Procestaal: Engels.
HvJ EU, 16-02-2023, nr. C-707/20
ECLI:EU:C:2023:101
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-02-2023
- Magistraten
K. Jürimäe, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
- Zaaknummer
C-707/20
- Conclusie
A. Rantos
- Roepnaam
Gallaher
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:101, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑02‑2023
ECLI:EU:C:2022:654, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 08‑09‑2022
Uitspraak 16‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Directe belastingen — Vennootschapsbelasting — Artikelen 49, 63 en 64 VWEU — Vrijheid van vestiging — Vrij verkeer van kapitaal — Overdracht van activa binnen een groep vennootschappen — Vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat waarvan de moedermaatschappij haar fiscale woonplaats in een andere lidstaat heeft en waarvan de zustervennootschap haar fiscale woonplaats in een derde land heeft — Overdracht van intellectuele-eigendomsrechten van de vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat aan de zustervennootschap met fiscale woonplaats in een derde land — Overdracht door de vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat van aandelen in een van haar dochterondernemingen aan haar moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat — Tegenprestatie gelijk aan de marktwaarde van de overgedragen activa — Belastingvrijstelling of belastingheffing naargelang de staat waar de ontvangende vennootschap is gevestigd
K. Jürimäe, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
Partij(en)
In zaak C-707/20,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (belastingrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 29 december 2020, ingekomen bij het Hof op 30 december 2020, in de procedure
Gallaher Limited
tegen
The Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen (rapporteur) en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Gallaher Limited, vertegenwoordigd door I. Afzal, barrister, P. Baker, QC, S. Bond en E. Buxton, solicitors,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Baxter, F. Shibli en J. Simpson als gemachtigden, bijgestaan door R. Baldry, QC, en B. Elliott, barrister,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P.-J. Loewenthal en W. Roels als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 september 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 49, 63 en 64 VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Gallaher Limited (hierna: ‘GL’), een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, en The Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs (belasting- en douanedienst, Verenigd Koninkrijk; hierna: ‘belastingdienst’) betreffende een aan GL opgelegde belasting die zij zonder recht op uitstel van betaling moest voldoen over twee transacties waarbij zij activa heeft overgedragen aan vennootschappen die tot dezelfde groep ondernemingen behoren als zij en die hun fiscale woonplaats buiten het Verenigd Koninkrijk hebben.
Toepasselijke bepalingen
Terugtrekkingsakkoord
3
Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: ‘terugtrekkingsakkoord’) is goedgekeurd bij besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 (PB 2020, L 29, blz. 1).
4
Volgens de preambule van het terugtrekkingsakkoord is het Unierecht in zijn geheel, onder voorbehoud van de in dit akkoord vastgestelde nadere regels, niet langer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk vanaf de datum van inwerkingtreding van dat akkoord.
5
Het terugtrekkingsakkoord voorziet in artikel 126 in een overgangsperiode die ingaat op de datum van inwerkingtreding van het akkoord en eindigt op 31 december 2020, gedurende welke het Unierecht van toepassing blijft op het Verenigd Koninkrijk, tenzij in dit akkoord anders is bepaald.
6
Artikel 86 van het terugtrekkingsakkoord met als opschrift ‘Bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangige zaken’ bepaalt in de leden 2 en 3:
- ‘2.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie blijft bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingediend.
- 3.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk […] [wordt een verzoek] om een prejudiciële beslissing geacht te zijn ingediend op het tijdstip dat de indiening van de procesinleiding is geregistreerd ter griffie van het Hof van Justitie […].’
7
Artikel 89, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord bepaalt:
‘Arresten en beschikkingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie die voor het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld, alsook arresten en beschikkingen die na het eind van de overgangsperiode zijn vastgesteld in procedures bedoeld in de artikelen 86 en 87, zijn in al hun onderdelen verbindend voor en in het Verenigd Koninkrijk.’
8
Overeenkomstig artikel 185 van het terugtrekkingsakkoord is dit akkoord op 1 februari 2020 in werking getreden.
Recht van het Verenigd Koninkrijk
9
Op grond van de sections 2 en 5 van de Corporation Tax Act 2009 (wet van 2009 inzake de vennootschapsbelasting; hierna: ‘CTA 2009’) en section 8 van de Taxation of Chargeable Gains Act 1992 (wet van 1992 op de meerwaardebelasting; hierna: ‘TCGA 1992’) moeten vennootschappen met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelasting betalen over alle winst (met inbegrip van meerwaarde) die zij tijdens het betrokken boekjaar hebben gerealiseerd.
