HR, 02-12-2022, nr. 22/00198
ECLI:NL:HR:2022:1795
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-12-2022
- Zaaknummer
22/00198
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1795, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑12‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:4397
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑03‑2022
- Vindplaatsen
V-N 2022/54.22 met annotatie van Redactie
NLF 2022/2504 met annotatie van Yola Geradts
NTFR 2022/3853 met annotatie van mr. F.A.C. den Ouden
FED 2023/21 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
BNB 2023/71 met annotatie van G.J.M.E. DE BONT
Viditax (FutD) 2022120219
FutD 2022-3239
Uitspraak 02‑12‑2022
Inhoudsindicatie
artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001; termijn voor verzoek om ambtshalve vermindering; is een verzoek mogelijk indien de belastingaanslag wordt opgelegd na het einde van deze vijfjaarstermijn?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00198
Datum 2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 december 2021, nr. 20/007751., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/2228) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2013 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.M. Lalji, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door L.M. Lalji, voornoemd, advocaat te Amsterdam.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 30 maart 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over het jaar 2013, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 141.882. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van € 4.552 en is € 12.777 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.2
Belanghebbende heeft per brief van 24 september 2019 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. De Inspecteur heeft de brief tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering op de voet van artikel 9.6 Wet IB 2001. In deze zaak gaat het alleen om het verzoek om ambtshalve vermindering.2.De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.3
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht heeft afgewezen. Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Daartoe heeft het onder meer geoordeeld dat het verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend na afloop van de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) en dat aan de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is niet wordt toegekomen.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling brengt mee dat een verzoek om ambtshalve vermindering moet zijn ingediend binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Dit heeft tot gevolg dat het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering binnen deze termijn niet mogelijk is indien die belastingaanslag, zoals in dit geval de navorderingsaanslag, wordt opgelegd na het einde van deze vijfjaarstermijn. Anders dan het middel betoogt, betekent dit niet dat de hiervoor bedoelde termijn in zo’n geval niet geldt. Deze onmogelijkheid is het gevolg van de keuze van de regelgever de termijn voor indiening van een verzoek om ambtshalve vermindering afhankelijk te stellen van het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft, en bijvoorbeeld niet van het einde van de navorderingstermijn of het moment waarop de belastingaanslag is opgelegd. Mede gelet op de mogelijkheid tegen een navorderingsaanslag als de onderhavige een rechtsmiddel aan te wenden, kan niet worden gezegd dat het handhaven van de hiervoor genoemde termijn in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het middel faalt daarom.
3.2
Opmerking verdient dat het geval van belanghebbende verschilt van de situatie die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871, waarnaar het middel verwijst. Daarin ging het om een tijdig verzonden verzoek dat als gevolg van een niet voor rekening van belanghebbende komende omstandigheid na afloop van de vijfjaarstermijn door de inspecteur was ontvangen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑12‑2022
In de zaak met nummer 22/00197 over de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag doet de Hoge Raad vandaag eveneens uitspraak (ECLI:NL:HR:2022:1708).
Beroepschrift 10‑03‑2022
Motivering van beroep in cassatie namens [X] tegen uitspraak Gerechtshof Amsterdam d.d. 16 december 2021
Inzake : [X]/Inspecteur Belastingdienst
Betreft : gronden van Cassatieberoep
[…], 10 maart 2022
Edelhoogachtbaar College,
Hierbij motiveer ik het beroep in cassatie namens [X] terzake het verzoek om ambtshalve vermindering met betrekking tot de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2013. [X] was in 2013 glazenwasser en (ernstig) ziek (zoals ook uit de processtukken blijkt). Desalniettemin is een extreem bedrag aan additionele Box 1-inkomsten uit glazenwassen door de Belastingdienst tot zijn inkomen gerekend in deze aanslag. Hij zou — ziek zijnde — als glazenwasser een Box 1-inkomen van € 141.882 hebben gegenereerd. Dat klopt uiteraard niet. Cliënt heeft meteen bezwaar aangetekend en ook een ambtshalve verminderingsverzoek ingediend. De navorderingsaanslag 1B 2013 heeft hij in 2019 pas vele maanden na het verstrijken van de bezwaartermijn ontvangen. In een parallelle procedure met dossier 22/00197 wordt geprocedeerd over de ontvankelijkheid van zijn bezwaarschrift tegen deze navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2013. De uitspraak van het Gerechtshof d.d. 16 december 2021 terzake de ambtshalve vermindering is volgens cliënt onjuist en dient op de volgende navolgende gronden te worden vernietigd. Belanghebbende was in 2013 een glazenwasser met diverse ziekten (bij brief d.d. 13 september 2021 aan Hof overgelegde huisartsenjournaal) die de ladder vaak niet op kon en nimmer € 179.884,- kon hebben verdiend.
