Arrest van 24juni2019, Commissie/Polen (onafhankelijkheid van de Sqd Najwyzszy) (zaak C-619/18), zie tevens perscommuniqué nr.81/19; arrest van 5november2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties) (zaakC-192/18), zie tevens perscommuniqué nr.134/19; arrest van 19november2019, A.K. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sqd Najwyzszy) (C-585/18, C-624/18en C-625/18); zie tevens perscommuniqué nr.145/19, en arrest van 26maart2020, Miasto towicz (C-558/18en C-563/18), zie tevens perscommuniqué nr.35/20.
HR, 18-06-2021, nr. 20/03667
ECLI:NL:HR:2021:966
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-06-2021
- Zaaknummer
20/03667
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑06‑2021
ECLI:NL:HR:2021:966, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑06‑2021; (Cassatie)
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBDHA:2020:10457
- Vindplaatsen
V-N 2021/27.17 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1308 met annotatie van Nicoline Bergman
USZ 2021/275
SEW 2021, afl. 7/8, p. 349
FED 2021/116 met annotatie van J.A. SMIT
BNB 2021/135 met annotatie van P.G.H. ALBERT
JB 2021/156
AB 2022/81 met annotatie van R. Stijnen
NTFR 2021/2077 met annotatie van mr. E.C.G. Okhuizen
Viditax (FutD) 2021061806
FutD 2021-1893
Beroepschrift 18‑06‑2021
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter,
Hierbij herstellen wij de verzuimen zoals vastgesteld bij brieven van 3 december 2020.
Belanghebbende heeft de voldoening op aangifte wegens de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikt voertuig voldaan. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het recht van de Unie, belanghebbende kan met vrucht een beroep doen op toepassing van artikel 47 Handvest, met voorrang en rechtstreeks!
De rechtbank heeft met misbruik van bevoegdheid uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, o.m. met betrekking tot de hoorplicht, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de voorrang van nationale bepalingen op het recht van de Unie, met betrekking tot de hoogte van het griffierecht en de wijze van heffen van griffierecht.
Dat is ook begrijpelijk, nu de rechtbank aansluiting zoekt bij rechtspraak van een hogere rechter en mogelijk uitgaat van enige mate van integriteit en respect voor de burger bij
o.m. de Hoge Raad der Nederlanden, maar dat geheel ontbreekt uiteraard, niet voor enige mogelijke twijfel vatbaar. Een club met types als Petertje Wattel in de gelederen, ja dan weet je het wel!!! Daar komt narigheid van!!
Tegen de oordelen van de rechtbank, met misbruik van bevoegdheid tot stand gekomen, richten zich de klachten in het eerste en enige middel.
Vooraf.
De Europese Commissie is een (zeer omvangrijke) inbreukprocedure gestart, met betrekking tot de schending van de beginselen van de rechtsstaat in lidstaat Nederland, zoals vervat in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, welk artikel rechtstreeks en met voorrang doorwerkt in de nationale rechtsorde, zonder dat belanghebbende hoeft aan te tonen dat een Verdragsvrijheid is geschonden.
Ook is de Europese Commissie verzocht, nu gebleken is dat er in lidstaat Nederland, waaronder de rechtspraak, in het bijzonder de Hoge Raad der Nederlanden, ernstige problemen zijn vastgesteld met betrekking tot de waarborging van fundamentele rechten, zoals het recht op een daadwerkelijk eerlijk proces door een onpartijdig en onafhankelijk gerecht (gebrekkige rechtsstaat), een zgn. artikel 7 VEU procedure te starten. De zaak is in grondig onderzoek!
De Europese Commissie moet formele en met veel zorgvuldigheid en omzichtigheid omkleedde procedures voeren, die lange(re) tijd in beslag nemen.
Wanneer Uw Raad de onderliggende zaak (inhoudelijk) behandeld, aanvaard Uw Raad het gerede risico op voortzetting van de fundamentele en structurele schending van bepalingen van de grondrechten van de Europese Unie.
In ieder geval is de loutere omstandigheid dat de Commissie een andere invulling geeft aan de bepalingen van artikel 47, lid 1 en 2 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vastgestelde beginselen dan de nationale rechtsorganen in lidstaat Nederland, waaronder mogelijk Uw Raad, een teken dat voor de oplossingen die in de door de nationale rechter geformuleerde arresten geen vermoeden van verenigbaarheid met het Unie- recht kan bestaan.
U bent wettelijk gehouden het recht van de Unie in volle omvang te waarborgen. Dat kan in casu slechts dan in de volgende situaties;
- 1.
U wijst de grieven van belanghebbende in volle omvang toe, maar dat stuit op het probleem dat Uw Raad (mogelijk) geen (voldoende gepreciseerde) uitlegging voorhanden heeft over de draagwijdte en de betekenis van artikel 47, eerste en tweede bepaling van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
- 2.
Uw Raad volgt de voorgeschreven weg, en stelt voor de nadere precisering van de voorgelegde vragen aan de bevoegde rechter, de Unierechter.
