Stelplicht & Bewijslast (Archief)
Einde inhoudsopgave
Stelplicht & Bewijslast 2.2:2.2 Consequenties voor de stelplicht
Archief
Stelplicht & Bewijslast 2.2
2.2 Consequenties voor de stelplicht
Documentgegevens:
mr. R.J.B. Boonekamp, mr. W.L. Valk & mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 23-09-2025
- Actueel t/m
23-09-2025
- Auteur
mr. R.J.B. Boonekamp, mr. W.L. Valk & mr. F.J.P. Lock
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld van het stellen van ‘hulpfeiten’ ter onderbouwing dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding: HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1160, NJ 2024/273, rov. 3.2.1.
Zie o.a. HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2796, NJ 1999/549,rov. 3.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de stelplicht betekent dit dat degene die het rechtsgevolg inroept, steeds die feiten zal moeten stellen die nodig zijn om het ingeroepen rechtsgevolg eruit te kunnen afleiden. Welke feiten precies moeten worden gesteld, valt in zijn algemeenheid niet te zeggen. Dat hangt allereerst af van de inhoud van de rechtsregel waaruit het rechtsgevolg voortvloeit; die bepaalt welke rechtsfeiten nodig zijn om het beoogde rechtsgevolg te laten intreden. En het hangt ook af van de wijze waarop het partijdebat verloopt. De wet bevat vaak kwalificaties van feitelijke gebeurtenissen. Soms zal het voldoende zijn om te stellen dat zo’n gekwalificeerde feitelijke gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Zo zal een partij die zich beroept op betaling uit hoofde van een overeenkomst, moeten stellen dat er een overeenkomst is gesloten waaruit de verplichting tot betaling kan worden afgeleid. Het begrip ‘overeenkomst’ is een kwalificatie. Volgens art. 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst in het algemeen tot stand door aanbod en aanvaarding. Ook ‘aanbod’ en ‘aanvaarding’ zijn kwalificaties. Als de wederpartij het bestaan van de overeenkomst niet betwist, zal de eisende partij kunnen volstaan met te stellen dat er een overeenkomst is gesloten. Als de wederpartij het bestaan van de overeenkomst wel betwist, zal de eiser het bestaan daarvan met concrete feitelijkheden (ook wel ‘hulpfeiten’ genoemd) moeten onderbouwen. Wat gesteld moet worden is dan datgene wat er feitelijk is gebeurd waaruit afgeleid kan worden dat een overeenkomst is tot stand gekomen, bijvoorbeeld wat de partijen bij wijze van aanbod en aanvaarding tegen elkaar hebben gezegd of aan elkaar hebben geschreven.1
De stelplicht gaat vooraf aan (eventuele) bewijslevering. Wie niet genoeg feiten stelt voor het door hem ingeroepen rechtsgevolg, behoeft door de rechter die de zaak beslist niet tot bewijslevering te worden toegelaten.2 Dat is begrijpelijk en vanzelfsprekend want ook als de wel gestelde feiten door bewijslevering zouden komen vast te staan, moet de vordering nog steeds worden afgewezen omdat het ingeroepen rechtsgevolg daaruit niet is af te leiden.
Hoe streng met de stelplicht en de consequenties van het niet voldoen daaraan moet worden omgegaan is een andere vraag. Een procedure al te snel afdoen op de stelplicht kan ongelukkig zijn. Zoals vrijwel steeds heeft de rechter ook hier een zekere mate van vrijheid van appreciatie bij de beoordeling ervan of een partij voldoende heeft gesteld. Het is zeker in eerste instantie niet uitgesloten dat de rechter bewijs opdraagt hoewel de feitelijke stellingen eigenlijk te summier zijn. Hij is daartoe niet verplicht, maar kán het wel doen. De feitelijke gegevens die dan in een getuigenverhoor boven water komen, kunnen dienen als grondslag voor de vordering of het (bevrijdend) verweer.