NJB 2023/1094
Onschuldpresumptie art. 6 lid 2 EVRM en witwassen art. 420bis lid 1 onder b Sr: in casu kon en mocht het hof wel oordelen – hoewel zulks niet als zodanig was tenlastegelegd – dat ‘het onmiskenbaar de bedoeling is geweest van […] de verdachte om de inkomsten uit het zicht van de curator en het faillissement te houden en dat de verdachte actief daaraan heeft bijgedragen’, aangezien dit oordeel rechtstreeks verband houdt met de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit kan worden bewezenverklaard, maar niet dat de verdachte zich daarmee schuldig zou hebben gemaakt aan schending van de inlichtingenplicht (art. 105 Fw jo art. 194 Sr) waarbij mogelijk schuldeisers zijn benadeeld (art. 20 Fw jo art. 341 aanhef en onder 1 (oud) Sr); deze laatste oordelen zijn in strijd met de onschuldpresumptie. A-G: anders.
HR 11-04-2023, ECLI:NL:HR:2023:539
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11 april 2023
- Magistraten
Mrs. J. de Hullu, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens
- Zaaknummer
21/01893
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:539, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11‑04‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:233, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑02‑2023
- Wetingang
Essentie
Onschuldpresumptie art. 6 lid 2 EVRM en witwassen art. 420bis lid 1 onder b Sr: in casu kon en mocht het hof wel oordelen – hoewel zulks niet als zodanig was tenlastegelegd – dat ‘het onmiskenbaar de bedoeling is geweest van […] de verdachte om de inkomsten uit het zicht van de curator en het faillissement te houden en dat de verdachte actief daaraan heeft bijgedragen’, aangezien dit oordeel rechtstreeks verband houdt met de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde feit kan worden bewezenverklaard, maar niet dat de verdachte zich daarmee schuldig zou hebben gemaakt ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.