Andere oplossingen zijn er niet, anders dan wanneer Uw Raad blijkbaar het risico op schending van fundamentele en structurele schendingen van het recht van de Unie wenst te aanvaarden, hetgeen in strijd is met de meest fundamentele beginselen van een democratische rechtsstaat, maar ook b.v. met de nationale grondwet…
Ik ga ervan uit dat Uw Raad dergelijke risico's niet zal aanvaarden, met het (verdere) — terechte — verwijt van mij en mijn klanten op aantijgingen op het gebrek van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de raadsheren van Uw Raad.
Ik merk op dat het vaste en overvloedige rechtspraak van de hoogste en exclusief bevoegde rechter, de Unierechter is dat u niet kan leunen op fundamentele en structurele schendingen van het recht van de Unie door de hoogste nationale rechter, wiens oordelen naar nationale bepalingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, de Hoge Raad der Nederlanden.
Vast staat, buiten elke mogelijke twijfel verheven, kennelijk dus, dat de Hoge Raad der Nederlanden structureel en zeer ernstig verzaakt in zijn wettelijke verwijzingsplicht om hem moverende redenen (staatskas?!) en zelfstandig, kennelijk onbevoegd, uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, met aanvaarding van het risico op uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie.
Ik zie het wel gebeuren. Ik ben zeer verheugd over het feit dat de Europese Commissie, net als ik, die u dat overduidelijk heeft medegedeeld met weinig mis te verstane bewoordingen, vaststelt dat (mogelijk) een enorme omvang van fundamentele en structurele gebreken is vastgesteld in lidstaat Nederland, die niet opgelost zijn in een zgn. informele EU- pilot procedure.
Ten eerste is de Hoge Raad der Nederlanden evenals Uw Raad immers een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep in de zin van artikel 267, derde alinea, VWEU, en die moet verzoeken om een prejudiciële beslissing wanneer hem een zaak is voorgelegd die een vraag over de uitlegging van het Unierecht opwerpt.
Ten tweede blijkt het op zijn minst twijfelachtig of de beperkingen die het gevolg zijn van de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden met betrekking tot artikel 8:25 Awb, vergelijkbaar met artikel 2:2 Awb, op welke nationale regeling de onderliggende besluiten in deze zaken zijn gestoeld, verenigbaar zijn met het recht van de Unie en daarop gebaseerde uitlegging van de Unierechter.
Artikel 52, lid 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verbiedt immers beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
De uitlegging van het recht van de Unie is een exclusieve bevoegdheid van de Unierechter.
Vgl. mr. baron Koen Lenaerts en mr. Piet van Nuffel, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- 85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.
De tekst van artikel 267, letter a VWEU luidt;
‘Artikel 267
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen a. over de uitlegging van de Verdragen,
Het Hof van Justitie is dus exclusief bevoegd om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
‘De in het klassieke volkenrecht geldende uitleggingsregels, waaruit het beginsel van de ‘acte clair’ zou kunnen worden afgeleid, kunnen geen toepassing vinden op het gebied van het gemeenschapsrecht, aangezien dit laatste — een rechtsorde in wording — moet worden uitgelegd op een wijze die verder gaat dan de bewoordingen van de verschillende bijzondere bepalingen, dat wil zeggen een teleologische en op het nuttig effect afgestemde uitlegging. Bovendien zijn de bewoordingen van de wettelijke regeling niet zo duidelijk, dat daardoor elk gevaar van uiteenlopende uitleggingen wordt voorkomen, temeer daar de nationale rechter op het gebied van het gemeenschapsrecht wordt geconfronteerd met tal van moeilijkheden, voortvloeiende uit het technische karakter van dit recht, de omstandigheid dat hij niet steeds toegang heeft tot alle bronnen van gemeenschapsrecht en de onzekerheid ten gevolge van het feit dat regels van intern recht en regels van gemeenschapsrecht niet steeds even gemakkelijk bij elkaar aansluiten. Wegens deze moeilijkheden moet worden aangenomen dat de in artikel 267, derde alinea, VWEU bedoelde rechter steeds tot verwijzing verplicht is, ook wanneer de uit te leggen tekst van gemeenschapsrecht duidelijk lijkt.’
‘Het is uitgesloten dat de nationale rechter die in laatste nationale instantie uitspraak doet over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.’’
Reeds om die reden is Uw Raad sowieso gehouden het Hof van Justitie te consulteren om te verzoeken of uit artikel 110 volgt dat de bewijslast op belastingplichtigen rust teneinde te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven, of de wijze van griffierecht, vooraf op verval van recht, tot een hoogte die geen rekening houdt met de onderliggende vordering, of de hoorplicht is geschonden als belanghebbende zijn dossier niet kan inzien, etc. etc., de Unierechter te consulteren.
Ik merk op dat de conclusie van Petertje Wattel, die zichzelf ogenschijnlijk bijdehand vinsdt, in zijn conclusie van 28 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:184 blijk geeft van een volstrekt verkeerde interpretatie van de verwijzingsplicht.