10
Overeenkomstig section 5, lid 3, CTA 2009 is een vennootschap die haar fiscale woonplaats niet in het Verenigd Koninkrijk heeft, maar daar via een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vaste inrichting een handelsactiviteit uitoefent, belasting verschuldigd over de winst die aan deze vaste inrichting kan worden toegerekend. Voorts moet een dergelijke vennootschap op grond van section 10 B TCGA 1992 belasting betalen over de meerwaarde die zij heeft gerealiseerd met de overdracht van activa die zich in het Verenigd Koninkrijk bevinden en die ten behoeve van die handelsactiviteit of vaste inrichting worden gebruikt. Die activa worden overeenkomstig section 171, lid 1 A, TCGA 1992 aangemerkt als ‘belastbare activa’.
11
Volgens de sections 17 en 18 TCGA 1992 worden overdrachten van activa geacht te zijn verricht tegen een vergoeding die gelijk is aan de marktwaarde van deze activa, wanneer de overdracht niet plaatsvindt in het kader van een overeenkomst die onder andere dan normale concurrentievoorwaarden is gesloten, of wanneer de overdracht ten gunste van een verbonden persoon is uitgevoerd.
12
Section 170 TCGA 1992 bepaalt:
- ‘(1)
Tenzij anders bepaald, geeft deze section uitlegging aan de sections 171 tot en met 181 […].
- (2)
Tenzij anders bepaald,
[…]
- (b)
zijn de leden (3) tot en met (6) hieronder van toepassing om vast te stellen of vennootschappen een groep vormen en, in voorkomend geval, welke de hoofdvennootschap van de groep is;
[…]
- (d)
moeten de begrippen ‘groep’ en ‘dochteronderneming’ met alle nodige aanpassingen worden uitgelegd wanneer zij van toepassing zijn op een vennootschap die volgens het recht van een andere staat dan het Verenigd Koninkrijk is opgericht.
- (3)
Onder voorbehoud van de leden (4) tot en met (6) hieronder:
- (a)
vormen een vennootschap (hierna en in de sections 171 tot en met 181: ‘hoofdvennootschap van de groep’) en al haar 75 %-dochterondernemingen een groep; indien een van deze dochterondernemingen 75 %-dochterondernemingen bezit, behoren deze tot de groep, evenals de 75 %-dochterondernemingen daarvan, enzovoort, maar
- (b)
omvat een groep geen enkele vennootschap (andere dan de hoofdvennootschap van de groep) die niet effectief voor 51 % in handen is van de hoofdvennootschap van de groep.
- (4)
Een vennootschap kan niet de hoofdvennootschap van een groep zijn indien zij zelf een 75 %-dochteronderneming van een andere vennootschap is.
[…]’
13
Section 171 TCGA 1992 en de sections 775 en 776 CTA 2009 (hierna samen: ‘regelingen inzake overdrachten binnen een groep’) bepalen dat de overdracht van activa tussen vennootschappen van een groep die vennootschapsbelasting moeten afdragen in het Verenigd Koninkrijk, belastingneutraal moet plaatsvinden.
14
Section 171 TCGA 1992 bepaalt:
- ‘(1)
Wanneer
- (a)
een vennootschap (‘vennootschap A’ activa overdraagt aan een andere vennootschap (‘vennootschap B’) op een tijdstip waarop beide vennootschappen tot dezelfde groep behoren, en
- (b)
aan de voorwaarden van lid (1A) hieronder is voldaan,
worden vennootschap A en vennootschap B voor de vennootschapsbelasting over de meerwaarde behandeld alsof deze activa door vennootschap B zijn verworven tegen betaling van een bedrag dat dat ervoor zorgt dat vennootschap A bij de overdracht geen meerwaarde of verlies boekt.
- (1A)
De in lid (1), onder (b) bedoelde voorwaarden zijn de volgende:
- (a)
vennootschap A is op de datum van de overdracht in het Verenigd Koninkrijk gevestigd, of de activa zijn onmiddellijk voor die datum voor deze vennootschap belastbare activa, en
- (b)
vennootschap B is op de datum van de overdracht in het Verenigd Koninkrijk gevestigd of de activa zijn onmiddellijk na die datum voor deze vennootschap belastbare activa.
Daartoe zijn activa voor een vennootschap op een bepaalde datum ‘belastbare activa’ wanneer, indien de activa op die datum door deze vennootschap zouden worden vervreemd, elke door de vennootschap gerealiseerde meerwaarde een belastbare meerwaarde zou zijn en krachtens section 10B deel zou uitmaken van haar belastbare winst voor de vennootschapsbelasting.
[…]’
15
Section 775 CTA 2009 bepaalt:
- ‘(1)
De overdracht van immateriële goederen van een vennootschap (de ‘overdrager’) aan een andere vennootschap (de ‘cessionaris’ is voor de toepassing van dit deel fiscaal neutraal, indien
- (a)
beide vennootschappen op het tijdstip van de overdracht tot dezelfde groep behoren,
- (b)
de betrokken activa onmiddellijk vóór de overdracht voor de overdrager belastbare immateriële activa zijn, en
- (c)
de betrokken activa onmiddellijk na de overdracht voor de cessionaris belastbare immateriële activa vormen.
