Hof 's-Hertogenbosch, 28-07-2022, nr. 200.307.864, 01
ECLI:NL:GHSHE:2023:1159
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
28-07-2022
- Zaaknummer
200.307.864_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2023:1159, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 13‑04‑2023; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2022:2652
ECLI:NL:GHSHE:2022:2652, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 28‑07‑2022; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2023:1159
Uitspraak 13‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Hoofdverblijf, vervangende toestemming verhuizing, inschrijving school en zorg- en contactregeling.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 13 april 2023
Zaaknummer: 200.307.864/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/386173 / FA RK 21-2613
vervolgbeschikking van de meervoudige kamer van 13 april 2023
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.A. van Essen.
Het hof merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: GI (gecertificeerde instelling).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijf, inschrijving school en zorg- en contactregeling betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats]
(hierna: [minderjarige] ).
5. De tussenbeschikking van 28 juli 2022
5.1.
Het hof heeft in de tussenbeschikking overwogen dat het zich op grond van de beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de daarmee samenhangende verzoeken met betrekking tot de vervangende toestemming en de zorgregeling. Het hof heeft daarom de raad verzocht om het door de rechtbank reeds gelaste (maar nog niet gestarte) (beschermings)onderzoek uit te breiden. Het hof heeft de raad verzocht een uitgebreider onderzoek in te stellen en tevens te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:
- welke hoofdverblijfplaats (bij de vader of de moeder) is het meest in het belang van [minderjarige] ?
- in hoeverre komt een verhuizing van [minderjarige] van [woonplaats vader] naar de moeder in [woonplaats moeder] tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- in verband hiermee: in hoeverre komt inschrijving op een andere school in [woonplaats moeder] tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- hoe kan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (waaronder de vakanties en feestdagen) qua aard, duur en frequentie in het belang van [minderjarige] het beste vorm gegeven worden?
- welke rol is hierin wenselijk voor de grootouders vaderszijde?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden? Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de rol van het eventueel toekomstige samengestelde gezin van de vader en de mogelijkheid van toekomstige kinderen van de moeder en haar huidige partner.
5.2.
Bij die beschikking heeft het hof beslist als volgt:
- -
verzoekt de raad de verzoeken van de moeder bij het lopende raadsonderzoek te betrekken en zodoende een onderzoek in te stellen conform hetgeen onder rechtsoverweging 3.8.8. van de tussenbeschikking is overwogen;
- -
verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 28 november 2022.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport van de raad d.d. 11 november 2022;
- het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 29 november 2022;
- het V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 9 december 2022.
6.2.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Schuijlenburg;
-de vader, bijgestaan door mr. van Essen;
- [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] namens de raad;
6.3.
De GI is, met bericht van verhindering, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
7. De verdere beoordeling in hoger beroep
De (nadere) standpunten
7.1.1.
De raad adviseert - kort samengevat - om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader vast te stellen. Er zijn zowel bij de vader als bij de moeder geen contra-indicaties en in dat geval acht de raad de mate van stabiliteit en continuïteit in het leven van [minderjarige] van doorslaggevend belang. [minderjarige] ervaart momenteel stabiliteit en regelmaat in hoe haar verblijfplaats nu is geregeld, namelijk bij de vader. Hoewel de raad ziet dat [minderjarige] het ook fijn heeft bij de moeder, vindt de raad het niet in het belang van [minderjarige] om een grote verandering door te voeren in haar dagelijkse leven. Vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] . Hiermee concludeert de raad dat een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats moeder] niet tegemoet komt aan haar belangen. In zijn advisering heeft de raad uitdrukkelijk meegewogen dat de vader voornemens is om met zijn huidige partner te gaan samenwonen.
7.1.2.