Die insteek is mogelijk gegeven teneinde de Hoge Raad enige mate van ‘belangrijkheid’ te verschaffen, met voorrang op het belang van toepassing van sec de juiste rechtsregel.
Voor sommige mensen is het blijkbaar van belang ‘belangrijk gevonden te worden’, waaronder dus mogelijk Petertje Wattel. Nou, ik vind hem allesbehalve belangrijk, heb nada respect voor dergelijke opvattingen en met mij ook de EC en het Hof van Justitie.
Artikel 47 van het Handvest moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat geschillen betreffende de toepassing van het Unierecht onder de uitsluitende bevoegdheid kunnen vallen van een instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt in de zin van de eerste bepaling. Hiervan is sprake wanneer de objectieve voorwaarden waaronder de betrokken instantie is ingesteld, de kenmerkende eigenschappen ervan en de manier waarop de leden ervan zijn benoemd, de wijze waarop recht wordt gesproken met de daarbij in acht te nemen waarborgen van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
Het is buiten elke mogelijke twijfel verheven dat Uw Raad niet voldoet aan de hiervoor geschetste vereiste. Uw Raad heeft het creëren van een interne rechtsorde die niet strookt met bepalingen van het recht van de Unie tot een ware kunt verheven, mogelijk of zelfs waarschijnlijk ingegeven door de focus op de vulling van de nationale staatskas ten faveure van de mensenrechten van de ingezetene Unieburgers van lidstaat Nederland!
Middel I.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede alinea VWEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 4, lid 3 VEU- doordat de rechtbank zelfstandig het geschil heeft opgelost, de vragen waarvan de betekenis of de draagwijdte van het recht van de Unie (klaarblijkelijk) onduidelijk was en de zaak beslist met het gegeven oordeel dat op grond van artikel 8:54 Awb (de nationale regeling) zonder het beroep op een zitting te behandelen het onderzoek sluiten als zij van oordeel is dat buiten redelijke twijfel vast staat dat het beroep ongegrond is.
De rechtbank oordeelt, daarmee tredend op het exclusieve domein van de Unierechter dat artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet in de weg staat aan de nationale bepaling ex. artikel 8:54 Awb, aldus de rechtbank.
Toelichting.
De rechtbank heeft het exclusieve domein van de Unierechter betreden en uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, hetgeen a priori in strijd is met het recht van de Unie.
vgl. mr. baron Koenraad Lenaerts en mr. Piet van Nuffel, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- 85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.
De nationale rechter, en zeker de hoogste nationale rechter, wiens oordelen naar nationale regeling niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is gehouden de Unierechter te consulteren met inachtneming van de volgende voorwaarden;
- a)
het bestaan van een vraag van uitlegging moet worden erkend, telkens wanneer een aspect of een onderdeel van de materie in geding door gemeenschapsrecht wordt beheerst (ongeacht de ernst van de daardoor opgeroepen twijfel) en de rechter in laatste aanleg zich daarover moet uitspreken om zijn vonnis te kunnen wijzen;
- b)
het maakt geen verschil of het probleem wordt opgeworpen door partijen dan wel wordt onderkend door de rechter, zoals ook het standpunt van partijen (overeenstemming of meningsverschil over het betrokken punt) geen rol speelt;
- c)
het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld;
- d)
de verplichting tot verwijzing van de prejudiciële vraag naar het Hof bestaat enkel dan niet, wanneer het Hof reeds een prejudiciële beslissing over hetzelfde vraagpunt heeft gewezen, met dien verstande evenwel dat niets de rechter belet zich nogmaals tot het Hof te wenden teneinde een andere uitlegging van de bepaling van gemeenschapsrecht te verkrijgen of de eerder gegeven uitlegging te doen verduidelijken en preciseren.
Dat volgt eenvoudigweg uit artikel 267, letter a VWEU, juncto artikel 267, tweede en derde alinea VWEU.
Immers, er is sprake van een exclusieve bevoegdheid van het Hof voor uitlegging van het recht van de Unie die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten.
Aldus heeft de verzetsrechter, door te treden op het exclusieve domein van de Unierechter, o.m. door zich uit te laten over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, schuldig gemaakt aan kennelijke strijdigheid met het Verdrag.
Aangezien de rechtbank heeft nagelaten zich volgens de procedure van artikel 267, tweede alinea, VWEU, tot het Hof te wenden om vast te stellen of het achterwege laten van een mondelinge behandeling, waar belanghebbende tot 10 dagen voor de zitting naar nationaal recht (8:58, lid 1 Awb) nadere stukken kan indienen en zijn bezwaren op de mondelinge behandeling kan toelichten en getuigen en deskundigen kan horen, in strijd is met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, terwijl de uitlegging die hij in zijn uitspraak van 14 oktober 2020, SGR 20/1281 aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt de klacht.
