te) zijn. De Commissie wil daarbij echter een ruim begrip dienstverlening hanteren (Rapport blz. 107) en bestrijdt de mening van Simons met het argument, dat in de moderne staatsopvatting zeer wel van dienstverlening kan worden gesproken ook al gaat het i.c. om een zuiver publiekrechtelijke handeling van de overheid. Simons merkt echter op (WFR 5670/1985, blz. 181), dat een vergunningverlening ten behoeve van het milieu of voor een hinderwet in wezen geschiedt ten behoeve van de maatschappij in zijn geheel en niet van degene aan wie zij verleend wordt. Een tegengestelde opvatting berust z.i. op een staatsidee waarin vrijwel elk menselijk handelen is verboden en dat de staat wel zal uitmaken wie wat mag doen.
3.5.5 J.A. Suurland merkt in WFR 5670 (1985) blz. 189, op, dat in de rijksvisie, zoals weergegeven in het rapport Rijksbijdragen milieu-apparaatskosten van provincies (Publikatiereeks Milieubeheer nr. 9, Ministerie VROM 1984) de kosten van behandeling van de vergunningaanvragen vooralsnog uit leges dienen te worden bestreden. Zie ook de brief dd 23 juli 1984 van de Minister van VROM inzake de herziening financiële structuur milieubeleid, Tweede Kamer Vergaderjaar 1983-1984, 18.474, nr. 1 en antwoord 7 in stuk nr. 4, waarin wordt gezegd, dat de legesproblematiek nog in zijn geheel zal worden bezien.
3.5.6 Voor de geschiedenis en de aard van de leges verwijs ik voorts nog naar de conclusie van mijn ambtgenoot Mok voor HR 4 maart 1981, BNB 1981/142, nt. H.J. Hofstra en de daarin vermelde litteratuur en jurisprudentie, alsmede F.J. Meijer Drees in TvO 1981, blz. 341 e.v. en J.G.E. Gieskes in Belastingblad 1984, blz. 3 e.v. Bij voormeld arrest besliste Uw Raad, dat de wetgever geen rechtstreeks verband heeft willen leggen tussen de hoogte van de leges en de omvang van de verleende diensten.
3.5.7 Gelet op het vorenstaande moet er van worden uitgegaan, dat het bedrag van de leges voor de afgifte van hinderwetvergunningen een volledige vergoeding van de kosten, ook die van externe deskundigen mag omvatten en eventueel zelfs meer.
Daarmee is echter nog geenszins de vraag beantwoord of het vaststellen van die kosten redelijkerwijs niet anders mogelijk is dan op de wijze als in het onderhavige geval in de legesverordening is geregeld. De in punt 3.5.3 geciteerde passage laat zich niet uit over de wijze waarop de doorberekening van de kosten moet geschieden en ik lees daarin dan ook nog niet zonder meer een vrijbrief om in de legesverordening slechts die doorberekening voor te schrijven zonder enige nadere concretisering.
3.6 Andere oplossingen?
3.6.1 Als het uitgangspunt is, dat de gemeente er naar zal willen streven, dat in de legesheffing een volledige vergoeding is begrepen voor de kosten van een externe deskundige, is het zeker niet eenvoudig zulks in een legesverordening zodanig te verwoorden, dat de verzoeker een redelijke zekerheid heeft omtrent het beloop van de heffing.
