Vgl. HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, rov. 4.3.
HR, 18-11-2022, nr. 21/02968
ECLI:NL:HR:2022:1699
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-11-2022
- Zaaknummer
21/02968
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1699, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑11‑2022; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:653, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2022:653, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑07‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1699, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑07‑2021
- Vindplaatsen
NTHR 2023, afl. 1, p. 29
Uitspraak 18‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Art. 81 lid 1 RO. Luchtvaart. Compensatie bij langdurige vertraging (Verordening (EG) nr. 261/2004); buitengewone omstandigheden: aanvaring met vogel (‘bird strike’). Ontvankelijkheid in cassatie; kan tegen vonnissen, gewezen op verschillende dagen in procedures tussen verschillende partijen, bij één procesinleiding cassatieberoep worden ingesteld?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 21/02968
Datum 18 november 2022
ARREST
In de zaak van
CLOSED STOCK COMPANY QATAR AIRWAYS (Q.C.S.C.),
gevestigd te Doha, Qatar,
EISERES tot cassatie,
hierna: de vervoerder,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
1. [verweerder 1],
2. [verweerder 2],
beiden wonende te [woonplaats],
3. [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
4. [verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
5. [verweerder 5],
6. [verweerder 6],
7. [verweerder 7],
8. [verweerder 8],
9. [verweerder 9],
allen wonende te [woonplaats],
10. [verweerder 10],
wonende te [woonplaats],
11. [verweerder 11],
12. [verweerder 12],
beiden wonende te [woonplaats],
13. [verweerder 13],
14. [verweerder 14],
beiden wonende te [woonplaats],
15. [verweerder 15],
wonende te [woonplaats],
16 [verweerder 16],
wonende te [woonplaats],
17. [verweerder 17],
wonende te [woonplaats],
18. [verweerder 18],
wonende te [woonplaats],
19. [verweerder 19],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: de passagiers,
niet verschenen.
1. Procesverloop in cassatie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaken 8318374 \ CV EXPL 20-1506, 8258036 \ CV EXPL 20-316, 8258053 \ CV EXPL 20-318, 8258232 \ CV EXPL 20-323, 8258250 \ CV EXPL 20-324, 8258287 \ CV EXPL 20-326, 8258294 \ CV EXPL 20-327, 8373470 \ CV EXPL 20-2356, 8373500 \ CV EXPL 20-2357, 8373540 \ CV EXPL 20-2361, 8373565 \ CV EXPL 20-2363 en 8373618 \ CV EXPL 20-2365 van de kantonrechter te Haarlem van 14 april 2021, 21 april 2021 en 28 april 2021.
De vervoerder heeft tegen de vonnissen van de kantonrechter beroep in cassatie ingesteld.
Tegen de passagiers is verstek verleend.
De zaak is voor de vervoerder toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatie-beroep.
De advocaat van de vervoerder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De passagiers hebben ieder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de desbetreffende passagier diende te vervoeren van Amsterdam (Schiphol) naar Doha (Qatar) of via Doha naar een andere eindbestemming.
(ii) De vlucht van Amsterdam naar Doha is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een andere vlucht en zijn uiteindelijk meer dan drie uur later dan gepland op hun eindbestemming aangekomen.
(iii) De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met de annulering. De vervoerder heeft dit geweigerd.
2.2
De passagiers hebben in twaalf afzonderlijke procedures betaling gevorderd van compensatie door de vervoerder. Bij vonnissen van 14 april 2021, 21 april 2021 en 28 april 2021 heeft de kantonrechter de vorderingen van ieder van de passagiers toegewezen.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De vervoerder heeft door middel van één procesinleiding cassatieberoep ingesteld tegen de hiervoor in 2.2 genoemde vonnissen van de kantonrechter. Deze vonnissen zijn op drie verschillende data gewezen in procedures tussen verschillende eisers en de vervoerder. Deze procedures hebben betrekking op identieke vorderingen, die zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. De motivering van de vonnissen is, op één zin na, gelijkluidend. Gelet hierop is voldaan aan de eis dat ook aanstonds voldoende vaststaat dat een genoegzame samenhang bestaat tussen de verschillende zaken om een gezamenlijke behandeling daarvan in cassatie te rechtvaardigen.1.Het cassatieberoep is dus ontvankelijk.
4. Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over de vonnissen van de kantonrechter beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die vonnissen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de vervoerder in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de passagiers begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 18 november 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑11‑2022
Conclusie 01‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Luchtvaart. Compensatie bij langdurige vertraging (Verordening (EG) nr. 261/2004); buitengewone omstandigheden: aanvaring met vogel (‘bird strike’); motiveringsklachten. Ontvankelijkheid in cassatie.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02968
Zitting 1 juli 2022
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
Closed Stock Company Qatar Airways (Q.C.S.C.)
(hierna: de vervoerder)
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerster 2]
3. [verweerster 3]
4. [verweerster 4]
5. [verweerder 5]
6. en 14 anderen
(hierna gezamenlijk: de passagiers)
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen twaalf vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem). Aanleiding voor het geschil is dat de door de passagiers geboekte vlucht van Amsterdam naar Doha (Qatar) is geannuleerd als gevolg van een aanvaring met een vogel tijdens de voorgaande vlucht van het toestel. De kantonrechter heeft de vervoerder veroordeeld tot betaling van compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening).1.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.2.De passagiers hebben ieder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 22 oktober 2019 diende te vervoeren van Amsterdam naar Doha (Qatar) of via Doha naar diverse eindbestemmingen. De vlucht van Amsterdam naar Doha (hierna: de vlucht) is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een andere vlucht en uiteindelijk meer dan drie uur later dan gepland aangekomen op hun eindbestemming (in Doha of elders in Azië).
1.2
Naar aanleiding van de opgelopen vertraging, hebben de passagiers zich in twaalf afzonderlijke procedures3.gewend tot de kantonrechter en onder meer gevorderd dat de vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van compensatie op de voet van art. 7 Verordening.
1.3
De vervoerder heeft de vordering betwist en daartoe aangevoerd dat de annulering van de vlucht het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden (art. 5 lid 3 Verordening), namelijk een aanvaring met een vogel (een ‘bird strike’) bij het landen op de luchthaven Schiphol tijdens de voorgaande vlucht van het toestel waarmee naar Doha zou worden gevlogen.
1.4
De kantonrechter heeft in elke procedure – bij vonnissen van respectievelijk 14, 21 en 28 april 20214.– de vordering tot compensatie op de voet van art. 7 Verordening toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter, kort samengevat, het volgende overwogen. Het staat vast dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel geldt een compensatieplicht voor de vervoerder, tenzij zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in art. 5 lid 3 Verordening. Gelet op het arrest van het HvJEU inzake Wallentin-Hermann5.dient een luchtvaartmaatschappij aan te tonen dat zij de buitengewone omstandigheden, die tot de langdurige vertraging van de vlucht hebben geleid, zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personele middelen kennelijk niet had kunnen vermijden, behoudens als zij op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers had gebracht (rov. 5.2).