Immers, volgens vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot de rechten van verdediging, vervat in artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet een lidstaat, ter waarborging van de daadwerkelijke rechtsbescherming door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, belanghebbende alle mogelijke opties bieden en waarborgen zijn grieven — mondeling en schriftelijk — met getuigenissen en anderszins, kenbaar te maken.
Daartoe wordt hem met toepassing van de nationale regeling ex. artikel 8:54 Awb de maximale inbreng van de rechten van verdediging ontnomen. Ook wordt hem de mogelijkheid met toepassing van artikel 8:54 Awb de volledige herkansingsfunctie van hoger beroep ontnomen.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vormt de eerbiediging van de rechten van de verdediging een fundamenteel beginsel van Unierecht waarvan het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt (arresten Sopropé, C-349/07, EU:C:2008:746, punten 33 en 36; M., C-277/11, EU:C:2012:744, punten 81 en 82, en Kamino International Logistics, C-129/13, EU:C:2014:2041, punt 28).
Dat recht maakt echter wel integraal deel uit van de eerbiediging van de rechten van verdediging, dat een algemeen beginsel van Unierecht is.
Het recht om te worden gehoord waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden (zie met name arrest M., EU:C:2012:744, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Volgens de rechtspraak van het Hof heeft de regel dat aan de adressaat van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen, tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten (zie in die zin arrest Sopropé, EU:C:2008:746, punt 49).
Uw Raad is sowieso gehouden de Unierechter te raadplegen, nu hem een vraag van Unierecht wordt voorgelegd, en het is uitgesloten dat de rechter in laatste aanleg over een discretionaire bevoegdheid beschikt om uit te maken of de door partijen opgeworpen vraag al dan niet gegrond is, of om te beslissen of het voor de uitspraak relevante punt van gemeenschapsrecht door hemzelf dan wel door het Hof van Justitie moet worden beoordeeld.
De rechtbank, die in casu ook verwijzingsplicht had, nu hij zonder het oordeel van de hoogste nationale rechter, de Hoge Raad der Nederlanden af te wachten de volle werking van het recht van de Unie moet warborgen, heeft ook verzuimd.
Vergelijk in identieke zin, Hof van Justitie, van 26 februari 2013, Hans Akerberg Frans- son, EU:C:2013:105, r.o. 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak;
- 47.
Voorts heeft een nationale rechter bij wie een geschil over het Unierecht aanhangig is, indien de betekenis of de draagwijdte van dat recht onduidelijk is, krachtens artikel 267 VWEU de mogelijkheid of in voorkomend geval de verplichting om zich tot het Hof te wenden met vragen over de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht (zie in die zin arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, Jurispr. blz. 3415).
Ik verwijs uw intense boevenclub naar het recente arrest van het Hof van Justitie, van 28 juli 2016, Association France Nature Environnement, EU:C:2016:603, waarin het Hof zijn vaste en overvloedige rechtspraak herhaalt;
- 48.
In dat verband heeft het Hof, in punt 16 van het arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C: 1982:335), geoordeeld dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident kan zijn, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. Alvorens tot het besluit te komen dat dit het geval is, dient de nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, ervan overtuigd te zijn dat die oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof. Enkel wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, kan deze nationale rechterlijke instantie ervan afzien de vraag aan het Hof voor te leggen, en haar op eigen verantwoordelijkheid oplossen.
- 49.
Daarenboven dient deze nationale rechterlijke instantie aan de hand van de kenmerken van het Unierecht en de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan, te onderzoeken in hoeverre zij niet gehouden is zich voor een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden. Zo moet iedere bepaling van het Unierecht, met inbegrip van de rechtspraak van het Hof op het betrokken het gebied, in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast (zie in die zin arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C:1982:335, punten 17 en 20).
- 50.
In dat verband heeft het Hof in punt 21 van het arrest van 6 oktober 1982, Cilfit e.a. (283/81, EU:C: 1982:335), geoordeeld dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een vraag van Unierecht die voor haar rijst, te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan en dat bij de vraag of een dergelijk geval zich voordoet, rekening moet worden gehouden met de eigen kenmerken van het Unierecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar van uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie.
Uw Raad moet, indien hij de zaak zelfstandig oplost voldoen aan zijn verplichte verzwaarde motiveringsvereiste!
Nu middel I slaagt, moet de zaak terug naar de rechtbank voor de vraag in hoeverre en tot welk bedrag, in strijd met het recht van de Unie belasting is geheven.
De Staatssecretaris moet veroordeeld worden in de kosten van het geding, welke kosten ook beheerst worden door het recht van de Unie, meer bepaald artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Middel II.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 8:54 Awb, nu er blijkbaar volgens de verzetsrechter een discretionaire — subjectieve — bevoegdheid ten grondslag ligt aan de toepassing van artikel 8:54 Awb.
De rechter in casu, Ebbeling, gekend gedrocht, ex- Belastingdienst, behoeft geen enkele toelichting uiteraard, is wettelijk gehouden, alvorens toepassing te geven aan een nationale bepaling, die beperkingen impliceert op de rechten van verdediging, zoals het achterwege blijven van een mondelinge behandeling te toetsen aan artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en indien de nationale regeling in strijd is met hoger recht de nationale regeling buiten toepassing te laten.
