Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/12
12
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995460:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een weergave van de opvattingen hierover vanaf het einde van de 19e eeuw Rank-Berenschot 1992, p. 169-184. Zie ook o.m. Cahen 1969 en Aarts 1990, p. 61-62.
HR 1 mei 1964, NJ 1965/339 m.nt. J.H. Beekhuis (Echo). De Hoge Raad oordeelde in het Echo-arrest dat het retentierecht op een schip kon worden ingeroepen tegen de oudere hypotheekhouder. De Hoge Raad gebruikt daarvoor twee argumenten: ten eerste vanwege de aard van het retentierecht als verweermiddel en ten tweede het beginsel – dat volgens de Hoge Raad aan art. 60 Fw ten grondslag ligt – dat het retentierecht niet verloren gaat door een executie. Asser/Van Oven III 1978, p. 73-74 is zeer kritisch over dit arrest en acht de motivering door de Hoge Raad niet overtuigend. Inmiddels is e.e.a. gecodificeerd in art. 3:291 lid 2 BW.
Struycken 2007, p. 215. Asser/Van Oven III 1978, p. 80 spreekt van “een zakelijk recht in optima forma”. Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/89 is alweer voorzichtiger stelt dat het retentierecht “zekere zakelijke kenmerken” heeft.
Rank-Berenschot 1992, p 169 typeert het retentierecht als een hybride rechtsfiguur, dat zich op het grensvlak tussen verbintenissenrecht en goederenrecht bevindt.
Rank-Berenschot 1992, p. 219-238. Zie over het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht ook Lebon 2010, p. 31-85, Struycken 2007 en over de ‘grensvervaging’ ook Pitlo 1972, p. 94 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/22.
De vraag naar de aard van het retentierecht heeft al veel juridische bespiegelingen opgeleverd.1 Onder het oude recht werd aangenomen dat het retentierecht verbintenisrechtelijk van aard was. Daar had men ook alle reden toe: pas na het Echo-arrest van 1965 werd bijvoorbeeld algemeen aangenomen dat het retentierecht ook kon worden tegengeworpen aan een anterieure hypotheekhouder.2 Gelet op de derdenwerking die is neergelegd art. 3:291 BW is onzekerheid hierover verleden tijd. Bovendien kan de retentor nu – anders dan onder het oude recht – ingevolge art. 3:295 BW de zaak opeisen onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar. Toch blijft het retentierecht ook met deze goederenrechtelijke aankleding in de basis een verbintenisrechtelijke figuur.3
Het retentierecht is een klassiek voorbeeld van een figuur met verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke kenmerken. Het ontstaat in een tweepartijenverhouding, want het is in de eerste plaats een opschortingsrecht. Maar het heeft belangrijke gevolgen voor derden. De rechtsgevolgen van het retentierecht zijn typisch voor goederenrechtelijke rechten, zoals derdenwerking, voorrang en zaaksgevolg.4
Het retentierecht is niet het enige recht dat zich op het grensvlak bevindt. Ook onder meer huur, kwalitatieve verplichtingen en de paardensprong zijn bekende verbintenisrechtelijke figuren met goederenrechtelijke trekken. Zo ziet men in het verbintenissenrecht een zekere ‘verzakelijking’. Tegelijkertijd kan in het goederenrecht op een aantal plaatsen een relativering van absolute rechten worden waargenomen.5