NJB 2024/2154:‘Mishandeling’ in de zin van art. 300 Sr: daaronder moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid en – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In casu kan uit de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte de aangever in een hoop bladeren heeft geduwd, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte aangever heeft ‘mishandeld’ in voormelde zin.