1.5
Niet in geschil is dat het toestel waarmee de vlucht zou worden uitgevoerd tijdens het uitvoeren van de voorgaande vlucht bij het landen op luchthaven Schiphol in aanvaring is gekomen met een vogel en dat het toestel vervolgens verplicht diende te worden geïnspecteerd. Een ‘bird strike’ is een van buiten komende omstandigheid waarop een luchtvaartmaatschappij geen invloed kan uitoefenen en de vertraging die daaruit voortvloeit is, gelet op het arrest van het HvJEU inzake Pešková6., aan te merken als een buitengewone omstandigheid. Deze buitengewone omstandigheid kan doorwerken op de onderhavige vlucht (rov. 5.4).
1.6
De passagiers menen dat de vertraging die is ontstaan na deze buitengewone omstandigheid niet of niet volledig het gevolg is geweest van de ‘bird strike’. Verder stellen de passagiers dat niet is gebleken dat het noodzakelijk was om de fabrikant (Boeing) te raadplegen over de door de ‘bird strike’ veroorzaakte schade en dat het niet nodig was om een voorstel tot herstel in te dienen bij de fabrikant en af te wachten op goedkeuring tot de volgende dag. De tijd die daarmee gemoeid was, is volgens de passagiers dan ook niet veroorzaakt door de buitengewone omstandigheid (rov. 5.5).
1.7
Volgens de kantonrechter heeft de vervoerder onvoldoende aangetoond dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van (doorwerking van) de ‘bird strike’. Niet is gebleken dat het noodzakelijk was om de expertise van de fabrikant te raadplegen ter beoordeling van de luchtwaardigheid van het toestel naar aanleiding van de schade die is veroorzaakt door de ‘bird strike’. Uit de door de vervoerder overgelegde ‘QR technical report’ en de ‘Boeing Repair Deviation Record’ (productie 6 conclusie van dupliek) blijkt evenmin dat die noodzaak er was.7.De vervoerder heeft aangevoerd dat, gezien de plaats van de schade op het toestel, welke schade zich dichtbij de ‘skin splice’ bevond (een deel van het toestel waar verschillende onderdelen bij elkaar komen), het raadplegen van de fabrikant noodzakelijk was vanwege diens expertise. De vervoerder heeft dat echter onvoldoende onderbouwd. De vervoerder heeft weliswaar aangevoerd dat de fabrikant over de benodigde informatie en expertise beschikt teneinde de luchtwaardigheid van het toestel te kunnen beoordelen naar aanleiding van de schade ten gevolge van de ‘bird strike’, maar de vervoerder heeft ook aangevoerd dat zij op buitenstations zoals Schiphol mede afhankelijk is van de kennis van de technische experts aldaar. Niet is gebleken dat er op Schiphol geen gekwalificeerde technici beschikbaar waren die de luchtwaardigheid van het toestel hadden kunnen beoordelen. De vervoerder stelt juist dat het KLM Maintenance Team onderdeel is van KLM Engineering & Maintenance, die alle benodigde certificaten bezit, waaronder certificaten van het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) en de Nederlandse Inspectie Leefomgeving en Transport. Waarom de vervoerder besloten heeft de fabrikant te raadplegen en diens advies af te wachten, terwijl er op Schiphol gekwalificeerde technici aanwezig waren, is niet duidelijk geworden (rov. 5.6). De vervoerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de annulering van de vlucht het (noodzakelijke) gevolg was van de ‘bird strike’ tijdens de voorgaande vlucht. De kantonrechter komt zodoende ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vervoerder voldoende redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen (rov. 5.7).
1.8
Tegen de vonnissen van de kantonrechter van 14, 21 en 28 april 2021 stond op grond van de in art. 332 lid 1 Rv genoemde appelgrens geen hoger beroep open.8.De vervoerder heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld en haar standpunt schriftelijk doen toelichten. Tegen de passagiers is verstek verleend.
2. Ontvankelijkheid in cassatie
2.1
De vervoerder heeft bij één procesinleiding cassatieberoep ingesteld tegen de genoemde twaalf vonnissen van de kantonrechter, zodat ambtshalve moet worden beoordeeld of de vervoerder ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het in beginsel in strijd met een goede procesorde om bij één procesinleiding beroep in te stellen tegen uitspraken die in verschillende procedures zijn gedaan.9.Op deze algemene regel bestaan uitzonderingen. Het is toegestaan om bij één procesinleiding een rechtsmiddel aan te wenden, indien de uitspraken op dezelfde dag door dezelfde rechter tussen dezelfde partijen zijn gewezen en voldoende met elkaar samenhangen om gezamenlijk door de rechter te worden behandeld en beslist.10.In het geval van uitspraken die tussen verschillende partijen zijn gewezen, geldt de strengere eis dat ook aanstonds voldoende moet vaststaan dat een genoegzame samenhang bestaat tussen de verschillende zaken om een gezamenlijke behandeling daarvan te rechtvaardigen.11.Dit laatste kan onder meer worden aangenomen als in een eerdere instantie een (rol)voeging van die zaken heeft plaatsgevonden.12.Ook in andere gevallen kan een zo nauwe samenhang tussen verschillende uitspraken bestaan, dat samenvoeging in één procesinleiding niet op bezwaren stuit.13.In de thans aanhangige cassatieprocedure zijn de bestreden vonnissen gewezen door dezelfde rechter binnen een tijdsbestek van drie weken, maar tussen verschillende partijen (verschillende eisers die tegen de vervoerder een vordering tot compensatie hebben ingediend). Ook blijkt uit het procesdossier niet dat de zaken in de feitelijke instantie zijn gevoegd of anderszins gezamenlijk zijn behandeld. De zaken hebben echter betrekking op identieke vorderingen, die zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex.14.De motivering van de vonnissen is dan ook nagenoeg gelijkluidend en wijkt slechts op één onderdeel af.15.Gezien deze nauwe samenhang, acht ik het toelaatbaar dat de vervoerder bij één procesinleiding cassatieberoep heeft ingesteld, zodat de vervoerder ontvankelijk is in haar cassatieberoep.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel is gericht tegen rov. 5.6-5.7 van de bestreden vonnissen en klaagt in algemene zin dat onbegrijpelijk is het oordeel van de kantonrechter dat de vervoerder onvoldoende heeft aangetoond dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van (doorwerking van) een buitengewone omstandigheid. Het middel werkt deze klacht uit in vijf onderdelen.
3.2
Bij de behandeling van het middel stel ik het volgende voorop. Op grond van art. 80 lid 1 RO kan een partij slechts beroep in cassatie instellen tegen een vonnis van een kantonrechter waartegen geen hoger beroep openstond wegens (a) het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis berust, (b) het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis, (c) onbevoegdheid, of (d) overschrijding van rechtsmacht. De Hoge Raad heeft als grond voor cassatie ook aanvaard dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.16.Rechtsklachten vallen buiten de door art. 80 lid 1 RO getrokken grenzen17., ook als het een schending van Unierecht betreft.18.Een motiveringsklacht die slechts beoordeeld kan worden door daarbij tevens de juistheid van de rechtsoordelen van de kantonrechter te betrekken, stuit eveneens af op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO.19.