Ter zitting van de rechtbank bij de behandeling van de IB 2013 d.d. 27 augustus 2020 is de ex-echtgenote van belanghebbende als getuige gehoord, citaat Proces verbaal van verhoor pagina 3:
‘[A], verklaart het volgende. Ik kan bevestigen dat [X] ernstig ziek is. ’
Aan deze getuige zijn geen andere vragen gesteld. De Belastingdienst, Rechtbank en Hof hebben belanghebbende een inhoudelijke behandeling van de navorderingsaanslag onthouden, al heeft hij die aanslag in eerste instantie niet eens ontvangen.
Cassatiemiddel
Ten onrechte en in strijd met het recht althans met (fataal) verzuim van vormen heeft het Hof in de r.o. 3.4.1 t/m 3.4.10 overwogen dat er in dit geval terzake de na de 5-jaarstermijn opgelegde (navorderings)aanslag inkomstenbelasting 2013 d.d. 30 maart 2019 geen mogelijkheid is om nog tijdig een verzoek om ambtshalve vermindering te doen, alsmede dat het niet bieden van een aanvullende termijn voor een dergelijke aanslag in dit geval niet in strijd is met het recht althans de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het evenredigheidsbeginsel). Een en ander mede gelet op de toelichting die hierna volgt.
1. Toelichting op cassatiemiddel
1.1.
Het Hof heeft op uitmuntende wijze uiteengezet waarom voor een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd na de 5-jaarstermijn op basis van een grammaticale uitleg van art. 45aa Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting er geen mogelijkheid meer zou moeten zijn om nog een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen.
1.2.
Desalniettemin is toch beroep in cassatie aangetekend en thans wordt dit beroep in cassatie gemotiveerd.
1.3.
Het resultaat van de beoordeling van het Hof is immers volstrekt onredelijk voor de burger en ook ongerijmd.
1.4.
In dit geval is de navorderingsaanslag IB 2013 opgelegd op 30 maart 2019 binnen de termijn van art. 16 AWR doch wel meer dan 5 jaar na het belastingjaar waarop de aanslag betrekking heeft (2013). Het Hof komt tot het oordeel dat in dat geval nimmer een verzoek om ambtshalve vermindering meer mogelijk is. Dit in verband met het feit dat in art. 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 een fatale 5-jaarstermijn genoemd wordt, die ten tijde van het opleggen van de aanslag al verstreken was.
1.5.
Dit resultaat is ongerijmd, onredelijk en ook in strijd met de bedoeling van de wetgever. Dit kan de wetgever nooit gewild hebben. Die heeft immers beoogd bij de totstandkoming van art. 9.6 Wet IB 2001 dat (eigenlijk) voor iedere (navorderings)aanslag inkomstenbelasting nog een mogelijkheid zou bestaan om een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen. Art. 45aa Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 geeft daarmee ook een onjuiste invulling aan de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van art. 9.6 Wet IB 2001. Het is aan de belastingrechter om deze onredelijke lacune bij een verzoek om ambtshalve vermindering in de inkomstenbelasting op te vullen. Om die reden is het oordeel van het Hof onjuist.
1.6.
Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat bepaalde categorieën aanslagen uitgesloten zouden zijn van een dergelijk verzoek simpelweg omdat de Belastingdienst pas na de termijn van 5 jaar de aanslag heeft vastgesteld. De bedoeling van de wetgever is geweest om meer rechtsbescherming te bieden voor ambtshalve verzoeken in de inkomstenbelasting dan bij andere belastingsoorten; dit heeft geleid tot art. 9.6 Wet IB 2001. Het opvallende is dat in de interpretatie van het Hof de belastingplichtige in de inkomstenbelasting er juist op achteruit is gegaan ten opzichte van de andere belastingsoorten, die immers een beroep kunnen doen op art. 23 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (waarbij lid 15 de mogelijkheid biedt om met bijzondere omstandigheden rekening te houden en ook na de 5-jaarstermijn een verzoek in behandeling te nemen).
