Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/14
14
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995464:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Per 26 juni 2017 is de Herziene Insolventieverordening (Verordening (EU) 2015/848) betreffende insolventieprocedures in werking getreden. De herziene versie vervangt Verordening (EU) 1346/2000. Zie over de wijzigingen o.m. Van Galen 2017, p. 13-20.
Zie hierover ook Heilbron 2015, p. 154-155. Zie verder Hof Den Bosch 9 augustus 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3600, JOR 2016/352 m.nt. D. Beunk.
Zie art. 7 lid 2 IVo.
Veder 2004, p. 334-336. In zijn annotatie onder HvJ 26 oktober 2016, JOR 2017/24, nr. 12 draagt Veder ook andere argumenten aan voor een autonome interpretatie. Onzekerheid over de kwalificatie van een recht als ‘zakelijk’ naar nationaal recht zouden naar zijn mening geen verschil mogen maken voor de kwalificatie onder de IVo. Hij voegt daaraan toe dat een autonome benadering aansluit bij hetgeen onder de EEX-Verordening gebruikelijk is. Virgós & Garcimartín 2004, p. 94-95, lijken te verdedigen dat een nationaalrechtelijke interpretatie moet worden gevolgd. Zie over art. 8 IVo verder Bork & McCormack 2017, p. 15-36.
Zie in deze zin: Rb. Zeeland-West-Brabant 3 april 2014 (niet gepubliceerd), r. o. 3.1. Anders: Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/566.
Nieuwe relevante vragen over de aard van het retentierecht worden eveneens opgeworpen in het kader van het IPR-faillissementsrecht. De Insolventieverordening (IVo) heeft op het vlak van het IPR-faillissementsrecht eenvormigheid gebracht binnen de Europese Unie.1 De IVo bevat regels betreffende bevoegdheid, toepasselijk recht en erkenning van internationale faillissementen binnen de EU. Een belangrijke vraag is of het retentierecht een ‘zakelijk recht’ (in de Engelse versie van de Verordening genoemd een right in rem) is in de zin van art. 8 IVo.2 Bijvoorbeeld onder meer de vraag of de curator bevoegd is om het retentierecht te doorbreken en de rangorde van de vordering van de retentor hangen af van de vraag welk recht van toepassing is op het retentierecht in faillissement.3 Is het retentierecht geen zakelijk recht, dan is volgens de hoofdregel van art. 7 IVo het recht van de lidstaat waar het faillissement is geopend van toepassing op het retentierecht. Is het retentierecht wél een zakelijk recht in de zin van art. 8 IVo, dan betekent dat, dat het faillissement het retentierecht ‘onverlet’ zou laten. De beoordeling van de vraag of het retentierecht een right in rem in de zin van art. 8 IVo is, hangt op haar beurt af van de vraag of het concept zakelijk recht autonoom, of met inachtneming van het nationale recht wordt vastgesteld. Gelet op het feit dat het onwenselijk wordt geacht dat binnen de Europese Unie verschillende interpretaties van eenzelfde begrip zouden kunnen ontstaan, zou men verwachten dat het begrip right in rem autonoom wordt geïnterpreteerd.4 Het Hof van Justitie heeft echter in een prejudiciële procedure, die door het Duitse Bundesgerichtshof aanhangig was gemaakt, geoordeeld dat naar nationaal (in casu Duits) recht moet worden beoordeeld of een öffentliche Last als zakelijk recht in de zin van art. 5 IVo (art. 8 IVo is gelijk aan art. 5 IVo vóór de herziening van de IVo) te kwalificeren is.5 Een en ander zou voor het Nederlandse retentierecht mijns inziens betekenen dat het niet als een ‘zakelijk recht’ in de zin van art. 8 IVo kan worden gekwalificeerd.6 Hiervoor stelde ik namelijk al vast dat het Nederlandse retentierecht een verbintenisrechtelijke figuur is, met enkele karaktertrekken die typerend zijn voor goederenrechtelijke rechten. Het is de vraag of het Hof van Justitie de gekozen benadering voortzet.