- (2)
Zie section 776 voor de gevolgen van een overdracht die fiscaal neutraal is voor de toepassing van dit deel.
[…]’
16
Section 776 CTA 2009 bepaalt:
- ‘(1)
Deze section noemt de gevolgen van een overdracht van activa die voor de toepassing van dit deel ‘fiscaal neutraal’ is.
- (2)
De overdracht wordt met het oog daarop aldus behandeld dat zij geen betrekking heeft op
- (a)
de realisatie van de activa door de overdrager, of
- (b)
de aankoop van de activa door de cessionaris.
- (3)
De cessionaris wordt met het oog daarop behandeld
- (a)
alsof hij de activa te allen tijde in bezit heeft gehad toen zij in het bezit waren van de overdrager, en
- (b)
alsof hij alle door de overdrager betrachte zorgvuldigheid met betrekking tot de activa heeft betracht.
- (4)
In het bijzonder
- (a)
worden de oorspronkelijke kosten van de activa in handen van de overdrager behandeld als de oorspronkelijke kosten van de activa in handen van de cessionaris, en
- (b)
worden alle crediteringen en debiteringen die de overdrager op grond van dit deel voor fiscale doeleinden in aanmerking heeft genomen, behandeld alsof zij door de cessionaris in aanmerking waren genomen.
- (5)
De in lid (4)(a) opgenomen verwijzingen naar de kosten van de activa hebben betrekking op de voor fiscale doeleinden erkende kosten.’
17
Section 764 CTA 2009 bepaalt:
- ‘(1)
Dit hoofdstuk geldt voor de toepassing van dit deel om vast te stellen of vennootschappen een groep vormen en, in voorkomend geval, welke de hoofdvennootschap van de groep is.
[…]’
18
Section 765 CTA 2009 bepaalt:
- ‘(1)
Als algemene regel
- (a)
vormen een vennootschap (‘A’) en al haar 75 %-dochterondernemingen een groep, en
- (b)
indien een van deze dochterondernemingen 75 %-dochterondernemingen bezit, omvat de groep deze dochterondernemingen en de 75 %-dochterondernemingen daarvan, enzovoort.
- (2)
A wordt in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 9 aangeduid als de hoofdvennootschap van de groep.
- (3)
De leden (1) en (2) zijn onderworpen aan de volgende bepalingen van dit hoofdstuk.’
19
Section 767 CTA 2009 bepaalt:
- ‘(1)
De algemene regel is dat een vennootschap (‘A’) niet de hoofdvennootschap van een groep is, indien zij zelf voor 75 % dochteronderneming is van een andere vennootschap (‘B’).
[…]’
20
Section 59D van de Taxes Management Act 1970 (wet van 1970 op het beheer van belastingen; hierna: ‘TMA 1970’) bepaalt:
- ‘(1)
De vennootschapsbelasting over een boekjaar is verschuldigd en opeisbaar op de dag na het verstrijken van een periode van negen maanden vanaf het einde van dat boekjaar.
- (2)
Indien de te betalen belasting minder bedraagt dan het totaal van alle als voorschot betaalde relevante bedragen (zoals deze blijken uit de desbetreffende aangifte in de vennootschapsbelasting), wordt het overschot terugbetaald.
[…]’
21
Krachtens section 87A TMA 1970 kan de rente worden verrekend met de onbetaalde belasting vanaf de datum waarop deze verschuldigd is.
22
De sections 55 en 56 TMA 1970 bepalen dat wanneer bij de First-tier Tribunal (Tax Chamber) (belastingrechter in eerste aanleg, Verenigd Koninkrijk) een beroep is ingesteld tegen een besluit van de belastingdienst (waaronder een besluit tot gedeeltelijke sluiting) dat tot wijzigingen leidt in de aangifte die een vennootschap over een bepaald boekjaar heeft gedaan, de betaling van de vastgestelde belasting kan worden uitgesteld met instemming van de belastingdienst of middels een verzoek dat daartoe wordt ingediend bij de belastingrechter in eerste aanleg, zodat die belasting pas invorderbaar wordt nadat die rechter uitspraak heeft gedaan over het beroep dat bij hem is ingesteld.
23
Artikel 13, lid 5, van het Verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en de Zwitserse Bondsstaat tot het vermijden van dubbele belasting, dat is gebaseerd op het modelbelastingverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake inkomen en vermogen, bepaalt dat over de meerwaarde die voortvloeit uit de overdracht van activa, zoals de meerwaarde die in de procedure van het hoofdgeding aan de orde is, enkel belasting hoeft te worden afgedragen op het grondgebied waar de overdrager is gevestigd.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
24
GL behoort tot de groep vennootschappen Japan Tobacco Inc. (hierna: ‘JT-groep’).
