Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/13:13
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/13
13
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995461:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 7 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4123, NJ 2001/406 m.nt. Th.M. de Boer (Leyland Daf/De Rooij en Edcrest).
Zie Staatscommissie 1998, p. 22-23.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de kwalificatie van het retentierecht als een klassiek grensgeval, een verbintenisrechtelijke figuur met goederenrechtelijke kenmerken, kunnen we in puur Nederlandse gevallen in het algemeen goed uit de voeten. Het IPR geeft daarentegen een concrete aanleiding om een scherpe keuze te maken met betrekking tot de aard van het retentierecht. Hoewel ik het IPR verder buiten mijn onderzoek heb gelaten, veroorloof ik me toch om er op deze plaats kort bij stil te staan, om aan te geven dat de vraag naar de aard van het retentierecht niet alleen van academisch belang is. De ambivalente aard van het retentierecht is goed af te leiden uit de regeling van het IPR in Boek 10 BW. De goederenrechtelijke kenmerken van het retentierecht zijn doorslaggevend geweest bij het onderbrengen van het retentierecht in de titel ‘goederenrecht’ in Boek 10 BW (en daarvoor reeds in de Wet Conflictenrecht Goederenrecht).1 Op grond van art. 10:129 BW geldt dat op het ontstaan en de inhoud van het retentierecht de lex causae toepasselijk is, het recht dat de onderliggende rechtsverhouding beheerst. Als het retentierecht uit een overeenkomst voortvloeit, is dat recht de lex contractus.2 Als eenmaal is vastgesteld dat een retentierecht op grond van de lex causae rechtsgeldig wordt uitgeoefend, kan het ingevolge art. 10:129 tweede zin BW slechts geldend worden gemaakt als het recht van de plaats van ligging van de teruggehouden zaak, de lex rei sitae, dit toelaat. Kramer en Verhagen stellen vast dat het precieze onderscheid tussen het ontstaan en inhoud enerzijds en het geldend maken van het retentierecht anderzijds door de Hoge Raad,3 noch door de Staatscommissie,4 noch door de wetgever wordt gemaakt.5 Zij geven vervolgens aan, waar naar hun mening deze grenzen moeten worden gelegd.6