3.3
Onderdeel 1 heeft betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat het noodzakelijk was om de expertise van de fabrikant te raadplegen ter beoordeling van de luchtwaardigheid van het toestel naar aanleiding van de schade die is veroorzaakt door de ‘bird strike’ (rov. 5.6 van alle vonnissen) en dat uit de door de vervoerder overgelegde ‘QR technical report’ en de ‘Boeing Repair Deviation Record’ (productie 6) evenmin is gebleken dat die noodzaak er was (rov. 5.6 van de vonnissen van 14 en 28 april 2021). Volgens het onderdeel laten de als productie 6 overgelegde stukken geen andere lezing toe dan dat naar het oordeel van de technische expert van het KLM Maintenance Team, gegeven conform de voorschriften van de ‘Structural Repair Manual’, de nabij de ‘skin splice’ geconstateerde schade zodanig was dat de fabrikant het tijdelijk herstel daarvan moest goedkeuren om veilig te kunnen vertrekken. Dit oordeel is dan ook onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
3.4
In de feitelijke instantie heeft de vervoerder gesteld dat er contact is gelegd met de fabrikant over de schade en een voorstel tot herstel.20.De reden voor dit contact is volgens de vervoerder gelegen in het volgende. De toepasselijke regelgeving brengt mee dat na een ‘bird strike’ een inspectie moet plaatsvinden van de luchtwaardigheid van het toestel.21.De vervoerder beschikt op Schiphol niet over daartoe gecertificeerd personeel, zodat zij afhankelijk is van de technische experts ter plaatse (zoals het KLM Maintenance Team) en de fabrikant. Gezien de plaats van de schade (nabij de ‘skin splice’) was het ‘des te meer noodzakelijk’ om de fabrikant te informeren en haar goedkeuring af te wachten met betrekking tot de luchtwaardigheid van het toestel. De fabrikant beschikt over de benodigde informatie en expertise om de eventuele consequenties van de geconstateerde schade voor de luchtwaardigheid van het toestel te kunnen beoordelen.22.De ‘QR technical report’ en de ‘Boeing Repair Deviation Record’ (productie 6) bevestigen volgens de vervoerder dat zonder de uitdrukkelijke toestemming van de fabrikant het toestel langer aan de grond had moeten blijven om (permanent) herstel te ondergaan, en dat eerst met de verkregen toestemming het toestel veilig kon vertrekken.23.Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de vervoerder productie 6 als volgt aangehaald:
‘Het interne QR technical report (productie 6) stelt het volgende:
‘Boeing was contacted to provide approved temporary repair only after which Aircraft could be released safely.
Without Boeing concurrence, Aircraft could have been grounded for a much higher duration to accomplish permanent repair.’
Verder staat er in de Boeing Repair Deviation Record response (zie productie 6):
‘Boeing has reviewed the Ref/A/ message and finds the proposed repair plan to leave dent damage ‘as is’ structurally acceptable with the following provisions:’’
3.5
Anders dan het onderdeel doet voorkomen, heeft de vervoerder in de feitelijke instantie niet aangevoerd dat de expert van het KLM Maintenance Team de vervoerder heeft geadviseerd, conform de toepasselijke voorschriften, om het voorstel tot herstel door de fabrikant te laten goedkeuren teneinde de luchtwaardigheid van het toestel te waarborgen. De vervoerder heeft in haar stukken ook niet verwezen naar de ‘Technical Log Book Page – Review’ (productie 6), waaruit dit zou volgen, maar slechts het begeleidende verslag van de vervoerder (‘MOCC Report’) en de ‘Boeing Repair Deviation Record response’ aangehaald. Hierbij is van belang dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren.24.De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept.25.Voor zover uit productie 6 blijkt dat het KLM Maintenance Team de vervoerder had geadviseerd de fabrikant te raadplegen teneinde haar goedkeuring te verkrijgen voor het voorstel tot herstel, lag het op de weg van de vervoerder om dit voldoende toe te lichten in haar processtukken. In de procedures die hebben geleid tot de vonnissen van 21 april 2021 heeft de vervoerder productie 6 – blijkens het door de vervoerder gefourneerde procesdossier – bovendien niet overgelegd, zodat de klacht met betrekking tot die vonnissen reeds daarom niet opgaat.
3.6
Verder heeft de vervoerder niet toegelicht op basis van welke voorschriften zij gehouden was, dan wel waarom het anderszins noodzakelijk was, om – aansluitend op de inspecties van het daartoe gecertificeerde KLM Maintenance Team – de fabrikant te raadplegen en haar goedkeuring te verkrijgen alvorens het toestel vrij te geven voor vertrek. De vervoerder heeft slechts in algemene zin verwezen naar de regelgeving van EASA.26.Eerst in cassatie27.heeft de vervoerder specifiek onderbouwd welke voorschriften zouden meebrengen dat de vervoerder ook de fabrikant diende te raadplegen. In cassatie kan echter niet worden beoordeeld of op de vervoerder de verplichting rustte, dan wel of anderszins de noodzaak bestond, om de fabrikant te raadplegen teneinde de luchtwaardigheid van het toestel te waarborgen. Ook de vraag of de kantonrechter de rechtsgronden van het verweer had moeten aanvullen op de voet van art. 25 Rv, stuit af op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO.
3.7
In het licht van het voorgaande is niet onbegrijpelijk het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat het noodzakelijk was om de expertise van de fabrikant te raadplegen ter beoordeling van de luchtwaardigheid van het toestel naar aanleiding van de geconstateerde schade. Het onderdeel faalt daarom.
3.8
Onderdeel 2 betoogt dat voor zover de kantonrechter van oordeel is geweest dat de ‘QR technical report’ een interne rapportage van de vervoerder betreft en geen stukken bevat van de bij de (tweede) inspectie betrokken derden, dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de ‘MOCC Report’ van de vervoerder en de door de expert van het KLM Maintenance Team ingevulde ‘Technical Log Book Page – Review’ (productie 6).
3.9
Dit onderdeel heeft alleen betrekking op de vonnissen van 14 en 28 april 2021, omdat het bestreden oordeel in de vonnissen van 21 april 2021 ontbreekt. Uit de motivering van deze vonnissen volgt niet dat de kantonrechter zijn oordeel dat evenmin uit de ‘QR technical report’ en de ‘Boeing Repair Deviation Record’ blijkt dat er een noodzaak tot het raadplegen van de fabrikant bestond, heeft gebaseerd op het feit dat de ‘QR technical report’ een interne rapportage van de vervoerder betreft. Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.10
Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat, gezien de plaats van de schade op het toestel (nabij de ‘skin splice’), het raadplegen van de fabrikant noodzakelijk was vanwege diens expertise. In dit verband heeft de kantonrechter overwogen dat niet is gebleken dat er op Schiphol geen gekwalificeerde technici beschikbaar waren die de luchtwaardigheid van het toestel hadden kunnen beoordelen, dat de vervoerder juist heeft gesteld dat KLM Engineering & Maintenance, waar het KLM Maintenance Team deel van uitmaakt, alle benodigde certificaten bezit, en dat niet duidelijk is geworden waarom de vervoerder besloten heeft de fabrikant te raadplegen en diens advies af te wachten, terwijl er op Schiphol gekwalificeerde technici aanwezig waren. Het onderdeel meent dat de kantonrechter (kennelijk en) onbegrijpelijk tot uitgangspunt heeft genomen dat de vervoerder de op Schiphol aanwezige gekwalificeerde technici niet heeft geraadpleegd, terwijl uit de stellingen en stukken van de vervoerder blijkt dat zij dit juist wel heeft gedaan. Deze overwegingen berusten volgens het onderdeel op een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen en stukken van de vervoerder, althans zijn onbegrijpelijk in het licht van de door de vervoerder ingenomen essentiële stellingen en de onderbouwing daarvan.