25
De JT-groep is een wereldwijd concern dat tabaksproducten verkoopt in 130 landen over de hele wereld. De vennootschap aan het hoofd van die groep is een beursgenoteerde vennootschap met fiscale woonplaats in Japan.
26
Blijkens de verwijzingsbeslissing staat JTIH, een vennootschap met fiscale woonplaats in Nederland (hierna: ‘Nederlandse vennootschap’), in Europa aan het hoofd van de JT-groep. Zij is de indirecte moedermaatschappij van GL. De relatie tussen die twee ondernemingen is tot stand gebracht via de oprichting van vier andere vennootschappen, die alle in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd.
27
In 2011 heeft GL intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot tabaksmerken en daarmee samenhangende activa overgedragen (hierna: ‘overdracht van 2011’) aan een zustervennootschap, JTISA, die haar fiscale woonplaats in Zwitserland heeft (hierna: ‘Zwitserse vennootschap’) en een rechtstreekse dochteronderneming van de Nederlandse vennootschap is. Als tegenprestatie voor die overdracht heeft GL een vergoeding ontvangen van de Zwitserse vennootschap, die met het oog daarop van de Nederlandse vennootschap business-to-businessleningen had ontvangen voor een bedrag gelijk aan die vergoeding.
28
In 2014 heeft GL het volledige aandelenkapitaal in een van haar dochterondernemingen, een op het eiland Man opgerichte vennootschap, overgedragen aan de Nederlandse vennootschap (hierna: ‘overdracht van 2014’).
29
De belastingdienst heeft twee berichten van gedeeltelijke sluiting vastgesteld voor respectievelijk de overdracht van 2011 en de overdracht van 2014, waarin het bedrag werd bepaald van de meerwaarde en de belastbare winst die door GL in het kader van deze overdrachten in de relevante boekingsperiode was gerealiseerd. Over de meerwaarde van de activa was onmiddellijk belasting verschuldigd omdat de cessionarissen hun fiscale woonplaats buiten het Verenigd Koninkrijk hadden en geen enkele bepaling van het nationale belastingrecht voorzag in uitstel van betaling of in betaling in termijnen.
30
GL heeft tegen deze twee berichten van gedeeltelijke sluiting twee beroepen ingesteld bij de First-tier Tribunal (Tax Chamber).
31
In het kader van deze beroepen heeft GL in wezen gewag gemaakt van een fiscaal verschillende behandeling tussen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdrachten van activa en de overdrachten tussen de leden van een groep van vennootschappen met vestiging of een vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk, die zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Blijkens de verwijzingsbeslissing bepalen de regelingen inzake overdrachten binnen een groep namelijk dat de overdracht van activa tussen vennootschappen van een groep die in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtig zijn op fiscaal neutrale basis moet plaatsvinden.
32
Wat in de eerste plaats het beroep tegen het bericht van gedeeltelijke sluiting inzake de overdracht van 2011 (hierna: ‘beroep van 2011’) betreft, heeft GL ten eerste aangevoerd dat het ontbreken van het recht op uitstel van belastingbetaling de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap beperkte. Ten tweede heeft zij subsidiair gesteld dat het ontbreken van dat recht op uitstel van betaling het recht van de Nederlandse vennootschap en/of van haarzelf op het vrije verkeer van kapitaal beperkte. Ten derde heeft LG aangevoerd dat het Verenigd Koninkrijk op grond van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten weliswaar bevoegd was om belasting te heffen over de gerealiseerde meerwaarde, maar dat de verplichting tot onmiddellijke belastingbetaling zonder mogelijkheid van uitstel van betaling onevenredig was.
33
Wat in de tweede plaats het beroep tegen het bericht van gedeeltelijke sluiting inzake de overdracht van 2014 (hierna: ‘beroep van 2014’) betreft, heeft GL ten eerste aangevoerd dat het ontbreken van het recht op uitstel van belastingbetaling de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap beperkte. Ten tweede heeft zij betoogd dat het Verenigd Koninkrijk op grond van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen lidstaten weliswaar in beginsel bevoegd was om belasting te heffen over de gerealiseerde meerwaarde, maar dat de verplichting tot onmiddellijke belastingbetaling zonder de mogelijkheid van uitstel van betaling onevenredig was.
34
Omdat GL de beroepen van 2011 en 2014 had ingesteld, heeft zij de betaling van de vennootschapsbelasting uitgesteld tot na de uitspraak ten gronde, waartoe zij gerechtigd was op grond van section 55 TMA 1970.