De raad adviseert de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. [minderjarige] verblijft van maandag tot en met vrijdag bij de vader. Op vrijdag haalt de moeder [minderjarige] op van school en vervolgens verblijft [minderjarige] het weekend bij de moeder, tot zondagmiddag. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] is het wenselijk dat zij op zondagavond op tijd gaat slapen en dus door de vader vóór het avondeten bij de moeder wordt opgehaald. Verder adviseert de raad dat [minderjarige] van de vier weekenden in een maand, drie weekenden bij de moeder en één weekend bij de vader verblijft. De raad geeft het hof mee om bij de vaststelling van het weekend bij de vader in overweging te nemen dat dit het weekend kan zijn dat de kinderen van de partner van de vader er ook zijn, omdat de vader met zijn partner een samengesteld gezin zal gaan vormen. De vakanties en de feestdagen kunnen wat de raad betreft bij helfte worden verdeeld.
7.1.3.
De raad ziet geen aparte opvoedersrol meer voor de grootouders, anders dan de klassieke opa-oma rol.
7.2.
De moeder is het niet eens met het advies van de raad betreffende het hoofdverblijf, de verhuizing en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Er staan onjuiste zaken in het verslag van de raad en bepaalde informatie is ernstig gedateerd. De raad geeft aan dat stabiliteit en regelmaat belangrijk is voor [minderjarige] . Aangezien de vader op zijn werk onregelmatige diensten draait, zal het advies van de raad ertoe leiden dat [minderjarige] doordeweeks in meerdere woningen zal verblijven. De huidige onstabiele situatie wordt hiermee juist voortgezet. Dat klemt temeer nu de vader heeft aangekondigd te gaan samenwonen met zijn huidige partner en [minderjarige] daarmee in een samengesteld gezin terecht komt. De raad heeft dit onvoldoende meegenomen in het advies.
[minderjarige] woont en leeft al tweeëneenhalf jaar deels in [woonplaats moeder] en heeft daar ook een sociaal leven opgebouwd. Met een volledige verhuizing naar [woonplaats moeder] wordt zij dus niet uit haar vertrouwde omgeving gehaald. Wanneer het advies van de raad wordt gevolgd zal de moeder nooit onbelast contact kunnen hebben met [minderjarige] . De vader staat dat niet toe en hij informeert de moeder niet.
Ten slotte is de moeder het niet eens met de visie van de raad dat zij onvoldoende in staat zou zijn de emotionele en praktische gevolgen van de verhuizing in te zien.
7.3.
De vader kan zich vinden in de adviezen van de raad.
De beoordeling
7.4.
Het hof overweegt als volgt.
Hoofdverblijfplaats
7.4.1.
Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt.
De moeder heeft verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen. De vader heeft verzocht dit verzoek af te wijzen. Hij heeft niet zelfstandig het verzoek gedaan om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. De discussie tussen de ouders is echter wel gegaan over de vraag: moet [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader of bij de moeder hebben. Op die manier is de vraag ook voorgelegd aan de raad en door de raad beantwoord.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Gelet op het wettelijk kader en het verloop van de discussie, het onderzoek van de raad en de mogelijkheid die de ouders gehad hebben om zich uit te laten over het hoofdverblijf van [minderjarige] , zowel schriftelijk als op de mondelinge behandeling, is het hof van oordeel dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader moet zijn. Het hof zal daarom het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf bij haar te bepalen afwijzen, en zal hierna uitleggen waarom.
7.4.2.
Vaststaat dat de relatie tussen de vader en de moeder sinds september 2020 is geëindigd en dat [minderjarige] sinds het uit elkaar gaan van de ouders bij de vader woont. Uit het onderzoek van de raad is naar voren gekomen dat er in beide opvoedsituaties geen contraindicaties zijn en in dat geval kijkt de raad naar de mate van stabiliteit en continuïteit in het leven van [minderjarige] . De raad heeft geconcludeerd dat [minderjarige] die stabiliteit en regelmaat momenteel ervaart bij de vader, op de wijze zoals haar verblijfplaats nu geregeld is. Hoewel het hof begrijpt dat de moeder graag zou willen dat [minderjarige] bij haar komt wonen en dat [minderjarige] het fijn heeft bij de moeder, volgt het hof de raad in het advies en is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om een grote verandering als een verhuizing en een wijziging van school door te voeren in haar dagelijks leven.