3.11
Ook dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Uit de overwegingen van de kantonrechter blijkt niet dat de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen dat de vervoerder enkel de fabrikant heeft geraadpleegd en diens advies heeft afgewacht. De overwegingen laten geen andere lezing toe dan dat de kantonrechter kennelijk van oordeel is dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom het raadplegen van de fabrikant noodzakelijk was, nu onduidelijk is gebleven waarom het KLM Maintenance Team, dat over alle benodigde certificaten beschikt, niet in staat was om de luchtwaardigheid van het toestel te beoordelen, zodat in aanvulling op de inspecties ook de fabrikant moest worden geraadpleegd. Het onderdeel faalt dus.
3.12
Onderdeel 4 bouwt voort op het vorige onderdeel en betoogt dat het oordeel van de kantonrechter dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat het raadplegen van de fabrikant noodzakelijk was ook onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van de vervoerder dat zij naar aanleiding van de inspectie door het KLM Maintenance Team contact heeft gelegd met de fabrikant ter goedkeuring van het voorstel tot herstel van de schade en bevestiging van de luchtwaardigheid en vliegveiligheid van het toestel, omdat de fabrikant over de benodigde informatie en expertise beschikt teneinde dat te kunnen beoordelen.
3.13
Voor zover dit onderdeel nogmaals klaagt dat de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen dat de vervoerder de op Schiphol aanwezige, gekwalificeerde technici niet heeft geraadpleegd, bouwt het voort op onderdeel 3 en strandt het op dezelfde gronden. Verder is bij de bespreking van onderdeel 1 reeds aan de orde gekomen dat het oordeel van de kantonrechter dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat het raadplegen van de fabrikant noodzakelijk was vanwege diens expertise, niet onbegrijpelijk is, gezien de stellingen die de vervoerder in de feitelijke instantie hieromtrent heeft ingenomen. Het onderdeel faalt dus.
3.14
Onderdeel 5 vormt in essentie een veegklacht, die geen bespreking behoeft. Het onderdeel deelt het lot van de voorgaande onderdelen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑07‑2022
Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91.
Zie rov. 2.1-2.4, 3.1-3.2 en 4.1-4.2 van de bestreden vonnissen.
Met de volgende zaak-/rolnummers: 8318374 \ CV EXPL 20-1506, 8258036 \ CV EXPL 20-316, 8258053 \ CV EXPL 20-318, 8258232 \ CV EXPL 20-323, 8258250 \ CV EXPL 20-324, 8258287 \ CV EXPL 20-326, 8258294 \ CV EXPL 20-327, 8373470 \ CV EXPL 20-2356, 8373500 \ CV EXPL 20-2357, 8373540 \ CV EXPL 20-2361, 8373565 \ CV EXPL 20-2363 en 8373618 \ CV EXPL 20-2365.
De vonnissen zijn niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
HvJEU 4 mei 2017, C-315/15, ECLI:EU:C:2017:342.
In de zes vonnissen van 21 april 2021 ontbreekt deze overweging. Blijkens het door de vervoerder gefourneerde procesdossier is productie 6 ook niet overgelegd in die procedures.
Vgl. HR 25 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1315, NJ 1994/392.
Zie o.a. HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317, NJ 2014/248, m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.
Zie HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7499, NJ 1980/611, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8100, NJ 2010/116.
Zie HR 21 juni 2013, reeds aangehaald, rov. 4.3.
Vgl. HR 9 mei 1958, ECLI:NL:HR:1958:93, NJ 1958/321; HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5801, JBPr 2013/25, m.nt. K. Teuben.
Vgl. HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2016, NJ 1996/639, m.nt. W.M. Kleijn; HR 2 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2770, NJ 2001/686; HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0973, NJ 2004/239 en nr. 14-16 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLI:NL:PHR:2013:24) vóór HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:848, RvdW 2013/1161. Anders: HR 23 december 2005, NJ 2007/162, m.nt. H.J. Snijders. Zie over dit onderwerp ook Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/210; B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/216.
In de lagere rechtspraak wordt deze lijn ook gevolgd. Vgl. o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6258, rov. 2.3-2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 1 mei 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4125, rov. 4.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5421, rov. 5.2.
Zie supra voetnoot 7.
Zie HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490, NJ 2007/637, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.7.2.
Zie o.a. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/90.
Zie HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1591, NJ 2022/114, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.1.4.
Zie o.a. Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/88.
Zie nr. 3.3 en 5.2 van de conclusie van antwoord.
Zie nr. 2.1-2.5 van de conclusie van dupliek.
Zie nr. 2.7 van de conclusie van dupliek.
Zie nr. 2.8 van de conclusie van dupliek, zoals genomen in de procedures die hebben geleid tot de vonnissen van 14 en 28 april 2021. Deze stellingen ontbreken in de conclusie van dupliek, zoals genomen in de overige procedures.
Dit is vaste rechtspraak, zie o.a. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814, rov. 3.5; HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147, rov. 3.3.2.
Zie o.a. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686, m.nt. M.M. Mendel, rov. 3.3; HR 10 maart 2017, reeds aangehaald, rov. 3.3.2. Zie ook C.J.M. Klaassen, G.J. Meijer & H.J. Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/146..
Zie nr. 2.1-2.5 van de conclusie van dupliek.
Zie nr. 15 van de schriftelijke toelichting.
Beroepschrift 14‑07‑2021
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ALS BEDOELD IN ART. 407 LID 1 RV
Eiseres tot cassatie is de vennootschap naar buitenlands recht CLOSED STOCK COMPANY QATAR AIRWAYS (Q.C.S.C.), gevestigd te Doha, Qatar, en kantoorhoudende te Schiphol (hierna te noemen: QATAR AIRWAYS), te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te (2514 JL) 's‑Gravenhage aan Alexanderstraat nr. 10, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. Bruning, die eiseres als haar advocaat aanwijst om in dit geding in cassatie als zodanig op te treden en haar te vertegenwoordigen.