35
De First-tier Tribunal (Tax Chamber) heeft vastgesteld dat beide overdrachten van activa gebaseerd waren op geldige zakelijke redenen, dat geen van die overdrachten deel uitmaakte van louter kunstmatige constructies die geen afspiegeling waren van de economische realiteit en dat geen van beide primair belastingontwijking tot doel had.
36
Die rechter heeft geoordeeld dat het Unierecht was geschonden met betrekking tot de overdracht van 2014, maar niet met betrekking tot die van 2011. Hij heeft dus wel het beroep van 2014 toegewezen, maar niet dat van 2011.
37
In dat verband heeft die rechter met betrekking tot het beroep van 2011 met name geoordeeld dat de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap niet werd beperkt. Wat het recht op vrij verkeer van kapitaal betreft, heeft hij vastgesteld dat dat recht niet kon worden ingeroepen omdat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling enkel van toepassing is op groepen vennootschappen met een gemeenschappelijke moedermaatschappij.
38
Wat het beroep van 2014 betreft, heeft die rechter met name geoordeeld dat de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap werd beperkt, dat die vennootschap objectief vergelijkbaar was met een in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtige vennootschap en dat het ontbreken van het recht op uitstel van belastingbetaling onevenredig was.
39
GL heeft tegen de beslissing van de First-tier Tribunal (Tax Chamber) tot verwerping van het beroep van 2011 hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Upper Tribunal (Tax Chancery Chamber) (belastingrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk). De belastingdienst, van zijn kant, heeft bij die rechter hoger beroep ingesteld tegen de beslissing tot toewijzing van het beroep van 2014.
40
Volgens de verwijzende rechter rijst in het hoofdgeding de vraag of de belastingheffing over de overdrachten van 2011 en 2014 zonder recht op uitstel van betaling verenigbaar is met het Unierecht en meer in het bijzonder, wat beide overdrachten betreft, met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU, en, wat de overdracht van 2011 betreft, met het recht op vrij verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 63 VWEU. De verwijzende rechter vraagt zich voorts af welke passende corrigerende maatregel moet worden genomen voor het geval dat de belastingplicht zonder recht op uitstel van betaling zou worden geacht in strijd te zijn met het Unierecht.
41
In die omstandigheden heeft de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan met betrekking tot nationale wettelijke regelingen, zoals die inzake overdrachten binnen een groep, die alleen van toepassing zijn op groepen van vennootschappen, een beroep worden gedaan op artikel 63 VWEU?
- 2)
Ook wanneer in algemene zin geen beroep kan worden gedaan op artikel 63 VWEU met betrekking tot de bepalingen inzake overdrachten binnen een groep, kan op dat artikel dan wel een beroep worden gedaan:
- a)
met betrekking tot kapitaalverkeer van een in een lidstaat van de Unie gevestigde moedermaatschappij naar een in Zwitserland gevestigde dochteronderneming, wanneer de moedermaatschappij een deelneming van 100 % heeft in zowel de in Zwitserland gevestigde dochteronderneming als de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming ten laste waarvan de belasting wordt geheven?
- b)
met betrekking tot kapitaalverkeer door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde 100 %-dochteronderneming naar een in Zwitserland gevestigde 100 %-dochteronderneming van dezelfde in een lidstaat van de Unie gevestigde moedermaatschappij, gelet op het feit dat de twee vennootschappen zustervennootschappen zijn en geen moeder-dochterrelatie hebben?
- 3)
Vormt een wettelijke regeling als de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap aan een in Zwitserland gevestigde zustervennootschap (die in het Verenigd Koninkrijk geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting), wanneer beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij die in een andere lidstaat is gevestigd, in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap ook in het Verenigd Koninkrijk was gevestigd (of in het Verenigd Koninkrijk een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting), een beperking van de vrijheid van vestiging van de moedermaatschappij in de zin van artikel 49 VWEU of, in voorkomend geval, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU?
- 4)
Wanneer een beroep kan worden gedaan op artikel 63 VWEU:
- a)
vormde de overdracht van de merken en aanverwante activa door GL aan [de Zwitserse vennootschap] tegen een vergoeding die de marktwaarde van de merken moest weerspiegelen, dan kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU;
- b)
vormden de kapitaalbewegingen van [de Nederlandse vennootschap] naar [de Zwitserse vennootschap], haar in Zwitserland gevestigde dochteronderneming, dan directe investeringen in de zin van artikel 64 VWEU;
- c)
kan artikel 64 VWEU, gelet op het feit dat deze bepaling slechts van toepassing is op bepaalde soorten kapitaalverkeer, worden toegepast in omstandigheden waarin kapitaalverkeer niet alleen kan worden aangemerkt als een directe investering (waarnaar wordt verwezen in artikel 64 VWEU) maar ook als een ander soort kapitaalverkeer, waarnaar in artikel 64 VWEU niet wordt verwezen?