[minderjarige] ervaart haar sociale contacten met name in [woonplaats vader] , zijnde de omgeving van de vader, en gaat daar ook naar school. De vader heeft een bestendige relatie met zijn huidige partner die in [plaats] woont. Hoewel de vader al langer het voornemen had met haar te gaan samenwonen heeft hij daar in het belang van [minderjarige] mee gewacht. De raad heeft benadrukt dat de eventuele verhuizing van de vader (met [minderjarige] ) naar [plaats] en daarmee de samenwoning met zijn partner in het onderzoek is meegenomen. De afstand tussen [woonplaats vader] en [plaats] is zodanig klein dat [minderjarige] niet hoeft te wisselen van school. Bovendien zal het samenwonen van de vader met de nieuwe partner er juist toe leiden dat er op termijn nog maar één opvoedsituatie bij de vader is, hetgeen het hof, evenals de raad, als een pluspunt ziet.
Het hof volgt de moeder dan ook niet in haar stelling dat er sprake zou zijn van een onstabiele situatie voor [minderjarige] als zij haar hoofdverblijf niet bij de moeder heeft.
De stelling van de moeder dat zij er vaker dan de vader voor [minderjarige] kan zijn en dat zij zich zorgen maakt over de gezondheid van [minderjarige] , meer in het bijzonder over haar gewicht en de hygiëne bij de vader, leidt niet tot een ander oordeel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat [minderjarige] een traject bij de kinderarts heeft doorlopen, welk traject thans is afgerond omdat er vanuit de arts geen zorgen meer bestaan. De vader heeft de door de moeder geuite zorgen naar het oordeel van het hof voldoende weerlegd.
Vervangende toestemming (verhuizing en inschrijving school)
7.4.3.
De situatie dat de moeder inmiddels in [woonplaats moeder] woont, heeft het hof bij de beslissing over het hoofdverblijf betrokken. De overweging dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal moeten hebben, brengt daarom mee dat het hof het verzoek van de moeder om [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te laten verhuizen en daar naar school te laten gaan, zal afwijzen. Bij die beslissing heeft het hof meegewogen wat de redenen waren voor de moeder om in [woonplaats moeder] te gaan wonen en dat zij niet zomaar weer terug kan verhuizen naar [woonplaats vader] .
Zorgregeling
7.4.4.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
7.4.5.
In samenhang met de verzoeken van de moeder tot bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder en vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving op een andere school heeft de moeder verzocht om een zorgregeling voor de vader. Het hof begrijpt dit verzoek aldus dat zij daarmee ook (voorwaardelijk) heeft bedoeld te verzoeken een zorgregeling voor zichzelf vast te stellen voor het geval het hof haar andere verzoeken afwijst.
7.4.6.
De raad heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe de verdeling van de zorg en opvoedingstaken in het belang van [minderjarige] het beste kan worden vormgegeven.
7.4.7.
De raad adviseert, zoals in rov 7.1.2. uiteengezet is, uitgaande van de situatie dat [minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft, het volgende. Omdat het van belang is dat [minderjarige] ook de moeder onbelast kan blijven zien en met haar een band kan opbouwen, zal [minderjarige] het weekend bij de moeder verblijven. Van de vier weekenden per maand adviseert de raad dat [minderjarige] er drie bij de moeder doorbrengt en één bij de vader. Het hof volgt de raad in dit advies en is van oordeel dat deze zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is.
7.4.8.
Nu tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de vader en de moeder sinds 1 januari jongstleden invulling geven aan deze door de raad geadviseerde zorgregeling en dat deze regeling ook goed verloopt, zal het hof de zorgregeling dienovereenkomstig vaststellen, zoals hierna onder 8. vermeld.