Verweerders in cassatie zijn:
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8318374 \ CV EXPL 20-1506
- 1.
de heer [verweerder 1]
- 2.
mevrouw [verweerder 2],
beiden wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] c.s.;
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8258036 \ CV EXPL 20-316
- 3.
mevrouw [verweerder 3],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 3];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8258053 \ CV EXPL 20-318
- 4.
mevrouw [verweerder 4],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 4];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8258232 \ CV EXPL 20-323
- 5.
de heer [verweerder 5],
- 6.
de heer [verweerder 6],
- 7.
mevrouw [verweerder 7],
- 8.
de heer [verweerder 8],
- 9.
mevrouw [verweerder 9],
allen wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] c.s.;
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8258250 \ CV EXPL 20-324
- 10.
mevrouw [verweerder 10],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 10];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8258287 \ CV EXPL 20-326
- 11.
de heer [verweerder 11],
- 12.
mevrouw [verweerder 12],
beiden wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] c.s.;
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8258294 \ CV EXPL 20-327
- 13.
de heer [verweerder 13],
- 14.
mevrouw [verweerder 14],
beiden wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [verweerders] c.s.;
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8373470 \ CV EXPL 20-2356
- 15.
de heer [verweerder 15],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 15];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8373500 \ CV EXPL 20-2357
- 16.
de heer [verweerder 16],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 16];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8373540 \ CV EXPL 20-2361
- 17.
de heer [verweerder 17],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 17];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8373565 \ CV EXPL 20-2363
- 18.
mevrouw [verweerder 18],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 18];
in de zaak bij de rechtbank met nummer 8373618 \ CV EXPL 20-2365
- 19.
de heer [verweerder 19],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [verweerder 19];
die, elk in hun geding(en), woonplaats hadden/hebben gekozen ten kantore van gemachtigde uit de vorige instantie mr. D.E. Lof te (2153 LT) Nieuw-Vennep aan de Hoofdweg nr. 1358.
Qatar Airways stelt door de indiening van deze procesinleiding, op de voet van art. 407 Rv, in de hier vermelde gedingen (die betrekking hebben op vorderingen die gewoonlijk verenigd aan de kantonrechter worden voorgelegd maar die ieder in een afzonderlijke geding waren ingesteld terwijl deze gedingen voldoende met elkaar samenhangen om gezamenlijk door de kantonrechter te worden behandeld, en welke gedingen samen zijn berecht doordat vanwege hetzelfde feitencomplex en dezelfde (geld)vorderingen een genoegzame samenhang bestaat tussen de gelijkelijk behandelde zaken om hun gezamenlijke behandeling te rechtvaardigen),1.cassatieberoep in tegen het door de rechtbank Noord-Holland, afdeling Handel, Kanton en Insolventie, locatie Haarlem, gewezen en uitgesproken
- —
vonnis van 14 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerders 1 en 2 als eisers onder nummer 8318374 \ CV EXPL 20-1506;
- —
vonnis van 21 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerster 3 als eiseres onder nummer 8258036\ CV EXPL 20-316;
- —
vonnis van 21 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerster 4 als eiseres onder nummer 8258053\ CV EXPL 20-318;
- —
vonnis van 21 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerders 5 t/m 9 als eisers onder nummer 8258232\ CV EXPL 20-323;
- —
vonnis van 21 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerster 10 als eiseres onder nummer 8258250 \ CV EXPL 20-324;
- —
vonnis van 21 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerder 11 en 12 als eisers onder nummer 8258287 \ CV EXPL 20-326;
- —
vonnis van 21 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerder 13 en 14 als eisers onder nummer 8258294 \ CV EXPL 20-327;
- —
vonnis van 28 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerder 15 als eiser onder nummer 8373470\ CV EXPL 20-2356;
- —
vonnis van 28 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerder 16 als eiser onder nummer 8373500 \ CV EXPL 20-2357;
- —
vonnis van 28 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerder 17 als eiseres onder nummer 8373540\ CV EXPL 20-2361;
- —
vonnis van 28 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerster 18 als eiseres onder nummer 8373565\ CV EXPL 20-2363 en
- —
vonnis van 28 april 2021 in het geding tussen Qatar Airways en verweerder 19 als eiser onder nummer 8373618\ CV EXPL 20-2365.
Verweerders in cassatie kunnen (ieder) ten laatste verschijnen op VRIJDAG 27 AUGUSTUS 2021, (niet in persoon maar) door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (STCRT. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 (2511 EK) te 's‑Gravenhage.
Essentie van deze zaak in cassatie
In deze bij de kantonrechter in eerste aanleg (gezamenlijk) behandelde luchtvaartzaken hadden verweerders een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Qatar Airways op 22 oktober 2019 hen als passagiers van vlucht QR 274 moesten vervoeren van Amsterdam (Schiphol) via Doha naar diverse eindbestemmingen. Het toestel waarmee de vlucht zou worden uitgevoerd is tijdens het uitvoeren van de voorgaande vlucht bij het landen op luchthaven Schiphol in aanvaring gekomen met een vogel (gans), als gevolg waarvan het toestel verplicht diende te worden geïnspecteerd (‘birdstrike’; rov. 5.4). Nadat een eerste inspectie door een expert van het ‘KLM Maintenance Team’ op Schiphol was uitgevoerd waarbij geen schade was vastgesteld, viel het een medewerker van Qatar Airways tijdens de ‘boarding’-procedure op dat een deuk zichtbaar was boven het linkerraam van de cockpit, ter hoogte van de ‘skin splice’. Daarop heeft het ‘KLM Maintenance Team’ een tweede inspectie uitgevoerd en is het geplande tijdstip van vertrek meerdere keren uitgesteld, terwijl Qatar Airways de situatie besprak met haar ‘NDU’ en ‘IOC’ te Doha, waarna het ‘KLM Maintenance Team’ aan het ‘Maintenance Operations Control Centre’ in Doha (MOCC), informeerde over de schade aan het toestel en er contact is gelegd met Boeing voor goedkeuring van een voorstel voor een tijdelijk herstel (RDR). Nadat het MOCC stelde om het toetsel aan de grond te houden, is de vlucht geannuleerd en zijn passagiers in hotels ondergebracht voor een vlucht die de volgende ochtend plaatsvond toen Boeing het voorstel had goedgekeurd.
De passagiers vorderen in deze procedure(s) onder Verordening nr. 261/2004 Qatar Airways te veroordelen tot betaling van het forfaitair compensatiebedrag wegens annulering van vlucht QR 274 op 22 oktober 2019, vermeerderd met een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, met wettelijke rente en proceskosten. Qatar Airways heeft als verweer aangevoerd dat de ‘ birdstrike’ kwalificeert als buitengewone omstandigheid (art. 5 lid 3 van de verordening) nu de schade bij de cockpit (‘skin splice’) de luchtwaardigheid van het toestel in gevaar bracht en de tweede inspectie door het ‘KLM Maintenance Team’ en de goedkeuring van Boeing noodzakelijk waren in het belang van de vliegveiligheid, en zo de vertraging en annulering heeft veroorzaakt. De kantonrechter heeft in zijn vonnis(sen) de vorderingen van de passagiers voor wat betreft de compensatie toegewezen, kort gezegd, omdat Qatar Airways onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de annulering van vlucht QR 274 het noodzakelijk gevolg (c.q. de doorwerking) was van de ‘birdstrike’ op de voorgaande vlucht. Qatar Airways komt tegen deze (gelijkluidende) oordelen van de kantonrechter met motiveringsklachten op.