De nationale rechter moet blijk geven van een dergelijk onderzoek, hetgeen ontbreekt in de uitspraak met toepassing van artikel 8:54 Awb.
Toelichting.
Toepasselijkheid van artikell9. lid 1. VEU en artikel 47 van het Handvest.
Recentelijk heeft het Hof van Justitie een aantal fundamentele arresten gewezen op basis waarvan deze vraag ongetwijfeld bevestigend kan worden beantwoord. In het licht van die arresten is het nu duidelijk dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar tot hun eigen bevoegdheid behoort, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en met name uit artikell9, lid 1, tweede alinea, VEU.1.
Deze verplichting geldt met name ten aanzien van elke nationale instantie die als rechterlijke instantie uitspraak dient te doen over vragen die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus betrekking hebben op gebieden die onder dat recht vallen.2.
Belanghebbende kan rechtstreeks en zonder dat de inhoud ervan hoeft te worden gepreciseerd door andere bepalingen van het Unierecht of van het interne recht van de lidstaten de bescherming van een daadwerkelijk eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechter inroepen.
Hof van Justitie, arrest van 6 oktober 2020, État iuxembourgeois (Droit de re- cours contre une demande d'information en matière fiscale), C-245/19 en C-246/19, EU:C:2020:79S, punt 54 en 55.
- 54.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof volstaat artikel 47 van het Handvest op zichzelf om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te kunnen inroepen, zonder dat de inhoud ervan hoeft te worden gepreciseerd door andere bepalingen van het Unierecht of van het interne recht van de lidstaten (arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 29 juli 2019, Torubarov, C-556/17, EU:C:2019:626, punt 56).
- 55.
Niettemin veronderstelt de erkenning van dit recht in een bepaald geval, zoals blijkt uit artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden.
Zeer recentelijk nog preciseerde het Hof van Justitie de beginselen van de rechtsstaat, meer bepaald het beginsel van voorrang, het beginsel van (zelfstandige) waarborging van de volle werking van het recht van de Unie en de rechtstreekse werking van artikel 47 Handvest in het geval het recht van de Unie van toepassing is, zoals in casu.
Ik verwijs Uw gerechtshof naar het recente arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2019, A.K., EU:C:2019:982 en aldaar aangehaalde rechtspraak;
- 156.
Ter beantwoording van deze vraag moet eraan worden herinnerd dat het Unierecht hierdoor wordt gekenmerkt dat het zijn oorsprong vindt in een autonome rechtsbron, de Verdragen, dat het voorrang heeft boven het recht van de lidstaten en dat een hele reeks op de onderdanen van de lidstaten en op de lidstaten zelf toepasselijke bepalingen rechtstreekse werking heeft. Deze wezenlijke kenmerken van het Unierecht hebben geleid tot een gestructureerd netwerk van beginselen, regels en onderling samenhangende juridische betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de lidstaten onderling [advies 1/17 (CETA EU-Canada) van 30 april 2019, EU:C:2019:341, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak],
- 157.
Het primaat van het recht van de Unie op het recht van de lidstaten ligt verankerd in het beginsel van voorrang van het Unierecht (arrest van 24 juni 2019, Poptawski, C-573/17, EU:C:2019:530, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 158.
Dit beginsel verplicht dus alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze verschillende normen is verleend (arrest van 24 juni 2019, Poptawski, C-573/17, EU:C:2019:530, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 159.
In dit verband moet met name in herinnering worden gebracht dat het beginsel van een conforme uitlegging van het nationale recht, op grond waarvan de nationale rechter het nationale recht zo veel mogelijk moet uitleggen in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht, inherent is aan het systeem van de Verdragen, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen (arrest van 24 juni 2019, Poptawski, C-573/17, EU:C:2019:530, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 160.
Het is ook op grond van het voorrangsbeginsel dat, indien de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, verplicht is de volle werking van deze bepalingen te verzekeren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke, zelfs latere, strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing hiervan via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten (arrest van 24 juni 2019, Poptawski, C-573/17, EU:C:2019:530, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 161.
In dit verband is iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, als orgaan van een lidstaat meer in het bijzonder verplicht iedere nationale bepaling die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking, in het geschil dat aan hem is voorgelegd, buiten toepassing te laten (arrest van 24 juni 2019, Poptawski, C-573/17, EU:C:2019:530, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 162.
Aangaande artikel 47 van het Handvest volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling op zich volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (arresten van 17 april 2018, Egenberger, C-414/16, EU:C:2018:257, punt 78, en 29 juli 2019, Torubarov, C-556/17, EU:C:2019:626, punt 56).