7.4.9.
Het hof zal de vakanties en feestdagen, eveneens conform het advies van de raad bij helfte verdelen.
Conclusie
7.5.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en aanvullen voor zover het betreft het (door het hof ingelezen) verzoek van de moeder tot vaststelling van een regeling omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het hof zal de andere verzoeken van de moeder afwijzen.
8. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 14 december 2022;
en in aanvulling daarop rechtdoende:
stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en [minderjarige] de volgende regeling vast:
- -
[minderjarige] verblijft drie van de vier weekenden per maand bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag van school haalt en de vader [minderjarige] op zondag vóór het avondeten bij de moeder ophaalt;
- -
de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.M.C. Dumoulin, en M. van Ham, bijgestaan door mr. E.G.A. Gubbels-Janssen als griffier en is in het openbaar uitgesproken door mr. E.M.C. Dumoulin op 13 april 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 28‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Hoofdverblijf, vervangende toestemming verhuizing, inschrijving school en zorg- en contactregeling. Het hof gelast uitbreiding van het raadsonderzoek en houdt iedere verdere beslissing aan.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 28 juli 2022
Zaaknummer: 200.307.864/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/386173 FA RK 21-2613
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.A. van Essen.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over de vervangende toestemming verhuizing, hoofdverblijf, inschrijving school en zorg- en contactregeling betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats]
(hierna: [minderjarige] ).
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 14 december 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2022, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verzoeken van de moeder, strekkende tot verkrijging van vervangende toestemming voor een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats moeder] , inschrijving op een school aldaar, bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder en bepaling van een zorgregeling voor de vader toe te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 juni 2022, heeft de vader verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de grief van de moeder ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen; kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- -
de moeder, bijgestaan door mr. Schuijlenburg;
- -
de vader, bijgestaan door mr. Van Essen;
- -
[vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 november 2021;
- -
een V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 6 april 2022;
- -
een V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 15 juni 2022.
3. De beoordeling
De feiten
3.1.
De vader en de moeder hebben gedurende acht jaar een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie medio september 2020 is verbroken. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
[minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de vader. Sinds november 2020 verblijft [minderjarige] op grond van een voorlopige zorgregeling afwisselend bij de vader, de moeder en de grootouders vaderszijde.
3.2.
De ouders hebben na het beëindigen van hun affectieve relatie geen ouderschapsplan gemaakt. Wel zijn er met hulpinterventie voorlopige afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] die vanaf november 2020 tot heden worden nageleefd.
In de ene week gaat [minderjarige] op woensdag vanuit school naar de vader, waar zij dan blijft overnachten. Op donderdag brengt de vader [minderjarige] naar school. De grootouders vaderszijde halen [minderjarige] van school, waarna [minderjarige] bij de grootouders blijft. Op vrijdag wordt [minderjarige] na haar zwemles door de moeder opgehaald bij de grootouders vaderszijde, waarna [minderjarige] het weekend bij de moeder in [woonplaats moeder] verblijft. De moeder brengt [minderjarige] op zondag na het middageten weer terug naar de grootouders vaderszijde waar ze verblijft tot dinsdag voor school.
In de andere week verblijft [minderjarige] van dinsdag na schooltijd tot vrijdagochtend bij de vader. De vader brengt [minderjarige] dan naar school, waarna zij door de grootouders vaderszijde van school wordt opgehaald. Vervolgens haalt de moeder [minderjarige] op bij de grootouders vaderszijde en blijft [minderjarige] tot zaterdagavond bij de moeder in [woonplaats moeder] . Daarna wordt [minderjarige] door de moeder weer teruggebracht naar de grootouders vaderszijde waar ze verblijft tot dinsdag voor school.
3.3.
Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder tot (kort weergegeven):
- vervangende toestemming om samen met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen en haar op een nieuwe school aldaar in te schrijven;
- bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder;
- het vaststellen van een zorg- en contactregeling in die zin dat de vader gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag naar de vader zal brengen en de man [minderjarige] op zondagavond naar de moeder terug zal brengen, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen;
afgewezen.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat het volgende aan. De moeder ervaart de afwijzing van haar verzoeken door de rechtbank als een blokkade van haar recht om na de relatiebreuk met de vader haar leven opnieuw in te richten. De moeder betwist de summiere overwegingen van de rechtbank en kan zich niet vinden in de beoordeling door de rechtbank van de criteria van de noodzaak om te verhuizen. Het is onjuist dat door een verhuizing van [minderjarige] de feitelijke uitoefening van het gezag door de vader en de contactregeling van de vader met [minderjarige] worden beperkt. Aangezien de vader de zorg over [minderjarige] met de grootouders deelt en [minderjarige] dus feitelijk maar enkele dagen per week bij de vader verblijft, is van een uitgebreide contactregeling geen sprake. Er is in het geheel geen sprake van een situatie waarin [minderjarige] doordeweeks bij de vader woont. [minderjarige] verblijft immers een deel van de week bij de grootouders vaderszijde.
De moeder heeft wel degelijk aannemelijk gemaakt dat zij geen woonruimte in [woonplaats vader] en omgeving heeft kunnen vinden. Vanwege huiselijk geweld heeft de moeder de woning waar zij met de vader woonde, acuut moeten verlaten en is zij gevlucht naar een safe house. De moeder kwam niet in aanmerking voor urgentie en kon ook anderszins geen alternatieve woonruimte vinden in de omgeving van [woonplaats vader] . Het feit dat het vermogen van de moeder onder bewind staat maakt het ook niet makkelijker. Daarop is zij noodgedwongen bij haar huidige partner in [woonplaats moeder] ingetrokken. Deze nieuwe partner heeft een eigen woning en daarnaast ook zijn werk, familie en vrienden in - en is daarmee dus gebonden aan - [woonplaats moeder] .
De moeder is verder van mening dat een verhuizing en verandering van school voor [minderjarige] geen bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] zal vormen. [minderjarige] verblijft immers feitelijk al geruime tijd ieder weekend in [woonplaats moeder] en is daar inmiddels ook gewend en gehecht. De moeder heeft haar verhuizing wel degelijk voldoende voorbereid en doordacht. Er is een school vlakbij en ook de buitenschoolse opvang is geregeld.
De moeder meent dat de gevolgen van een verhuizing voor de vader in voldoende mate gecompenseerd worden. De betrokkenheid van de vader zal niet minder worden wanneer [minderjarige] in het weekend bij de vader zou verblijven. Zoals beschreven verblijft [minderjarige] momenteel ook niet de hele week bij de vader. Daarbij is de reisafstand tussen [woonplaats moeder] en [woonplaats vader] niet onoverkomelijk en blijft de moeder bereid om haar aandeel te leveren in het brengen en halen van [minderjarige] .
Het is volgens de moeder geen gewenste situatie dat [minderjarige] nu feitelijk in drie huishoudens woont, bij de vader, de grootouders vaderszijde en bij de moeder. Feitelijk komt er zelfs nog een vierde huishouden bij, omdat de vader vaak met [minderjarige] verblijft bij zijn nieuwe partner. Een verhuizing van [minderjarige] naar [woonplaats moeder] is niet in strijd met de belangen van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande meent de moeder dat haar belang om samen met [minderjarige] en haar nieuwe partner een gezin te vormen en [minderjarige] in gezinsverband in [woonplaats moeder] te laten opgroeien zwaarder moet wegen dan het belang van de man bij instandhouding van de huidige situatie.
3.6.
De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende aan. De vader betwist dat er sprake is geweest van huiselijk geweld. Er was geen enkele noodzaak voor de moeder om te verhuizen naar [woonplaats moeder] althans zij heeft deze onvoldoende aannemelijk gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft de moeder verklaard dat haar nieuwe partner niet gebonden was aan de regio [woonplaats moeder] . In hoger beroep voert de moeder aan dat haar partner wél gebonden zou zijn aan die regio. De moeder laat na te onderbouwen om welke reden dit zou moeten prevaleren boven het belang van [minderjarige] om in [woonplaats vader] te blijven wonen bij haar familie en vrienden.
