Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/20:20
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/20
20
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995855:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geen vermogensrecht. Volgens art. 3:6 BW is een vermogensrecht een recht dat, al of niet tezamen met een ander recht, overdraagbaar is, ertoe strekt de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen of verkregen is in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Daaronder vallen dus onder meer het eigendomsrecht,1 het equivalent van eigendom met betrekking tot vorderingen,2 de beperkte rechten en IE-rechten. Een vermogensrecht is een subjectief recht, in die zin dat het toekomt aan een bepaalde persoon of bepaalde personen. Maar niet ieder subjectief recht is een vermogensrecht. Bartels en Van Mierlo sommen niet-limitatief drie kenmerken van vermogensrechten op. Een vermogensrecht wordt er volgens hen door gekenmerkt dat het kan behoren tot een huwelijksgemeenschap, dat het beslagen kan worden en dat het kan behoren tot een failliete boedel.3 Het retentierecht voldoet aan geen van deze kenmerken. Men zou met een beetje goede wil kunnen beargumenteren dat een retentierecht ertoe strekt de retentor stoffelijk voordeel te verschaffen en dat het derhalve een vermogensrecht is in de zin van art. 3:6 BW. Maar dat zou een te ruime interpretatie van de woorden ‘stoffelijk voordeel verschaffen’ betekenen. Het recht zelf verschaft de retentor namelijk geen stoffelijk voordeel. De retentor mag de teruggehouden zaak niet gebruiken; hij mag hem alleen maar ‘niet-afgeven’. Het inzetten van het recht beoogt de voldoening van zijn vordering. Het retentierecht leidt dus niet direct, maar indirect tot het verschaffen van stoffelijk voordeel. Kortom: het retentierecht is geen vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW.