Einde inhoudsopgave
Stelplicht & Bewijslast 2.3
2.3 Consequenties voor de verdeling van de bewijslast
mr. R.J.B. Boonekamp, mr. W.L. Valk & mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-09-2025
- Actueel t/m
23-09-2025
- Auteur
mr. R.J.B. Boonekamp, mr. W.L. Valk & mr. F.J.P. Lock
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5156, NJ 2005/468, rov. 4.5.1: “doordat een partij meer heeft gesteld dan nodig is voor het inroepen van het gewenste rechtsgevolg, komt de bewijslast ten aanzien van dat meerdere niet bij die procespartij te liggen.”
Zie o.a. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0727, NJ 1992/813, rov. 3.2; HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, rov. 3.5; HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3807, NJ 2003/468, rov. 4.4 en HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203, rov. 3.3.
Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023/288.
Voor de verdeling van de bewijslast zal steeds moeten worden nagegaan wie van de partijen in een procedure welk rechtsgevolg inroept van welke rechtsregel.
Dat vergt een nauwkeurige analyse van welke de toepasselijke en in het geding zijnde rechtsregels zijn. En het vergt eveneens een nauwkeurige analyse van de desbetreffende rechtsregel, die een min of meer complexe gelaagdheid kan hebben. Veel voorkomend is de constructie waarin een hoofdregel wordt geformuleerd met een of meer uitzonderingen die worden ingeleid met het woord ‘tenzij’. Het gebruik van dat woord duidt meestal op een omslag in de stelplicht en bewijslast van de ene naar de andere partij. In de commentaren op de diverse artikelen waarin zich dit voordoet wordt dit verder besproken.
Van de feiten die een partij stelt voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg draagt zij de bewijslast. Maar ook alleen voor deze feiten. Doorgaans zullen in het kader van het partijdebat over en weer veel meer feiten worden aangevoerd dan de relevante feiten voor het ingeroepen rechtsgevolg. Zo zal de context waarin het geschil zich afspeelt door beide partijen vaak aan de hand van tal van feiten en omstandigheden worden geschilderd ter adstructie van het eigen standpunt en ter betwisting van dat van de ander. Indien een partij meer feiten aanvoert dan nodig zijn voor het ontstaan van het ingeroepen rechtsgevolg heeft zij voor die feiten echter geen bewijslast.1
De partij die wordt aangesproken op grond van een (vermeend) vorderingsrecht zal de feiten die daaraan ten grondslag worden gelegd, gemotiveerd moeten weerspreken om te voorkomen dat die feiten als niet of onvoldoende betwist komen vast te staan (art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv). Daartoe zal die partij vaak harerzijds feiten (moeten) aanvoeren ter betwisting van de door de wederpartij gestelde feiten. Die feiten worden dan niet aangevoerd om zelf een rechtsgevolg in te roepen, maar om te voorkomen dat het door de wederpartij ingeroepen rechtsgevolg wordt gehonoreerd. Voor de feiten die een partij aanvoert in het verband van haar betwisting van de feitelijke grondslag van het rechtsgevolg dat de wederpartij inroept, heeft die partij geen bewijslast.2 Anders gezegd: betwistingen behoeven niet bewezen te worden (negativa non sunt probanda), ook niet als in het verband van de betwisting andere feiten worden aangevoerd. Een partij creëert dus voor zichzelf geen bewijslast door feiten aan te voeren. Hij heeft alleen bewijslast voor zover hij die objectief heeft volgens het hiervoor uiteengezette systeem van bewijslastverdeling dat in art. 150 Rv is neergelegd.3