NJB 2023/1094:Onschuldpresumptie art. 6 lid 2 EVRM en witwassen art. 420bis lid 1 onder b Sr: in casu kon en mocht het hof wel oordelen – hoewel zulks niet als zodanig was tenlastegelegd – dat ‘het onmiskenbaar de bedoeling is geweest van […] de verdachte om de inkomsten uit het zicht van de curator en het faillissement te houden en dat de verdachte actief daaraan heeft bijgedragen’, aangezien dit oordeel rechtstreeks verband houdt met de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit kan worden bewezenverklaard, maar niet dat de verdachte zich daarmee schuldig zou hebben gemaakt aan schending van de inlichtingenplicht (art. 105 Fw jo art. 194 Sr) waarbij mogelijk schuldeisers zijn benadeeld (art. 20 Fw jo art. 341 aanhef en onder 1 (oud) Sr); deze laatste oordelen zijn in strijd met de onschuldpresumptie. A-G: anders.