Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/12.0:12.0 De dimensies van het vertrouwensbeginsel: conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/12.0
12.0 De dimensies van het vertrouwensbeginsel: conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455794:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgaande is een typologie gegeven van het vertrouwensbeginsel. Een eerste conclusie aangaande het vertrouwensbeginsel moet luiden dat dat beginsel niet in een enkele definitie is te vangen, maar diverse dimensies kent. Een eerste terminologische verheldering van het begrip is gegeven in hoofdstuk 2. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de descriptieve, de normatief-voorwaardelijke en de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel. Kort gezegd behelst de descriptieve werking slechts de constatering dat in strafzaken slechts pleegt te worden samengewerkt wanneer er een zeker minimum aan vertrouwen bestaat in het rechtsstelsel van de andere staat. De normatief-voorwaardelijke werking vertaalt dat inzicht naar een norm: samenwerking kan enkel plaatsvinden wanneer er een zeker minimum aan vertrouwen is. Voor een aantal rechtshulpinstrumenten, zoals uitlevering en overdracht van executie, is die norm neergelegd in een (grond) wettelijke verdragseis: samenwerking vindt alleen plaats op grond van een verdrag en uit het gegeven dat dat verdrag is gesloten wordt afgeleid dat voldoende vertrouwen in de verdragspartner bestaat. De normatief-beperkende werking verwoordt een andere norm: als eenmaal is gebleken dat er voldoende vertrouwen is in de andere staat, dan is terughoudendheid bij de toetsing van concrete gevallen van samenwerking aangewezen.
Van welk van deze ‘verschijningsvormen’ van het vertrouwensbeginsel sprake is, is afhankelijk van het geval. Waar echter in de praktijk van het vertrouwensbeginsel wordt gesproken, wordt doorgaans gedoeld op het vertrouwensbeginsel in normatief-beperkende zin. Het vertrouwensbeginsel in descriptieve zin is veelal een historisch gegeven, staten werken, zo blijkt, enkel samen met staten waarin ze ten minste een minimum aan vertrouwen hebben, maar daarmee is niet gezegd welke aspecten dat vertrouwen betreffen noch hoe sterk dat is. Het vertrouwensbeginsel als normatief-voorwaardelijk beginsel is voor de praktijk van concrete samenwerking ook niet cruciaal. Uiteraard zien veel staten, zo ook Nederland, het bestaan van een zeker vertrouwen als al dan niet geëxpliciteerde voorwaarde voor samenwerking. Waar deze voorwaarde haar neerslag heeft in een verdragseis, heeft zij in die zin betekenis voor het vertrouwen in normatief-beperkende zin dat er bij een concrete vorm van samenwerking per definitie een verdrag bestaat en derhalve per definitie de vraag speelt hoe ingrijpend getoetst kan of moet worden. In het navolgende zal met name worden ingegaan op de betekenis van het vertrouwen voor die toetsing.
De precieze werking van het vertrouwensbeginsel is afhankelijk van de casus en kan pas worden beoordeeld nadat de kenmerken van de concrete situatie zijn vastgesteld. Voor die precieze werking, met name voor de vraag of sprake is van normatief-beperkend vertrouwen, zijn de dimensies van het vertrouwensbeginsel van belang. In de hoofdstukken 3 tot en met 11 zijn deze dimensies van het vertrouwensbeginsel gepresenteerd. Het gaat om de volgende dimensies:
de functie van het vertrouwen, dus de rol die het vertrouwen speelt en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan: principieel, praktisch, ordenend;
de juridische grondslag van het vertrouwen, dus waarop is het vertrouwen gebaseerd: verdragen;
de chronologie van het vertrouwen, dus vertrouwen betreffende een gebeurtenis in het verleden of aangaande een toekomstige gebeurtenis: retrospectief en prospectief;
het object van het vertrouwen, dus hetgeen waarin men vertrouwen heeft: gedragingen, beweringen, verplichtingen;
de verwachting bij het vertrouwen, dus de prestatie die men van de andere staat verwacht: inspanning en resultaat;
de ratio van het voorschrift dat in het geding is, dus het rechtsgoed of rechtsbelang dat dat voorschrift beoogt te beschermen;
de betrokken staat; en
de invloed van mensenrechtelijke normen.