[minderjarige] heeft momenteel rust en stabiliteit gevonden in haar huidige omgeving en is gewend aan het feit dat zij in drie huishoudens verblijft. Wanneer de moeder wordt gevolgd in haar verzoeken dan komt er een einde aan deze voor [minderjarige] vertrouwde situatie. De moeder onderbouwt niet in hoeverre dat in het belang van [minderjarige] is. Evenmin onderbouwt de moeder haar stelling dat de situatie bij [minderjarige] steeds meer gaat knellen. De directeur van de huidige school van [minderjarige] geeft zelfs aan dat een verandering van school de ontwikkeling van [minderjarige] zou kunnen remmen en haar gevoel van veiligheid en zelfvertrouwen zal schaden. Zelfs wanneer de vader met zijn nieuwe partner zou gaan samenwonen in Etten-Leur, kan [minderjarige] gewoon op dezelfde school blijven. De vader zal zich schikken naar het belang van [minderjarige] .
De moeder daarentegen heeft de verhuizing onvoldoende doordacht. Dat achteraf blijkt dat [minderjarige] inmiddels vrienden heeft gemaakt maakt dat niet anders. Een verhuizing zal hoe dan ook tot gevolg hebben dat zowel de vader als ook de grootouders minder (kwalitatief) contact hebben met [minderjarige] . Doordeweekse omgang is gelet op de afstand van 80 kilometer enkele reis onwenselijk. De moeder heeft verder ook geen alternatieven geboden om de gevolgen van een verhuizing voor [minderjarige] en de vader te verzachten of te compenseren.
De grief van de moeder treft geen doel en zou door het hof ongegrond verklaard dienen te worden.
3.7.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht.
Het gezin staat momenteel op de wachtlijst voor een onderzoek door de raad in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel. In de onderhavige kwestie gaat het echter over de vraag waar [minderjarige] zou moeten wonen en hoe de verdeling van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] er uit zou moeten zien. Daarover kan binnen het beschermingsonderzoek niets bepaald worden.
De situatie is op dit moment stabiel voor [minderjarige] . Er is wat de raad betreft geen argument om te zeggen dat [minderjarige] geen schoolwissel zou kunnen doormaken. De huidige relatie van de moeder is nu bestendiger dan toen ze - in paniek - naar [woonplaats moeder] vertrok. Toch kan de raad zich onvoldoende vinden in een verhuizing van [minderjarige] dan wel in bepaling van haar hoofdverblijf bij de moeder in [woonplaats moeder] . Het is voor de raad op dit moment niet helemaal duidelijk hoe de ouders de zorgtaken onderling zouden kunnen verdelen. De raad weet niet hoeveel dagen de ouders allebei werken en hoeveel opvang ze nodig zouden hebben. Het is voor [minderjarige] prettig om opgevangen te worden door de grootouders vaderszijde. Wanneer [minderjarige] bij de moeder zou gaan wonen, zou ze naar de kinderopvang kunnen gaan. Het is voor de raad in ieder geval duidelijk dat hoewel de grootouders vaderszijde belangrijk zijn voor [minderjarige] , zij nu een te grote rol hebben. Het is belangrijk dat er goed gekeken wordt naar hoe deze puzzel in het belang van [minderjarige] gelegd moet worden. Daarbij zou dan ook meegewogen moeten worden dat [minderjarige] bij de vader in de toekomst mogelijk in een samengesteld gezin terecht komt, mocht hij gaan samenwonen met zijn nieuwe partner, en dat de partner van de moeder op dit moment geen kinderen heeft.