Qatar Airways voert, op grond van art. 407 lid 2 Rv, tegen elk bestreden vonnis aan als
Middel tot cassatie
schending van het recht en/ of tot nietigheid leidend verzuim van (wezenlijke) vormen, doordat de kantonrechter in ieder geding heeft overwogen en beslist op de wijze als vermeld in het bestreden vonnis, en op die gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dit vonnis is omschreven, welk dictum als hier herhaald en ingelast moet(en) worden beschouwd, ten onrechte zulks om één of meer van de volgende, voor zover nodig (MEDE) IN ONDERLINGE VERBAND EN SAMENHANG te lezen en te beoordelen, redenen.
Vanwege de volgende rechts- en motiveringsklachten kan Qatar Airways zich niet verenigen met wat de kantonrechter in zijn vonnis(sen) heeft geoordeeld en voortbouwend in het dictum daarvan heeft beslist, op de wijze en gronden waarop de kantonrechter heeft gedaan. Daartoe voert Qatar Airways de volgende MOTIVERINGSKLACHTEN aan (art. 80 lid 1 onder a RO).
‘Qatar Airways voerde bij conclusie van antwoord aan als verweer — zoals samengevat weergegeven in rov. 4.1 — dat vlucht QR op de voorgaande, binnenkomende, vlucht te maken had gekregen met een vogelaanvaring met ganzen (wat verweerders op zichzelf niet hebben betwist; zie ook rov. 5.5). Deze vogelaanvaring heeft de gezagvoerder van de vorige vlucht die dag om 13:47 uur doorgegeven, waarna Qatar Airways ‘conform de strikte voorschriften in het kader van het waarborgen van de vliegveiligheid’ het toestel om 14:00 uur liet inspecteren door het ‘KLM Maintenance Team’ als gekwalificeerde expert, volgens wie er alleen bloed en geen werkelijke schade was aan het raam van de cockpit. Aan het einde van de ‘boarding’-procedure merkte een medewerker van Qatar Airways om 15.:55 uur op dat er een deuk zichtbaar was (dichtbij de ‘skin splice’, het gedeelte waar diverse onderdelen aan elkaar zijn gehecht), waarna het ‘KLM Maintenance Team’ opnieuw is geïnformeerd, naast haar ‘station manager’ op Schiphol en ‘International Operation Centre’ (IOC) te Doha. Het tijdstip van vertrek werd tijdens deze inspectie meerdere keren uitgesteld terwijl Qatar Airways overlegde met het IOC en onder meer een ‘re-protection team’ voor storingen in Doha (NDU). Het ‘KLM Maintenance Team’ zag zich bij nader inzien wel genoodzaakt om het ‘KLM Repair Team’ in te schakelen, legde contact met Boeing over de schade en het herstelvoorstel (RDR) en informeerde om 17:20 uur het ‘Maintenance Operations Control Centre’ te Doha, Qatar (MOCC) dat om 18:15 uur bepaalde dat het vliegtuig zolang aan de grond moest blijven. Nadat de vlucht was geannuleerd en passagiers in hotels waren ondergebracht, heeft Boeing de volgende ochtend om 5:30 uur bericht dat de vliegveiligheid niet in het geding was, en werd een nieuw vluchtplan opgesteld waarvoor om 9:00 uur een slot is goedgekeurd.2.
Bij dupliek heeft Qatar Airways nader toegelicht dat de vliegveiligheid internationaal streng gereguleerd is en de controle en het onderhoud door luchtvaartmaatschappijen, ‘maintenance repair overhaul’-bedrijven en fabrikanten onder speciaal toezicht staan van de luchtvaart-certificerende overheidsautoriteiten (‘civil aviation authority’; CAA), waarvoor alle processen worden beschreven in handboeken, checklists en richtlijnen. Het ‘KLM Maintenance Team’ is een onderdeel van ‘KLM Engeneering & Maintenance’ die alle benodigde certificaten bezit voor onderhoud (EASA en NILT) en op Schiphol, een ‘op out-station’, kwalificeert als ‘gecertificeerd expert’ van wiens input Qatar Airways ‘on ground’ afhankelijk is omdat Schiphol niet haar ‘hub’-luchthaven is (thuisbasis) en zij daarom niet over eigen gecertificeerd technisch personeel in Nederland beschikt dat de inspecties kan uitvoeren naar de luchtwaardigheid en een beslissend oordeel kan geven over de vliegveiligheid. Om dezelfde redenen is Qatar Airways afhankelijk van Boeing — net als alle andere luchtvaartmaatschappijen die vliegen met Boeing-toestellen — die als fabrikant van het toestel over de relevante informatie en expertise beschikt teneinde de consequenties van geconstateerde schade, deuk nabij de ‘skin splice’, voor de lucht-waardigheid van een toestel te kunnen beoordelen en terzake goedkeuring te geven (door afgifte van de van haar benodigde zogenoemde ‘Repair Deviation Record’; RDR).’3.
In het licht van de hiervóór vermelde gedingstukken en stellingen van Qatar Airways is onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 5.6 tot zijn oordeel heeft kunnen komen, op de wijze en gronden als de kantonrechter aldaar heeft gedaan, dat Qatar Airways onvoldoende heeft aangetoond dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van (doorwerking van) de ‘birdstrike’ als een buitengewone omstandigheid (rov. 5.4).4. Deze algemene motiveringsklacht wordt hieronder als volgt nader uitgewerkt.
1.
Gelet op ‘productie 6’ (bij dupliek) is onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 5.6 zijn eindoordeel heeft gegrond op het oordeel dat ‘niet is gebleken dat het noodzakelijk was om de expertise van de fabrikant te raadplegen ter beoordeling van de luchtwaardigheid van het toestel naar aanleiding van de schade welke is veroorzaakt door de ‘birdstrike’. In de vonnissen met verweerders 1–2, 15 t/m 19 is óók onbegrijpelijk zijn oordeel in rov. 5.6 (3e volzin) dat uit ‘de door de vervoerder overgelegde ‘QR technical report’ en de ‘Boeing Repair Deviation Record’ (productie 6 conclusie van dupliek)’ evenmin bleek ‘dat die noodzaak er was’.