3.6.2 In zijn uitspraak van 18 mei 1983, nr. 139/82, BNB 1984/289, Belastingblad 1983, blz. 398, achtte het Hof 's-Gravenhage niet in strijd met artikel 270 gemeentewet de bepaling in een legesverordening, waarin de advieskosten waren vastgesteld op f. 27,50 per één vierde manuur of gedeelte daarvan, dat door de Technische Milieudienst Drechtsteden aan het advies is besteed. (Zie voor een overeenkomstige uitspraak van hetzelfde Hof, 17 oktober 1983, BNB 1985/66). Hoewel een dergelijke bepaling door het noemen van de in te schakelen deskundige en het vermelden van een kwartiertarief wel meer zekerheid biedt dan een bepaling als de onderhavige, biedt zij de belanghebbende nog geen enkele zekerheid over het eindbedrag. Dit zal afhangen van de aard van de te verrichten onderzoekingen en de daarmee gemoeide tijd. Maar is het wel redelijkerwijs mogelijk de belanghebbende meer zekerheid te geven? De gemeente loopt in een geval als dat van voormelde uitspraak reeds het risico dat - bij ontbreken van bindende tariefafspraken voor langere termijn met de deskundige - de in de verordening genoemde tarieven te laag worden en dus geen volledige vergoeding meer opleveren.
3.6.3 De gemeente zou de oplossing kunnen zoeken in een tarief, dat niet is gerelateerd aan de uit hun aard tevoren onbekende kosten van een externe deskundige, maar dat een zodanige hoogte heeft, dat daarin alle onzekerheden zijn verdisconteerd. Het bezwaar van een dergelijke oplossing lijkt mij, dat door de noodzakelijke grofheid van een dergelijke tariefstelling de meeste belanghebbenden meer betalen dan nodig is en de enkele belanghebbende, wiens aanvraag tot een onvoorzienbaar omvangrijk onderzoek noopt, te weinig.
3.6.4 Het zou m.i. bepaald geen slechte oplossing zijn als de gemeente aan het verlenen van de hinderwetvergunning de voorwaarde zou kunnen verbinden, dat de belanghebbende bereid is als partij toe te treden tot een driepartijenovereenkomt met de gemeente en de externe deskundige inzake de aard, omvang en kosten van het onderzoek.
Belanghebbende zou dan van het begin af aan zijn betrokken in het overleg dienaangaande. Bovendien zou de uitvoering van de overeenkomst door de burgerlijke rechter kunnen worden getoetst. De kostenvergoeding zou dan geheel buiten de legesverordening om op privaatrechtelijke basis geregeld kunnen worden.
Het probleem is echter dat als belanghebbende - al dan niet terecht - niet tot een dergelijke overeenkomst zou wensen toe te treden, de gemeente het verlenen van de vergunning niet op die grond kan weigeren (zie artikel 13 Hinderwet). Het lijkt echter zeer wel denkbaar, dat men een kostenvergoedingsregeling in de legesverordening - hoe die ook moge luiden - opneemt uitsluitend geldend ingeval belanghebbende die kosten niet op andere wijze, bijv. via een privaatrechtelijke overeenkomst als vorenbedoeld, voldoet.
3.6.5 Met het legaliteitsbeginsel (c.q. rechtszekerheidsbeginsel) zou ik niet in strijd achten, dat de legesverordening zou voorschrijven, dat de belanghebbende de kosten van onderzoek door een externe deskundige voldoet tot het bedrag van een door deze gedane offerte, vermeerderd met een percentage van (stel) ten hoogste 25. De belanghebbende kan dan binnen redelijke grenzen de financiële consequenties van zijn aanvraag overzien. De vraag wie het risico van een kostenoverschrijding zou moeten dragen, ligt dan in de onderhandelingssfeer tussen gemeente en externe deskundige.
3.6.6 Gelet op het vorenstaande kan m.i. niet worden gezegd, dat de aard van een legesheffing als de onderhavige het onmogelijk zou maken in de legesverordening een regeling te treffen die binnen redelijke grenzen de contribuabele inzicht geeft in zijn verplichtingen.
Het onderhavige artikel 32, lid 6, van de legesverordening geeft een dergelijke minimale zekerheid echter in geen enkel opzicht, zodat de bepaling naar het mij voorkomt in strijd is met artikel 270 van de Gemeentewet en mitsdien onverbindend.
4 Conclusie.
Ik concludeer tot vernietiging van de uitspraak van het Hof alsmede die van Burgemeester en Wethouders en tot vermindering van het door de gemeente aan leges gevorderde bedrag met een bedrag van f. 22.082,05.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,