De motivering van de beslissing
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Het onderwerp van geschil en het verzoek van de moeder betreft de bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] , de vervangende toestemming tot verhuizing naar [woonplaats moeder] en inschrijving op een school aldaar en de bepaling van een zorgregeling voor de vader.
3.8.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
3.8.3.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande dan wel een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming (verhuizing en inschrijving school) en zorgregeling
3.8.4.
De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. Bij een dergelijke beslissing dient het hof – conform vaste rechtspraak – alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. Zo heeft de rechtbank ook uitgebreid uiteengezet in de bestreden beschikking.
3.8.5.
Echter, het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving op een school in [woonplaats moeder] komt eerst aan de orde wanneer het hoofdverblijf van [minderjarige] is bepaald. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling.
3.8.6.
Gebleken is dat [minderjarige] weliswaar staat ingeschreven bij de vader en haar feitelijke woonplaats bij de vader heeft, maar van formele vaststelling van de hoofdverblijfplaats is, voor zover het hof kan beoordelen, geen sprake. Er is nog altijd sprake van een door de vader en de moeder vastgestelde tijdelijke regeling. Het is in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt en dat er een definitieve regeling wordt vastgelegd. Hoewel de vader en de moeder hard hebben gewerkt aan hun communicatie, blijft het hoofdverblijf van [minderjarige] een groot pijnpunt tussen hen. Volgens de moeder is het in het belang van [minderjarige] dat zij haar hoofdverblijf bij de moeder krijgt en dat de moeder samen met [minderjarige] een nieuw leven in [woonplaats moeder] kan opbouwen. De vader stelt zich op het standpunt dat [minderjarige] bij hem in [woonplaats vader] zou moeten blijven wonen. De vader stelt flexibel te zijn met het indelen van zijn werktijden en [minderjarige] zelf uit school te kunnen halen. De vader heeft aangegeven dat [minderjarige] veel vaker bij hem zou kunnen blijven en minder bij de grootouders vaderszijde zou hoeven verblijven.
3.8.7.
Tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat er in het kader van een beschermingsonderzoek een raadsonderzoek is gevraagd. Zowel de vader als de moeder hebben desgevraagd aangegeven het wenselijk te vinden dat de raad het verzoek omtrent het hoofdverblijf van [minderjarige] en de daarmee samenhangende verzoeken, meeneemt in dat onderzoek en zodoende de gehele situatie nader in kaart brengt.
3.8.8.
Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de daarmee samenhangende verzoeken met betrekking tot vervangende toestemming en de zorgregeling. Het hof zal daarom de raad verzoeken om het reeds gelaste (maar nog niet gestarte) (beschermings)onderzoek uit te breiden. Het hof verzoekt de raad dan ook een uitgebreider onderzoek in te stellen en tevens te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:
- welke hoofdverblijfplaats (bij de vader of de moeder) is het meest in het belang van [minderjarige] ?
- in hoeverre komt een verhuizing van [minderjarige] van [woonplaats vader] naar de moeder in [woonplaats moeder] tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- in verband hiermee: in hoeverre komt inschrijving op een andere school in [woonplaats moeder] tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- hoe kan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (waaronder de vakanties en feestdagen) qua aard, duur en frequentie in het belang van [minderjarige] het beste vorm gegeven worden?
- welke rol is hierin wenselijk voor de grootouders vaderszijde?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden? Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de rol van het eventueel toekomstige samengestelde gezin van de vader en de mogelijkheid van toekomstige kinderen van de moeder en haar huidige partner.
3.8.9.
Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad. Zo nodig bepaalt het hof een tweede mondelinge behandeling.
3.8.10.
Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
Het hof:
verzoekt de raad de verzoeken van de moeder bij het lopende raadsonderzoek te betrekken en zodoende een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.8.8. is overwogen;
verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 28 november 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. van Leeuwen, A.M. Bossink en E.M.C. Dumoulin, bijgestaan door mr. E.G.A. Gubbels-Janssen als griffier en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink op 28 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.