De rechten van verdediging ex. artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
In zijn arrest van 18 december 2008, Sopropé, EU:C:2008:746, preciseerde het Hof de rechten van verdediging, onderdeel van artikel 47 Handvest van de grondrechten een algemeen beginsel vormen van het recht van de Unie en van toepassing zijn wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaald persoon vast te stellen;
- 36.
De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen.
- 37.
Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (zie met name reeds aangehaalde arresten Commissie/Lisrestal e.a., punt 21, en Mediocurso/Commissie, punt 36).
- 38.
Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke communautaire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit. Wat de tenuitvoerlegging van dit beginsel en meer bepaald de termijnen voor de uitoefening van de rechten van de verdediging betreft, dient te worden gepreciseerd dat deze, wanneer zij — zoals in het hoofdgeding — niet door het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, door het nationale recht worden bepaald, met dien verstande dat zij even lang moeten zijn als die waarover particulieren of ondernemingen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties beschikken en de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.
Belanghebbende moet zowel zijn bedenkingen/opmerkingen schriftelijk alsook mondeling kunnen maken (arrest Sopropé, o.m. r.o. 20), nu slechts dan de gelegenheid wordt geboden zijn rechten van verdediging zo maximaal mogelijk te kunnen uitoefenen.
Het niet toestaan van een mondelinge toelichting, ter zitting/mondelinge behandeling, is een onduldbare ingreep waardoor de rechten van verdediging in de kern worden aangetast.
Vgl. ook de conclusie van A-G M. Wathelet van 10 januari 2017 in de zaak Berlioz Investment Fund, EU:C:2017:19, met verwijzing naar rechtspraak van het EHRM;
- 133.
Hoewel het EHRM heeft erkend dat het beginsel van hoor en wederhoor kan worden beperkt, kan een dergelijke beperking immers enkel worden gesteld ter bescherming van het fundamentele recht van een ander individu of een zwaarwegend algemeen belang.(65) Volgens het EHRM zijn in het licht van artikel 6, lid 1, EVRM alleen ‘absoluut noodzakelijke’ maatregelen rechtmatig.(66)
Middel III.
Als derde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en of verzuim van vormen, doordat de rechtbank — in strijd met bepalingen van het Unierecht — kennelijk onbevoegd, kennelijk onrechtmatig, kennelijk partijdig, kennelijk onjuist, uitlegging geeft over bepalingen van het Unierecht, meer bepaald het primaat van het recht van het recht van de Unie op het recht van de lidstaten doordat de rechtbank in dezelfde formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd zich uitgelaten heeft over de schadevordering die het gevolg is van de lange duur van behandeling.
Toelichting.
De Unierechter heeft overduidelijk uitlegging gegeven in tal van arresten, o.m. zijn arrest van 26 november 2013, Gascogne, EU:C:2013:770, r.o. 90 met betrekking tot voormelde materie.
In een situatie als in het hoofdgeding, waarin rechtspraak van het Hof bestaat over het uit te leggen begrip, heeft een nationale rechterlijke instantie, die in beginsel is onderworpen aan een verwijzingsverplichting en die van mening is dat het geding dat voor haar dient een vraag over de uitlegging van het Unierecht opwerpt, de keuze uit twee mogelijkheden. Zij wendt zich tot het Hof voor aanvullende preciseringen met betrekking tot het geding waarover zij moet beslissen, of zij besluit niet te voldoen aan haar verwijzingsplicht, maar dan moet zij het antwoord dat het Hof reeds heeft aangedragen accepteren en toepassen. Als zij voor geen van beide mogelijkheden kiest en het betrokken begrip van Unierecht anders uitlegt, maakt zij zich schuldig aan een voldoende gekwalificeerde schending van dit recht.(62) Dit vloeit voort uit vaste rechtspraak volgens welke een schending van het Unierecht voldoende gekwalificeerd is wanneer daarbij de desbetreffende rechtspraak van het Hof kennelijk is miskend.(63)
Nu de rechtbank in beginsel is onderworpen aan de verwijzingsplicht — in het geval uitlegging moet worden gegeven over de draagwijdte of de betekenis van het recht van de Unie, waartoe het Hof exclusief bevoegd is, had de rechtbank of moeten besluiten een andere formatie uitspraak te laten doen met betrekking tot de schadevordering wegens de lange duur van behandeling, danwel zich tot het Hof van Justitie moeten wenden.
Beide is niet gebeurd. Aldus staat de kennelijke onrechtmatigheid vast, niet voor enige mogelijke twijfel vatbaar.
Het cassatieberoep is op alle punten kennelijk gegrond. Nu dat geld kan gaan kosten uit de staatskas en de Hoge Raad voldoende aangetoond heeft het niet zo nauw te nemen met de waarborgen van het recht van de Unie en structureel met misbruik van de CILFIT-doctrine aan zijn verwijzingsplicht tracht te ontkomen verwacht ik wel een andere uitkomst uiteraard.
De Hoge Raad is gewoon het afvoerputje van de maatschappij in Nederland, een hoerenkast is er niks bij hoe je genaaid wordt door de raadsheren van de club!!
My two cents, ik heb de Europese Commissie op de pakkendrager zitten….