- 5)
Indien er sprake is van een beperking, en niet wordt betwist dat die beperking in beginsel gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang (namelijk de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven), is deze beperking dan noodzakelijk en evenredig in de zin van de rechtspraak van het Hof, met name in omstandigheden waarin de betrokken belastingplichtige bij de vervreemding van het vermogensbestanddeel opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde ervan?
- 6)
Indien er sprake is van een schending van de vrijheid van vestiging en/of het recht van vrij verkeer van kapitaal:
- a)
vereist het Unierecht dan dat de nationale wettelijke regeling buiten toepassing wordt gelaten, dan wel aldus wordt uitgelegd dat GL de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling wordt geboden;
- b)
zo ja, vereist het Unierecht dan dat de nationale wettelijke regeling buiten toepassing wordt gelaten, dan wel aldus wordt uitgelegd dat GL de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling wordt geboden totdat de activa worden vervreemd buiten de subgroep waarvan de in de andere lidstaat gevestigde vennootschap de moedermaatschappij is (dat wil zeggen ‘op realisatiebasis’) of kan een mogelijkheid om de belasting in termijnen te betalen (dat wil zeggen ‘op basis van termijnbetaling’) een evenredig herstel bieden;
- c)
[en indien] de betaling van de belasting in termijnen in beginsel een evenredig herstel kan bieden:
- i)
[is dat dan alleen het geval] indien het nationale recht die keuzemogelijkheid bood ten tijde van de vervreemding van de activa, of is het verenigbaar met het Unierecht dat een dergelijke keuzemogelijkheid wordt geboden in de vorm van een herstel met terugwerkende kracht (in die zin dat de nationale rechter achteraf een dergelijke keuzemogelijkheid biedt, door een conforme uitlegging toe te passen of de wettelijke regeling buiten toepassing te laten);
- ii)
vereist het Unierecht dan dat de nationale rechter kiest voor een herstel dat de betrokken Unierechtelijke vrijheid zo min mogelijk aantast, of volstaat het dat de nationale rechter kiest voor een herstel dat weliswaar evenredig is, maar zo min mogelijk afwijkt van het bestaande nationale recht;
- iii)
welke periode van afbetalingstermijnen is dan vereist, en
- iv)
is dan een herstelmaatregel die een afbetalingsregeling omvat volgens welke betalingen reeds verschuldigd zijn vóór de datum waarop de geschillen tussen de partijen definitief zijn beslecht, in strijd met het Unierecht, met andere woorden moeten de vervaldagen van de afbetalingstermijnen in de toekomst liggen?’
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
42
Naar aanleiding van de conclusie van de advocaat-generaal heeft GL, bij akte neergelegd ter griffie van het Hof op 29 september 2022, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
43
Ter ondersteuning van dit verzoek voert GL in wezen aan dat de advocaat-generaal bepaalde aspecten van het recht van het Verenigd Koninkrijk en bepaalde feiten van het hoofdgeding verkeerd heeft begrepen, hetgeen het houden van een terechtzitting zou rechtvaardigen.
44
Dienaangaande zij er meteen aan herinnerd dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak heeft, in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is gebonden noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt [arrest van 8 september 2022, Finanzamt R (Aftrek van btw in verband met een inbreng van een vennoot), C-98/21, EU:C:2022:645, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45
Voorts dient erop te worden gewezen dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de betrokken partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Bijgevolg kan het feit dat een belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, als zodanig geen grond voor heropening van de mondelinge behandeling vormen, ongeacht welke kwesties de advocaat-generaal in die conclusie onderzoekt [arrest van 8 september 2022, Finanzamt R (Aftrek van btw in verband met een inbreng van een vennoot), C-98/21, EU:C:2022:645, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46
Met haar argumenten lijkt GL te willen antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal en daarbij bepaalde van zijn beoordelingen ter discussie te stellen.
47
Volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat doorslaggevend kan zijn voor de beslissing van het Hof, of nog wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
48
Vastgesteld moet echter worden dat de door GL aangevoerde vermeende vergissingen ten aanzien van de feiten en het recht de heropening van de mondelinge behandeling niet rechtvaardigen.
49
Wat ten eerste de gestelde onjuiste opvatting van het nationale recht betreft, moet worden opgemerkt dat GL zich beroept op een beoordelingsfout die volgt uit een onjuiste uitlegging van het arrest van 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation (C-524/04, EU:C:2007:161). De omstandigheid dat GL dit arrest anders uitlegt, kan echter geen onjuiste beoordeling opleveren van het nationale rechtskader, waarvan de beschrijving in de punten 7 tot en met 14 van de conclusie van de advocaat-generaal door deze vennootschap niet ter discussie wordt gesteld.