Nadat deze dimensies en de literatuur, wetgeving en rechtspraak over interstatelijke samenwerking in strafzaken in het algemeen en het vertrouwensbeginsel in het bijzonder in ogenschouw zijn genomen, kunnen conclusies over deze dimensies worden getrokken. Daarbij tracht ik niet om alle mogelijke combinaties of interacties van deze dimensies, laat staan alle mogelijke antwoorden die zij bieden op de diverse (rechts)vragen die in het kader van de samenwerking in strafzaken kunnen spelen, te inventariseren. Ik beperk mij tot overkoepelende conclusies. Een andere benadering zou tot een wel zeer theoretische exercitie leiden die in veel gevallen weinig tot geen toegevoegde waarde heeft voor de beantwoording van de vragen die in dit boek centraal staan. De in de praktijk voorkomende knelpunten en probleemgevallen bij interstatelijke samenwerking komen daarentegen wel aan de orde en in het kader van deze concrete knelpunten en probleemgevallen zijn en worden de toepasselijke combinaties en interacties van dimensies van het vertrouwensbeginsel afdoende besproken.
De eerste conclusie is dat de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel tot een lage of hogere drempel voor toetsing kan leiden. De opvatting dat slechts van een lage drempel sprake behoort te zijn, houdt in dat in concrete gevallen van samenwerking niet steeds, ongevraagd of niet, elk aspect en elk detail van de samenwerking moet worden getoetst. Dit wijkt niet af van hetgeen in de meeste rechtsgebieden in foro gebruikelijk is en fungeert als smeerolie van de interstatelijke samenwerking. In bepaalde specifieke situaties heeft het vertrouwensbeginsel een sterkere normatief-beperkende werking, welke meebrengt dat een bepaald aspect van de samenwerking in het geheel niet mag of kan worden getoetst of slechts tot op zeer beperkte hoogte of met een sterke ‘stelplicht’ voor de verdediging. Een dergelijke hoge toetsingsdrempel kan echter in zijn algemeenheid niet voorop worden gesteld. Om tot de conclusie te komen dat een bepaald aspect van een concreet geval van verleende of te verlenen rechtshulp in het geheel niet of slechts in beperkte mate kan of mag worden getoetst, dient de toetsende functionaris concreet na te gaan om welk aspect het gaat en in welk krachtenveld dat aspect werkt; eerst na een dergelijke exercitie kan onder omstandigheden de conclusie zijn dat het aspect niet kan of mag worden getoetst. Een parallel dringt zich hier op met de jurisprudentie van de Hoge Raad over strafuitsluitingsgronden en culpa in causa. Waar in het verleden de feitenrechter een beroep op een strafuitsluitingsgrond nog wel eens direct verwierp door te wijzen op de eigen schuld van de verdachte, daar vereist de Hoge Raad thans eerst een inhoudelijke beoordeling van de merites van het verweer – was bij sprake van een noodweersituatie waartegen verdachte zich mocht verdedigen en was die verdediging proportioneel? – waarna bij een bevestigend antwoord eventueel als sluitstuk het oordeel kan luiden dat de verdachte desondanks geen beroep toekomt op de strafuitsluitingsgrond, in dit voorbeeld noodweer, omdat sprake is van culpa in causa. Op eenzelfde wijze kan het vertrouwensbeginsel (in normatief-beperkende zin) in bepaalde gevallen het sluitstuk van de redenering zijn, maar niet voordat nauwkeurig is nagegaan op welke wijze het eventuele vertrouwen in het concrete geval precies zou moeten werken. De vragen die daarbij moeten worden beantwoord vloeien voort uit de geschetste dimensies.