Met behoud van rechten en weren, lieve, warme groetjes,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑06‑2021
Arrest van 27februari2018, Associagao Sindical dos Juizes Portugueses, (C-64/16), zie tevens perscommuniqué nr.20/18.
Zie in die zin EHRM, 16 februari 2000, Jasper tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2000:0216JUD002705295, punt 52, en 19 februari 2009, A. e.a. tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2009:0219JUD000345505, punt 205.
EHRM, 16 februari 2000, Jasper tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2000:0216JUD002705295, punt 52.
Zie Pertek, J., ‘Renvoi préjudiciel en interpretation’, JurisClasseur Europe Traité, nr. 361, 2010, § 97.
Zie met name arresten Traghetti del Mediterraneo (C-173/03, EU:C:2006:391, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en FuB (C-429/09, EU:C:2010:717, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Uitspraak 18‑06‑2021
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03667
Datum 18 juni 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 oktober 2020, nr. SGR 20/1580 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.J.M. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Het door belanghebbende ingestelde beroep betreft de voldoening op aangifte van een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat overgebrachte personenauto. De Rechtbank heeft op het beroep uitspraak gedaan zonder onderzoek ter zitting. Zij achtte dat niet nodig omdat zij van oordeel was dat het beroep, gelet op hetgeen belanghebbende had aangedragen, kennelijk ongegrond was zoals bedoeld in artikel 8:54, lid 1, Awb. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
2.1.2
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak verzet gedaan op de voet van artikel 8:55 Awb.
2.2.1
De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het standpunt van belanghebbende verworpen dat artikel 8:54 Awb zich niet verdraagt met het recht van de Unie of met artikel 6 EVRM.
2.2.2
De Rechtbank heeft verder – mede aan de hand van hetgeen belanghebbende daartoe in verzet had aangevoerd – geoordeeld dat de Rechtbank de zaak terecht niet ter zitting heeft behandeld.
2.3
De middelen I en II zijn onder meer gericht tegen het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel. Deze middelen betogen dat het door de rechter niet toestaan van een mondelinge behandeling in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en met het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, en dat artikel 8:54 Awb in zoverre in strijd is met het recht van de Unie.
2.4.1
Artikel 8:54 Awb biedt de bestuursrechter de mogelijkheid om ervan af te zien het beroep ter zitting te behandelen wanneer hij na onderzoek van de gegevens van het dossier tot het oordeel komt dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is om een van de in het eerste lid van dat artikel genoemde redenen, waaronder de reden dat het beroep kennelijk ongegrond is. Voor de beslissing af te zien van een behandeling ter zitting is niet de toestemming van partijen nodig. Deze regeling heeft de wetgever ingevoerd omdat het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en van proceseconomie weinig aantrekkelijk is als de bestuursrechter het onderzoek in deze gevallen volledig zou moeten voortzetten.1.Het in artikel 8:54 Awb gehanteerde begrip ‘kennelijk’ betekent dat over de in die bepaling vermelde redenen om een onderzoek ter zitting achterwege te laten, in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.2.De wetgever is ervan uitgegaan dat de bestuursrechter van deze ingrijpende bevoegdheid een prudent gebruik maakt.3.
2.4.2
De belanghebbende kan op de voet van artikel 8:55, lid 1, Awb verzet doen tegen de uitspraak die de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:54 Awb heeft gedaan. Dat verzet betreft de vraag of de bestuursrechter ten onrechte behandeling van het beroep ter zitting achterwege heeft gelaten vanwege de kennelijke uitkomst, in dit geval de ongegrondheid, van het beroep. Als twijfel ontstaat omtrent de juistheid van de in verzet bestreden uitspraak, dient de verzetsrechter het verzet gegrond te verklaren opdat het onderzoek wordt voortgezet.4.Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die bij een normale behandeling van de zaak – dat wil zeggen: met een onderzoek ter zitting in de zin van artikel 8:56 Awb – nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient de rechter het verzet te beoordelen met inachtneming van die argumenten.De indiener van het verzet kan op grond van artikel 8:55, lid 4, eerste volzin, Awb de bestuursrechter vragen om in de gelegenheid te worden gesteld over dat verzet te worden gehoord voordat de bestuursrechter uitspraak doet. De bestuursrechter dient aan een dergelijk verzoek tegemoet te komen, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. Verder kan de bestuursrechter volgens artikel 8:55, lid 4, tweede volzin, Awb ook in de gevallen waarin de indiener van het verzet niet daarom heeft gevraagd, hem in de gelegenheid stellen te worden gehoord.