50
Wat ten tweede de gestelde onjuiste opvatting van bepaalde feiten in het hoofdgeding betreft, volstaat de vaststelling dat de analyse die de advocaat-generaal in zijn conclusie maakt, gebaseerd is op de feiten zoals deze door de verwijzende rechter zijn meegedeeld en in de punten 15 tot en met 30 van die conclusie zijn uiteengezet.
51
In casu is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, dus van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden.
52
Bijgevolg hoeft er geen heropening van de mondelinge behandeling te worden gelast.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Bevoegdheid van het Hof
53
Uit artikel 86 van het terugtrekkingsakkoord, dat op 1 februari 2020 in werking is getreden, volgt dat het Hof ondanks de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie op 31 januari 2020 bevoegd blijft om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die zijn ingediend voor het eind van de overgangsperiode, dat is vastgesteld op 31 december 2020. Dat is het geval voor het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat op 30 december 2020 bij het Hof is ingekomen (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Tesco Stores, C-624/19, EU:C:2021:429, punt 17). Hieruit volgt dat het Hof bevoegd is om de prejudiciële vragen in de onderhavige zaak te beantwoorden.
Eerste en tweede vraag
54
Met zijn eerste en tweede vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling die uitsluitend geldt voor groepen van vennootschappen binnen de werkingssfeer van dat artikel valt.
55
Dienaangaande dient volgens vaste rechtspraak, om te bepalen of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie [zie in die zin arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling van bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen), C-342/20, EU:C:2022:276, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
56
Het Hof heeft geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op participaties waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU valt. Daarentegen kunnen nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming uit te oefenen, uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst (arrest van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation, C-35/11, EU:C:2012:707, punten 91 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Uit de vaste rechtspraak van het Hof blijkt bovendien dat een nationale maatregel die verband houdt met zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal, in beginsel slechts uit het oogpunt van een van deze twee vrijheden moet worden onderzocht indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden (zie in die zin arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C-182/08, EU:C:2009:559, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een nationale regeling, voor zover zij enkel ziet op verhoudingen binnen een groep van vennootschappen, hoofdzakelijk de vrijheid van vestiging aantast (arrest van 26 juni 2008, Burda, C-284/06, EU:C:2008:365, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
In het onderhavige geval heeft de wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is betrekking op de fiscale behandeling van overdrachten van activa binnen dezelfde groep vennootschappen. Evenzo blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep enkel van toepassing zijn op overdrachten binnen een groep van vennootschappen, waarbij het begrip ‘groep van vennootschappen’ in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling wordt omschreven als een vennootschap en haar 75 %-dochterondernemingen, alsook de 75 %-dochterondernemingen daarvan.
60
Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk benadrukt, blijkt bovendien dat deze regelingen van toepassing zijn op de overdrachten van activa tussen een moedermaatschappij en de dochterondernemingen (of de dochterondernemingen daarvan) waarop die moedermaatschappij een bepalende directe (of indirecte) invloed heeft, en op overdrachten van activa tussen dochterondernemingen (of de dochterondernemingen daarvan) met een gemeenschappelijke moedermaatschappij die een bepalende invloed op hen uitoefent. In beide gevallen lijken de regelingen inzake overdrachten binnen een groep dus van toepassing te zijn op grond van de participatie van de moedermaatschappij in het kapitaal van haar dochterondernemingen, waardoor zij een bepalende invloed kan uitoefenen op haar dochterondernemingen.
61
Beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal, gesteld al dat de betrokken wettelijke regeling die vrijheid zou beperken, zouden het onvermijdelijke gevolg zijn van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging, en dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 63 VWEU rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 18 juli 2007, Oy AA, C-231/05, EU:C:2007:439, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62
Bijgevolg vallen nationale wettelijke regelingen zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, die enkel van toepassing zijn op groepen van vennootschappen, overwegend binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU, dat de vrijheid van vestiging waarborgt, en hoeven zij dus niet te worden onderzocht in het licht van het door artikel 63 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van kapitaal.
63
Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 63 VWEU hoe dan ook niet kan worden toegepast in een situatie die in beginsel binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt, wanneer een van de betrokken ondernemingen haar fiscale woonplaats in een derde land heeft, wat in het kader van de overdracht van 2011 geldt voor de Zwitserse vennootschap.