Volgens het ‘MOCC Report’, met (afschrift van) de ‘Technical Log Book Page — Review’, is bij die inspectie door de betrokken KLM-expert gecontroleerd in overeenstemming met voorschriften in de ‘Structural Repair Manual’ en heeft hij geconstateerd: ‘Damage mapping performed, dent fount out of SRM (…) limits (SRM Ref No 53-00-01-1A-1 AD1 Detail E)’, waarvoor Qatar Airways zich moest wenden tot Boeing ‘in order to issue Repair Deviation Record (RDR) to fly back with temporary repair’ (prod. 6). Uit de handgeschreven tekst op de ‘Technical Log Book Page — Review’ volgt dat de toen ingeschakelde expert van het ‘KLM Maintenance Team’ met ‘staff No. KLM 11752’ dat inspectierapport heeft opgemaakt en ingevuld met als advies (‘action’): ‘acc Boeing F.A.II form 8100-9 and QTR ERS B7-53-10-051, raised add for monitor temp repair validity within 24 months or 4000 cycles from now (989)’. De inhoud van vorenbedoelde producties wettigen geen andere lezing, uitleg en gevolgtrekking dan dat naar het oordeel en advies van de door Qatar Airways ingeschakelde technisch expert van het ‘KLM Maintenance team’ (staff nr. ‘KLM 11752’) de nabij de ‘skin splice’ geconstateerde schade zodanig was dat fabrikant Boeing het tijdelijk herstel daarvan moest goedkeuren om te kunnen vliegen. Het ‘MOCC Report’ bevestigt dat, zoals Qatar Airways aanvoerde,5. zonder goedkeuring door Boeing van het tijdelijk herstel (afgifte van RDR) het toestel niet luchtwaardig was en zolang niet veilig kon vertrekken (‘Since the dent was dout of SRM limits A/C could not be dispatched. Boeing was contacted to provide approved temporary repair only after which Aircraft could be released safely. Without Boeing concurrence, Aircraft could have been grounded for a much higher duration’). Ook het ‘Boeing Repair Deviation Record (RDR) response’ bevestigt dat volgens Boeing het voorgesteld herstelplan (‘to leave dent damage ‘as is’’) — alleen — structureel aanvaardbaar was onder de door die KLM-expert in diens inspectieverslag genoemde voorwaarden en mits zou worden voldaan aan ‘all other repair omstructions per 777-300 SRM 53-00-01 …’. Tegen deze achtergrond is derhalve onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 5.6 oordeelde dat niet is gebleken dat het noodzakelijk was om de expertise van de fabrikant te raadplegen ter beoordeling van de luchtwaardigheid van het toestel. Dit een en ander volgt, zoals Qatar Airways (nader) heeft toegelicht,6. uit de handboeken (‘Structural Repair Manual’; SRM) en het daarop gegeven advies (in het inspectierapport van de gekwalificeerde expert) van het ‘KLM Maintenance Team’.
2.
Voor zover de kantonrechter in rov. 5.6 van oordeel is geweest dat het als productie 6 bij dupliek overgelegd ‘QR technical report’ een interne rapportage van Qatar Airways betreft en geen stukken bevat van de bij de (tweede) inspectie betrokken derden, is dit kennelijk oordeel onbegrijpelijk in het licht van het ONDER 1 bedoelde ‘MOCC Report’ van Qatar Airways en van de ‘Technical Log Book Page — Review’ die de expert van het ‘KLM Maintenance Team’ heeft ingevuld. Zoals Qatar Airways aanvoerde,7. was zij op Schiphol (als buitenstation) afhankelijk van de input van deze technische experts ‘on ground’, omdat zij ter plaatse niet over eigen gekwalificeerd personeel beschikt dat deze inspecties kan uitvoeren en een beslissend oordeel kan geven over de vliegveiligheid, c.q. luchtwaardigheid van bij ‘birdstrikes’ betrokken toestellen. Dat voor die inspecties, advisering en het onderhoud/herstel de technici/ experts van ‘KLM Maintenance’ door Qatar Airways zijn ingeschakeld, volgt ook uit productie 1 bij conclusie van antwoord (‘Delay Report Message’ ‘Ground Services Management’, nrs. 15–27; CvA nrs. 3.1–3.3).
3.
Daarmee, of daarnaast, is onbegrijpelijk dat in dit kader de kantonrechter in rov. 5.6 heeft geoordeeld dat Qatar Airways onvoldoende had onderbouwd dat het raadplegen van de fabrikant noodzakelijk was vanwege diens expertise, omdat — samengevat — er was ‘niet gebleken dat er op Schiphol geen gekwalificeerde technici beschikbaar waren die de luchtwaardigheid van het toestel hadden kunnen beoordelen’ waar het ‘KLM Mainenance Team’ volgens Qatar Airways als onderdeel van ‘KLM Engeneering & Maintenance’ alle benodigde certificaten bezit (EASA en NILT) en niet duidelijk is geworden waarom zij (niettemin) besloten had ‘de fabrikant te raadplegen en diens advies of te wachten, terwijl er op Schiphol gekwalificeerde technici aanwezig waren’. Met deze oordelen gaat de kantonrechter eraan voorbij dat productie 1 t/m 5 en de als productie 6 overgelegde stukken waaronder het ‘MOCC Report’ met het ‘Technical Log Book Page — Review’ geen andere lezing, uitleg en gevolgtrekking wettigen dan dat Qatar Airways, zoals zij aanvoerde,8. voor inspectie/ onderhoud op Schiphol het ‘KLM maintenance team’ als gekwalificeerd expert ter plaatse moest inschakelen (en toen ook heeft ingeschakeld) om in dit kader de luchtwaardigheid te beoordelen en het MOCC over schade/herstel te informeren. Anders dan de kantonrechter (kennelijk en) onbegrijpelijk tot uitgangspunt nam, heeft Qatar Airways niet enkel Boeing als fabrikant geraadpleegd en diens advies afgewacht, maar de op Schiphol aanwezige ‘gekwalificeerde technici’ ingeschakeld waaronder het ‘KLM Maintenance Team’ als onderdeel van ‘KLM Engeneering & Maintenance’ die beschikt over alle daarvoor benodigde certificaten (van onder andere EASA en NILT). Aldus heeft de kantonrechter de hiervóór bedoelde stellingen c.q. gedingstukken van Qatar Airways dan ook, of althans, in zoverre onbegrijpelijk uitgelegd. Althans is het hier bestreden oordeel onbegrijpelijk in het licht van deze voor zijn beslissing relevante (essentiële) stellingen van Qatar Airways en de nadere onderbouwing daarvan.
4.
In het licht van deze, vóór de algemene motiveringsklacht samengevat weergegeven, stellingen van Qatar Airways is dan ook, of althans, onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 5.6 heeft geoordeeld, op de wijze en gronden als hij deed, dat Qatar Airways als vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat gezien de plaats van de schade nabij de ‘skin splice’ het raadplegen van Boeing noodzakelijk was vanwege diens expertise, en dat niet duidelijk is geworden waarom Qatar Airways heeft besloten de fabrikant te raadplegen en diens advies af te wachten ‘terwijl er op Schiphol gekwalificeerde technici aanwezig waren’ die de luchtwaardigheid van het toestel hadden kunnen beoordelen. Immers, volgens de stellingname van Qatar Airways (in haar conclusie van antwoord en conclusie van dupliek) heeft zij ‘conform de strikte voorschriften in het kader van het waarborgen van de vliegveiligheid’ de op Schiphol aanwezige gekwalificeerde technici en expert van het ‘KLM Maintenance Team’ (en ook het ‘KLM Repair Team’) geraadpleegd en ingeschakeld voor beoordeling van de luchtwaardigheid van het betrokken toestel, maar is naar aanleiding van de inspectie van (de expert van) ‘KLM Maintenamce Team’ contact gelegd met Boeing om het voorstel tot tijdelijk herstel van de schade goed te keuren en de luchtwaardigheid van het toestel, en dus de vliegveiligheid te bevestigen. Het oordeel dat Qatar Airways ‘onvoldoende onderbouwd’ heeft dat het noodzakelijk was om Boeing vanwege diens expertise te raadplegen, is daarom onbegrijpelijk omdat uit de stellingen duidelijk volgt waarom zij ook Boeing toen raadpleegde; omdat, zoals rov. 5.6 vermeldt, deze fabrikant ‘over de benodigde informatie en expertise beschikt teneinde de luchtwaardigheid van het toestel te kunnen beoordelen naar aanleiding van de schade ten gevolge van de ‘birdstrike’. Het oordeel dat ‘niet duidelijk geworden’ was waarom Qatar Airways besloot Boeing te raadplegen en diens advies af te wachten terwijl op Schiphol gekwalificeerde technici aanwezig waren, ziet daaraan voorbij en gaat onbegrijpelijk ervan uit dat Qatar Airways de op Schiphol aanwezige gekwalificeerde technici (van het ‘KLM Maintenance Team’) die de luchtwaardigheid van het toestel hadden kunnen beoordelen, toen niet heeft geraadpleegd. Volgens haar stellingen (in beide conclusies) heeft Qatar Airways voor de twee inspecties de op Schiphol aanwezige gecertificeerde technici en experts van ‘KLM Engineering & Maintenance’ geraadpleegd en betrokken voor hun beoordeling van de luchtwaardigheid van het toestel, c.q. de vliegveiligheid.