1.7.
Een en ander kan op eenvoudige wijze door de belastingrechter worden gerepareerd, bijvoorbeeld door de mogelijkheid te bieden om in ieder geval nog één jaar na vaststelling van de desbetreffende aanslag een verzoek om ambtshalve vermindering in te kunnen dienen, ook als de 5-jaarstermijn van art. 45aa, letter a. Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 reeds is verstreken. Aldus wordt de leemte die thans in de wettelijke regeling zit, via een redelijke wetstoepassing en uitleg opgevuld.
Volgens Rechtbank Midden-Nederland, 4 februari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:383 is de 5 jaarstermijn geen harde termijn doch een zachte termijn die met toepassing van maatwerk en bijzondere omstandigheden via het evenredigheidsbeginsel kan worden opgerekt. Deze uitspraak wordt bijgevoegd toegezonden.
1.8.
Uit de wetsgeschiedenis van wetsvoorstel 32130 blijkt ook niet dat de wetgever zich gerealiseerd heeft dat bepaalde categorieën aanslagen inkomstenbelasting vanwege een 5-jaarsbegrenzing plotseling niet meer in aanmerking zouden komen voor een ambtshalve vermindering, terwijl dat onder het Besluit Fiscaal Bestuursrecht wél het geval was. Integendeel!
1.9.
Wetsvoorstel 32130, nr. 3, blz. 28:
‘In het geval thans een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag inkomstenbelasting geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, is er geen rechtsbescherming voor de belastingplichtige. Dit kan per 2009 vragen oproepen, omdat sinds dit jaar, naar aanleiding van de invoering van de basisregistratie inkomen, er wel rechtsbescherming is als het gaat om het verzamelinkomen. Het kabinet stelt dan ook voor dat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de belastingaanslag inkomstenbelasting geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, dit — net als bij het verzamelinkomen — gebeurt bij voor bezwaar vatbare beschikking.’
1.10.
En ook bij de toelichting op het desbetreffende nieuwe art. 9.6 Wet IB 2001 op blz. 51 van dit wetsvoorstel (wetsvoorstel 32130, nr. 3, blz. 51) wordt geen melding gemaakt van het feit dat een 5-jaarsbegrenzing zou gaan gelden en dat bepaalde aanslagen inkomstenbelasting buiten de boot zouden gaan vallen. Ook daaruit blijkt wel dat de wetgever de lacune die in de casus van belanghebbende aan de orde is, over het hoofd heeft gezien. Beoogd was een verbeterde rechtsbescherming en niet een slechtere rechtsbescherming. En in zoverre past art. 45aa van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 dan ook niet goed bij de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van art. 9.6 Wet IB 2001.
1.11.
Ook heeft cliënt aan het Hof verzocht om te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook die toetsing heeft niet geleid tot een verlenging van de termijn. Ook op dat punt wordt gevraagd om een hertoets door de Hoge Raad, in het bijzonder aan het evenredigheidsbeginsel en aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Op grond van het evenredigheidsbeginsel moet maatwerk worden geboden. Dit ook vanwege de extreem grote onjuiste correcties heeft belanghebbende bij een inhoudelijke behandeling een groot belang. Vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval zou ook na de 5-jaarstermijn nog een verzoek om ambtshalve vermindering moeten kunnen worden ingediend in verband met het pas opstellen van de aanslag na afloop van de desbetreffende termijn. Op grond van art. 4:84 Awb is het altijd nog mogelijk om af te wijken. Art. 3:4 en art. 4:84 Awb zijn ten onrechte door het Hof niet op een eerlijke wijze in de beoordeling meegenomen. En in het beleid bij alle overige belastingsoorten is in onderdeel 23, lid 15, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht wel een regeling opgenomen om ‘in bijzondere omstandigheden’ dit toe te staan, die zich leent voor dienovereenkomstige toepassing. En het zij herhaald: het is juist de bedoeling van de wetgever geweest om de positie van de belastingplichtige in de inkomstenbelasting te versterken ten opzichte van de andere belastingsoorten. Die bedoeling komt echter in de beoordeling van het Hof allerminst terug.
