NJB 2024/2154
‘Mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr: daaronder moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In casu kan uit de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte de aangever in een hoop bladeren heeft geduwd, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte aangever heeft ‘mishandeld’ in voormelde zin.
HR 15-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1459
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, C. Caminada
- Zaaknummer
22/02576
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1459, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:654, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
- Wetingang
(art. 300 Sr)
Essentie
‘Mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr: daaronder moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In casu kan uit de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte de aangever in een hoop bladeren heeft geduwd, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte aangever heeft ‘mishandeld’ in voormelde zin.