2.5.1
Volgens artikel 47 van het Handvest heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en verplichtingen zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. In dat kader rust op de nationale rechter de verplichting om de rechterlijke bescherming te verzekeren van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan het Unierecht. De hiervoor bedoelde effectieve rechterlijke bescherming betreft de verschillende aspecten van de beroepsprocedure waaronder met name de eerbiediging van de rechten van verdediging, het beginsel van equality of arms, het recht op toegang tot de rechter en het recht om zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.5.Ook het recht in een gerechtelijke procedure te worden gehoord valt hier onder, en behoort daarmee tot de grondrechten van de Europese Unie.Grondrechten als de hiervoor genoemde zijn niet absoluut, maar kunnen onderhevig zijn aan beperkingen, mits deze beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang die met de in het geding zijnde maatregel worden nagestreefd, en uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep vormen waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.6.
2.5.2
In artikel 47 van het Handvest noch in enige andere bepaling van het Unierecht zijn concrete voorschriften opgenomen over de wijze waarop een doeltreffende voorziening in rechte in een geval als het onderhavige (een geschil over heffing van bpm) moet worden ingericht. Die inrichting behoort daarmee tot de procedurele autonomie van de lidstaten.Procedurele autonomie houdt in dat wanneer Unievoorschriften op het desbetreffende rechtsgebied ontbreken, het een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten is om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten van de justitiabelen. Die procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).
2.5.3
Wanneer de bestuursrechter op de voet van artikel 8:54 Awb besluit het onderzoek ter zitting achterwege te laten, waardoor de belanghebbende niet in de gelegenheid is om in de beroepsprocedure ten overstaan van de bestuursrechter te worden gehoord, worden daarmee de rechten van verdediging beperkt.Het Handvest noch artikel 6 EVRM legt aan de rechter een absolute verplichting op om in alle gerechtelijke procedures een terechtzitting te houden. Of het recht om door de rechter te worden gehoord is geschonden, moet volgens rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de handeling in kwestie, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie regelen. Een terechtzitting hoeft volgens deze rechtspraak in elk geval niet te worden gehouden wanneer de zaak geen feitelijke of juridische vraagstukken oproept die niet naar behoren kunnen worden opgelost op basis van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen.7.
2.5.4
Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat noch artikel 47 van het Handvest noch het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging zich verzet tegen een bepaling als artikel 8:54 Awb op grond waarvan de bestuursrechter ter bevordering van een efficiënte rechtspleging de mogelijkheid wordt geboden te besluiten om uitspraak te doen zonder de belanghebbende op een zitting te horen wanneer hij tot de conclusie komt dat het beroep kennelijk ongegrond is.Artikel 8:54 Awb is evenmin in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid. De toepassing van deze bepaling maakt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk.Opmerking verdient nog (i) dat het rechtsmiddel van verzet openstaat tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, lid 2, Awb, (ii) dat de indiener van het verzetschrift op zijn verzoek in de gelegenheid wordt gesteld op een terechtzitting te worden gehoord, tenzij de bestuursrechter van oordeel is dat het verzet gegrond is, en (iii) dat de bestuursrechter ook de indiener van een verzetschrift die daar niet om verzocht heeft in de gelegenheid kan stellen op een terechtzitting te worden gehoord (zie hiervoor in 2.4.2). Van deze bevoegdheid moet de bestuursrechter gebruik maken in alle gevallen waarin het vereiste van een behoorlijk proces daartoe aanleiding geeft.8.
De middelen I en II falen in zoverre.
2.6.1
Voor zover de middelen I en II voor het overige zijn gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank en betogen dat het beroep helemaal niet kennelijk ongegrond was, wordt het volgende vooropgesteld.
2.6.2
De Rechtbank heeft over de in verzet aangevoerde gronden geoordeeld dat daaruit niet volgt (i) dat de Rechtbank niet alle door belanghebbende aangevoerde bezwaren heeft beoordeeld, (ii) dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden, en (iii) dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de bpm te hoog is vastgesteld.
2.6.3
In de hiervoor in 2.2.2 en 2.6.2 weergegeven oordelen van de Rechtbank liggen besloten de oordelen (i) dat de door belanghebbende in beroep opgeworpen feitelijke en juridische vraagstukken over het naleven van de hoorplicht in de bezwaarfase (artikelen 7:2 en 7:3 Awb) en over de hoogte van de verschuldigde bpm (artikel 10 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en artikel 110 VWEU) met inachtneming van de toepasselijke Unierechtelijke en Nederlandse rechtsregels konden worden opgelost op basis van de gegevens van het dossier en de schriftelijke opmerkingen van de partijen, (ii) dat de rechtspraak van de Hoge Raad en het Hof van Justitie voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende aangevoerde gronden juridisch geen hout snijden, en (iii) dat de feitelijke omstandigheden geen ruimte laten voor enige twijfel over de ongegrondheid van het beroep.Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.7
Middel III kan evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑06‑2021
Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 134.
Vgl. HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787, rechtsoverweging 2.3.1.
Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 135.
Vgl. HR 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4296, rechtsoverweging 3.5, en ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1533, rechtsoverweging 3.
Vgl. HvJ 26 juli 2017, Moussa Sacko, C-348/16, ECLI:EU:C:2017:591 (hierna: het arrest Sacko), punten 29, 30 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. het arrest Sacko, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2295, rechtsoverweging 3.4.3.