Een eerste, eenvoudige stap die van belang is bij een dergelijke beoordeling is te bepalen of de kwestie waarbij het vertrouwensbeginsel een rol speelt, in de toekomst ligt of in het verleden. Het gaat dan om de chronologie van het vertrouwen. Bij een kwestie in het verleden, die al heeft plaatsgevonden en waaraan derhalve, simpel gezegd, enkel nog rechtsgevolgen dienen te worden verbonden, kan het vertrouwensbeginsel een sterke rol spelen. Voorbeelden van dergelijke aspecten zijn de resultaten van een verzoek tot opsporing (kleine rechtshulp) en de rechtmatigheid daarvan, de veroordeling bij overname van executie van een sanctie en executie-uitlevering en eerdere opsporings- en vervolgingshandelingen bij vervolgingsuitlevering en overname van strafvervolging.
Samenwerking met EVRM-staten
Dit is in het bijzonder het geval wanneer er voldoende vertrouwen bestaat in het rechterlijk systeem van de andere staat, vanwege de gelding van een mensenrechtenverdrag, in het bijzonder het EVRM en het daarbij horende toezichtmechanisme. Dit algemene vertrouwen vertaalt zich in een concreet geval bijvoorbeeld in de berechting door de strafrechter en vormt aldus het object van het vertrouwen, dus hetgeen waarin men vertrouwen heeft. Het gaat daarbij doorgaans wel over de toetsing van voorschriften die (mede) het belang van de verdachte op het oog hebben, maar desondanks is dan, in elk geval volgens de rechtspraak van de Hoge Raad, te verdedigen dat die toetsing aan de vreemde rechter wordt overgelaten. Hoewel dit in eerste instantie een principieel getint vertrouwen is – principieel omdat het gestoeld is op het beginsel dat andere lidstaten die het EVRM en het individuele klachtrecht hebben erkend dienen te worden vertrouwd – kent het ook praktische (in die staat is de rechter daartoe het best geëquipeerd) en ordenende aspecten (binnen de rechtsruimte van het EVRM geldt een verdeling van het rechterlijk toezicht en wordt dubbele toetsing zo veel mogelijk vermeden). Het aangenomen vertrouwen levert in die gevallen in beginsel resultaatsvertrouwen op: het vertrouwen in de vreemde staat is sterk en de aanname is dat het resultaat, in het bijzonder het waarborgen van de rechten van de mens, is bereikt. De enige beperking schuilt in de beoordeling van het recht op een eerlijk proces.
De vraag is of dit nog afhankelijk is van de concrete staat, een andere dimensie van het vertrouwensbeginsel. In beginsel is binnen de groep van staten die partij zijn bij het EVRM geen principieel onderscheid mogelijk. Wel is bij bepaalde staten binnen het EVRM-gebied vaker sprake van een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces, men denke aan de zeer problematische houding van Rusland ten opzichte van het EHRM, en lijkt het risico daarop in een concreet nieuw geval groter. Bij de meeste verdragsstaten zal dit echter niet of nauwelijks aan de orde zijn. Gaat het om voorschriften die niet minstens mede het belang van de verdachte beschermen, denk aan het respecteren van de soevereiniteit van de andere staat, dan is er in elk geval geen reden om daar in een concrete strafzaak aan te toetsen.
Bij het voorgaande is wel van belang of toetsing van een bepaald aspect verdragsrechtelijk mogelijk is. Laat het verdrag toetsing niet toe, dan kan toetsing wellicht nog worden gerechtvaardigd door een conflict van verdragsverplichtingen. Bij aspecten die in het verleden liggen, zal daar niet snel sprake van zijn, aangezien redres in beginsel geboden moet worden door de partij die de schending heeft veroorzaakt.
