NJB 2021/1724:Toepassing getuigenarrest post-Keskin (HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576): in casu heeft het hof het getuigenverzoek afgewezen omdat het zich voldoende ingelicht achtte, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en op wat aan het verzoek ten grondslag is gelegd en in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Daartoe telt ten eerste dat aan dat verzoek onder meer ten grondslag is gelegd dat de eerder door getuigen afgelegde en in het dossier gevoegde verklaringen belastend zijn voor de verdachte en dat de verklaringen van deze getuigen zijn gebruikt voor het bewijs. Ten tweede heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdediging bij het horen van een van de getuigen ter terechtzitting in eerste aanleg geen enkele vraag in de later door de verdediging als relevant opgeworpen richting heeft gesteld. Hierin ligt als in casu het niet begrijpelijk oordeel van het hof besloten dat voor de verdediging met betrekking tot de getuige al een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft bestaan om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Opmerking verdient dat bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen, de omstandigheid dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad vragen te stellen aan een getuige tot op zekere hoogte compensatie kan bieden voor het niet ten volle realiseren van de uitoefening van het ondervragingsrecht. Tot zo’n beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel is het hof echter niet overgegaan