5.
Gelet op het vorenstaande is daarom evenzeer onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 5.6 heeft kunnen komen tot zijn (eind)oordelen dat Qatar Airways onvoldoende heeft onderbouwd dat het noodzakelijk was om Boeing als fabrikant te raadplegen, dat niet gebleken was dat er op Schiphol geen gekwalificeerde technici beschikbaar waren die de (v)luchtwaardigheid van het toestel hadden kunnen beoordelen en niet duidelijk is geworden waarom Qatar Airways besloten had om Boeing te raadplegen en diens advies af te wachten terwijl er op Schiphol gekwalificeerde technici aanwezig waren. Aldus is onbegrijpelijk, c.q. niet-concludent, dat de kantonrechter tot de conclusie heeft kunnen komen dat Qatar Airways ‘onvoldoende heeft aangetoond dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van (doorwerking van) een buitengewone omstandigheid, te weten de ‘birdstrike’’ (rov. 5.6), en ‘onvoldoende aannemelijk [heeft] gemaakt dat de annulering van de vlucht het (noodzakelijke) gevolg was van de ‘birdstrike’ op de voorgaande vlucht’ (rov. 5.7).
Gegrondbevinding van (één of meer klachten van) deze middelonderdelen betekent dat al wat in zijn vonnis(sen) de kantonrechter, daarop voortbouwend, in rov. 5.7 e.v. en verder heeft geoordeeld en beslist, en het daarop voortbouwende dictum, dan ook niet in stand kan blijven.
Mitsdien
het de Hoge Raad behage om in de procedure(s) tussen Qatar Airways en verweerders 1 en 2, verweerster 3, verweerster 4, verweerders 5 t/m 9, verweerster 10, verweerders 11 en 12, verweerders 13 en 14, verweerder 15, verweerder 16, verweerder 17, verweerster 18 en verweerder 19 de hiervoor bestreden vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, c.q. in ieder geding afzonderlijk, te vernietigen, met een zodanige verdere voorziening, mede ten aanzien van de proceskosten in alle instanties zoals de Hoge Raad in goede justitie geraden voorkomt.
Den Haag, 14 juli 2021
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑07‑2021
Vgl. HR 27 februari 2004, NJ 2004/239; HR 23 december 2005, NJ 2007/162 en HR 21 juni 2013, NJ 2014/248.
Zie nader CvA [verweerders] c.s. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 3. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 4. nrs. 3.1–5.4; CvA [verweerders] c.s. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerders 10. nrs. 3.1–5.4; CvA [verweerders] c.s. nrs. 3.1–5.4; CvA [verweerders] c.s. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 15. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 16. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 17. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 18. nrs. 3.1–5.4; CvA verweerder 19. nrs. 3.1–5.4.
Zie nader CvD [verweerders] c.s. nrs. 1.1–2.10; CvA verweerder 3. nrs. 1.1–2.9; CvD verweerder 4. nrs. 1.1–2.9; CvD [verweerders] c.s. nrs. 1.1–2.9; CvD verweerder 10. nrs. 1.1–2.9; CvD [verweerders] c.s. nrs. 1.1–2.9; CvD [verweerders] c.s. nrs. 1.1–2.9; CvD verweerder 15. nrs. 1.1–2.10; CvD verweerder 16. nrs. 1.1–2.10; CvD verweerder 17. nrs. 1.1–2.10; CvD verweerder 18. nrs. 1.1–2.10; CvD verweerder 19. nrs. 1.1–2.10.
Het overwogene in rov. 5.1 t/m 5.7 is in alle bestreden vonnissen inhoudelijk en tekstueel gelijkluidend, behalve in rov. 5.6 van de vonnissen in de procedure(s) tegen [verweerders] c.s. (verweerders 1 en 2), verweerder 15. (verweerder 15), verweerder 16. (verweerder 16), verweerder 17. (verweerder 17), verweerder 18. (verweerster 18) en verweerder 19. (verweerder 19) waar in rov. 5.6, na de gelijkluidende tweede volzin, als een aanvullend oordeel is toegevoegd: ‘Uit de door de vervoerder overgelegde ‘QR technical report’ en de ‘Boeing Repair Deviation Record’ (productie 6 conclusie van dupliek) blijkt evenmin dat die noodzaak er was.’
Zie naast de in VOETNOOT 2 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens verweerder(s) m.n. CvD [verweerders] c.s. nrs. 2.1 e.v. i.h.b. 2.7–2.10; CvA verweerder 3. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.9; CvD verweerder 4. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.9; CvD [verweerders] c.s. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.9; CvD verweerder 10. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.9; CvD [verweerders] c.s. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.9; CvD [verweerders] c.s. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.9; CvD verweerder 15. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.10; CvD verweerder 16. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.10; CvD verweerder 17. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.10; CvD verweerder 18. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.10; CvD verweerder 19. nrs. 2.1 e.v. (‘Vliegveiligheid’) i.h.b. 2.6–2.10.
Zie de in VOETNOTEN 2, 3 EN 5 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens verweerder(s) en m.n. CvA nrs. 3.1–3.4, 5.2 en 5.3; CvD nrs. 2.1 e.v., 2.6 e.v. (welke passages in alle gedingstukken, inhoudelijk en tekstueel, gelijkluidend zijn).
Zie de in VOETNOTEN 2, 3 EN 5 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens verweerder(s) en m.n. CvA nrs. 3.1–3.4, 5.2 en 5.3; CvD nrs. 2.7 e.v. (welke passages in alle gedingstukken, inhoudelijk en tekstueel, gelijkluidend zijn).
Zie de in VOETNOTEN 2.3 EN 5 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens verweerder(s) en m.n. CvA nrs. 3.1–3.4, 5.2 en 5.3; CvD nrs. 2.6 e.v. (welke passages in alle gedingstukken, inhoudelijk en tekstueel, gelijkluidend zijn).