Anders is de situatie als het te beoordelen aspect in de toekomst ligt. Men denke dan aan de vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van een sanctie na kleine rechtshulp, overdracht van executie of strafvervolging of executie dan wel vervolgingsuitlevering. De meer ordenende taakverdeling tussen rechters van de verschillende staten partij bij het EVRM staat dan niet altijd op de voorgrond. Met name wanneer schendingen van mensenrechten plaats kunnen vinden, rust in beginsel op elk land de verplichting om die voor personen die zich in hun jurisdictie bevinden te voorkomen. In die zin is het vertrouwen veel relatiever en staat veel meer op de voorgrond hoe sterk het vertrouwen in een concreet geval op, kort gezegd, een goede afloop is. Daarbij kan worden vertrouwd op verschillende ‘objecten’, in het bijzonder op toekomstige gedragingen en verplichtingen.
In elk geval is een eerste vraag of het rechtshulpverdrag toetsing toelaat. Is dat niet zo, en is de rechtshulpverlening op grond van het toepasselijke verdrag verplicht, dan kan toetsing niet plaatsvinden, tenzij sprake is van een conflict van verdragsverplichtingen, met name door een verplichting op grond van een mensenrechtenverdrag zoals het EVRM. Nu het gaat om toekomstige aspecten ligt een dergelijk conflict veel meer voor de hand omdat mensenrechtenschendingen zo veel mogelijk voorkomen dienen te worden zo lang dat nog kan en door elke verdragsstaat. Wanneer toetsing verdragsrechtelijk toegestaan is, blijft de vraag wanneer voldoende reden bestaat om het rechtshulpverzoek te weigeren. Daarbij kunnen en moeten garanties, als concrete ad-hoc verplichtingen, in voorkomende gevallen een rol spelen, zeker wanneer zij een staat de mogelijkheid bieden om aan beide verplichtingen tegemoet te komen en zo het conflict op te lossen. Zij dienen dan wel meerwaarde te hebben boven bestaande verplichtingen uit bijvoorbeeld het rechtshulpverdrag. Dat zal vooral het geval zijn wanneer extra toezicht mogelijk is om de bestaande verplichtingen af te dwingen, bijvoorbeeld door diplomatieke vrije toegang tot een gedetineerde. Ook hier geldt wederom dat voorschriften die niet het belang van de verdachte beogen te beschermen geen toetsing in een concrete strafzaak vergen.
Verdeling van verantwoordelijkheden
Zoals ook in hoofdstuk 11 al is geconcludeerd, spruit een inperking van de ruimte om een bepaald aspect van een concreet geval te toetsen in veel gevallen voort uit een verdeling van de verantwoordelijkheid om in een transnationale casus rechtsbescherming te bieden. In deze primair ordenende gedachte is voldoende onderling vertrouwen noodzakelijk om een dergelijke verdeling mogelijk te maken en te aanvaarden, maar het vertrouwensbeginsel als principieel beginsel staat daarbij niet voorop.
Daarbij is cruciaal of de andere staat tot het EVRM, met het eigen mechanisme van rechterlijk toezicht, is toegetreden. In de samenwerking met EVRM-staten staat een verdeling van de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de rechten van de mens voorop.
Onderling vertrouwen kan evenwel niet absoluut zijn en kent in elk geval een bovengrens waar het de bescherming van de meest fundamentele rechten van de mens betreft. Zeker wanneer schendingen van die meest fundamentele rechten van de mens nog voorkomen kunnen worden, blijft elke staat de verantwoordelijkheid dragen voor het garanderen van die mensenrechten. Is sprake van een real risk dat bijvoorbeeld een verdachte zal worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM of hem de toegang tot de rechter zal worden onthouden zodat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM, dan dient elke staat en elk orgaan van die staat, datgene te doen wat in zijn macht ligt om die schending te voorkomen. Bepaalde concrete garanties kunnen daarbij van belang zijn, maar als die ontoereikend zijn kan de uiterste consequentie zijn dat de verzochte rechtshulp moet worden geweigerd, ongeacht of het verdrag of rechtshulpinstrument in dat geval weigering mogelijk maakt. De verantwoordelijkheid die vanwege het EVRM op de betrokken staat rust, troeft in een dergelijk geval die verplichting af die hij op grond van het rechtshulpverdrag heeft.