Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8:8
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8
8
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS995377:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie C.J.H. Jansen 2015, p. 126. Dit werd in 1921 afgeschaft door het Academisch Statuut, zie Jansen 2015, p. 221.
Zie ook Asser 1896, p. 412: “De moeielijkste en tevens in de praktijk belangrijkste vraag echter (…) was deze, of het recht van terughouding blijft bestaan, in geval van faillissement (…) van dengene, tegen wien dat recht wordt uitgeoefend.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het retentierecht is van alle tijden. Eind 19e eeuw is een aantal proefschriften verschenen over het retentierecht. Genoemd kunnen worden: Browne (1882), Wildervanck (1890) en Gerritsen (1894). Deze proefschriften stammen uit de tijd waarin de rechtenstudie nog werd afgesloten met een doctoraat.1 Ze geven korte uiteenzettingen. Ze zijn met name nuttig om de stand van het toenmalige denken over het retentierecht in terug te vinden. Ze bevatten veelal een historische beschouwing over het retentierecht en buigen zich over de vraag die velen destijds bezighield, namelijk of het retentierecht ook kon bestaan buiten de in wet geregelde gevallen. Ook besteden deze proefschriften aandacht aan de vraag, of het retentierecht blijft bestaan wanneer de schuldenaar failliet wordt verklaard. Het was destijds, vlak voor de invoering van de Faillissementswet, een vraag die de gemoederen flink bezighield.2
In de loop van de twintigste eeuw zijn de proefschriften van Thors, Het recht van terughouding (1934) en van Heyning-Plate, Eigenrichting tot zekerheid. De exceptio non adimpleti contractus en het retentierecht (1969) verschenen. Thors gaat onder meer in op de derdenwerking van het retentierecht en de vraag of het retentierecht vervalt door zekerheidsstelling. Net als zijn 19e eeuwse voorgangers behandelt hij de aloude vraag of het retentierecht ook bestaat buiten de in de wet geregelde gevallen. Het proefschrift van Heyning-Plate is breed van opzet: zij bespreekt het retentierecht en de exceptio non adimpleti contractus en besteedt ook aandacht aan verrekening, in historisch opzicht en met korte overzichten van enkele buitenlande rechtsstelsels.
Niet lang voor het inwerking treden van het BW rondden Fesevur (1988) en Aarts (1990) een proefschrift af over het retentierecht. Hun beider proefschriften gaan hoofdzakelijk over het Oud BW, maar beiden blikken op veel plaatsen al vooruit naar het (destijds) komende recht. Door middel van hun proefschrift kan goed de historische lijn worden getrokken richting het heden. Beide gaan nauwelijks in op de consequenties van het retentierecht bij verhaal (buiten, noch tijdens faillissement).
Het meest recente proefschrift is dat van Logmans (2011), getiteld: Zekerheid op lading. Pandrecht en retentierecht in het handelsverkeer. Het gaat breed rechtsvergelijkend in op de handelsrechtelijke retentierechten uit Boek 8 BW. De algemene regeling van het retentierecht uit Boek 3 komt aan de orde vanuit het perspectief van het vervoerrecht. Logmans laat specifiek beslagrechtelijke- en faillissementsrechtelijke implicaties van het algemene retentierecht uit Boek 3 BW buiten beschouwing.