1.12.
In 3.2.6. van de uitspraak vat het Hof het verzoek om een inhoudelijke beoordeling als volgt samen’, citaat:
‘In dit verband wijst belanghebbende in hoger beroep nog specifiek op de ‘Gezamenlijke verklaring inzake spaargeld en gelden ’ van belanghebbende en zijn voormalige echtgenote. Daarnaast heeft belanghebbende grieven gericht tegen de in het controlerapport opgenomen privévermogensvergelijking.’
Het Hof is in zijn uitspraak ook niet deugdelijk ingegaan op dit standpunt van belanghebbende en geeft dit onjuist weer. Dit is onbegrijpelijk en ook heeft het Hof op geen enkele wijze gemotiveerd waarom zij dit standpunt van belanghebbende passeert. Het Hof had wel degelijk op dit standpunt van belanghebbende dienen te reageren en in ieder geval het standpunt juist moeten weergeven aangezien belanghebbende het controlerapport gemotiveerd heeft aangevallen met betrekking tot in paragraaf 6.4.1 opgenomen gecorrigeerde winst door de controleur ad € 179.884 terwijl belanghebbende een winst heeft aangegeven van € 12.766,-. Dit betreft inkomsten als glazenwasser. Belanghebbende was in 2013 reeds zodanig ziek dat hij de door de controleur gecorrigeerde winst nooit kon hebben verdiend. Het gecorrigeerde inkomen kan om die reden eenvoudigweg niet kloppen. Zoveel verdient zelf een gezonde glazenwasser immers niet. De correctie is qua hoogte volstrekt onjuist en onredelijk. Ter onderbouwing van deze aanzienlijk lagere winst heeft belanghebbende nog aangeven dat zijn ex partner met wie hij een kind heeft en vanwege zijn ziekten hem ook in 2013 heeft onderhouden. Aan het Hof zijn daartoe jaaropgaven van ex partner overlegd met daarin een stabiel hoog inkomen over het jaar 2013, de jaren voor 2013 en de jaren na 2013 bij brief d.d. 13 september 2021 met ontvangst stempel. De ex partner is hierover ook gehoord door de Rechtbank en heeft de ziekte van belanghebbende bevestigd. Op geen van deze onderbouwingen is het Hof ingegaan. Deze winstverschillen zijn zo groot dat het Hof inhoudelijk hierop had moeten reageren op grond van het verzoek tot ambtshalve vermindering.
1.13.
En tot slot wordt ook verzocht om een hertoets door de Hoge Raad van het beroep op een ‘verschoonbare termijnoverschrijding’. Ook dat heeft het Hof afgewezen. In dit geval wordt de termijn van 5 jaar genoemd in art. 45aa Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 immers overschreden als gevolg van een omstandigheid die niet aan belanghebbende toe te rekenen valt. De desbetreffende navorderingsaanslag is immers pas opgelegd na de verstrijking van de desbetreffende termijn.
Conclusie
Belanghebbende in 2013 glazenwasser van beroep en ernstig ziek wil graag een inhoudelijke beoordeling van zijn argumenten tot een ambtshalve vermindering. Die inhoudelijke beoordeling is er noch bij de rechtbank noch bij Hof Amsterdam geweest. Hij verzoekt dan ook aan de Hoge Raad de beslissing van Hof Amsterdam te vernietigen en te verwijzen naar een ander Hof om alsnog het desbetreffende verzoek inhoudelijk beoordeeld te zien. Als bekend strekt het verzoek om ambtshalve vermindering ertoe om de navorderingsaanslag inkomstenbelasting vernietigd te zien; dat is dan ook het uiteindelijke verzoek.
Verzocht wordt ook om een vergoeding van de proceskosten van de bezwaar-, beroep-, hoger beroep — en cassatie procedure op basis van het forfait en verzocht wordt om een vergoeding van het betaalde griffierecht in alle instanties
Hoogachtend,