64
Aangezien het VWEU de vrijheid van vestiging niet verruimt tot derde landen, moet namelijk worden vermeden dat de uitlegging van artikel 63, lid 1, VWEU, wat de betrekkingen met deze staten betreft, marktdeelnemers die buiten de territoriale werkingssfeer van de vrijheid van vestiging vallen, de kans geeft profijt uit deze vrijheid te halen (arrest van 24 november 2016, SECIL, C-464/14, EU:C:2016:896, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
De toepasselijkheid van artikel 63 VWEU, zoals vermeld in de formulering van de tweede vraag, hoeft dus niet aanvullend te worden onderzocht.
66
Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op groepen van vennootschappen niet binnen de werkingssfeer van dat artikel valt.
Derde vraag
67
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat aan een zustervennootschap met fiscale woonplaats in een derde land die in deze lidstaat geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting, wanneer die beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat, een beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 VWEU van die moedermaatschappij vormt in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap eveneens in de eerste lidstaat was gevestigd of daar een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting.
68
Vooraf zij opgemerkt, zoals de advocaat-generaal stelt in de punten 41 en 42 van zijn conclusie, dat deze derde vraag enkel betrekking heeft op transacties zoals de overdracht van 2011, waarbij activa door een in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtige vennootschap worden overgedragen aan een vennootschap met fiscale woonplaats in een derde land (in casu Zwitserland) die niet belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk.
69
Verder heeft deze vraag betrekking op de situatie waarin een moedermaatschappij, in casu de Nederlandse vennootschap, haar vrijheid op grond van artikel 49 VWEU heeft uitgeoefend door in het Verenigd Koninkrijk een dochteronderneming, in casu GL, op te richten.
70
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is met de vrijheid van vestiging, die burgers van de Unie op grond van artikel 49 VWEU genieten, krachtens artikel 54 VWEU voor de vennootschappen die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, het recht verbonden om in een andere lidstaat hun bedrijfsactiviteit uit te oefenen door middel van een dochteronderneming, een filiaal of een agentschap [zie in die zin arrest van 22 september 2022, W (Aftrekbaarheid van de definitieve verliezen van een niet-ingezeten vaste inrichting), C-538/20, EU:C:2022:717, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
71
De vrijheid van vestiging heeft tot doel te waarborgen dat de onderdanen van andere lidstaten en de in artikel 54 VWEU bedoelde vennootschappen in de lidstaat van ontvangst op dezelfde wijze worden behandeld als nationale onderdanen en vennootschappen, en staat eraan in de weg dat vennootschappen op enigerlei wijze worden gediscrimineerd op grond van de plaats van de zetel (arrest van 6 oktober 2022, Contship Italia, C-433/21 en C-434/21, EU:C:2022:760, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72
Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft vastgesteld, brengen nationale wettelijke regelingen zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep geen enkel verschil in behandeling mee naargelang de fiscale woonplaats van de moedermaatschappij, aangezien een dochteronderneming met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk op dezelfde wijze wordt behandeld, ongeacht of haar moedermaatschappij in een lidstaat dan wel in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd. In casu blijkt dus dat GL dezelfde fiscale behandeling zou hebben gekregen indien de moedermaatschappij, te weten de Nederlandse vennootschap, haar fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk had gehad.
73
Hieruit volgt dat een dergelijke nationale wettelijke regeling een dochteronderneming van een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat niet ongunstiger behandelt dan een vergelijkbare dochteronderneming van een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk.
74
Een dergelijke wettelijke regeling brengt voor de moedermaatschappij dus geen enkele beperking van de vrijheid van vestiging mee.
75
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van GL. Volgens haar zou het feit dat de activa van GL, een vennootschap met zetel in het Verenigd Koninkrijk in handen van de Nederlandse vennootschap, niet op een fiscaal neutrale basis konden worden overgedragen aan een dochteronderneming van de Nederlandse vennootschap, het voor deze laatste minder aantrekkelijk hebben gemaakt om GL te verwerven, wat haar ervan had kunnen weerhouden deze verwerving te verrichten.
76
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de door GL aangehaalde rechtspraak volgens welke de vrijheid van vestiging wordt beperkt wanneer een maatregel ‘de uitoefening van die vrijheid minder aantrekkelijk maakt’, betrekking heeft op andere situaties dan die aan de orde in het hoofdgeding, namelijk op situaties waarin een vennootschap die haar vrijheid van vestiging in een andere lidstaat wil uitoefenen een nadeel ondervindt ten opzichte van een vergelijkbare vennootschap die deze vrijheid niet uitoefent (zie in die zin arrest van 29 november 2011, National Grid Indus, C-371/10, EU:C:2011:785, punten 36 en 37).
77
In casu onderwerpen de regelingen inzake overdrachten binnen een groep de overdracht van activa naar een derde land door een dochteronderneming met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk waarvan de moedermaatschappij haar fiscale woonplaats daar niet heeft, aan een onmiddellijke heffing en leggen ze dezelfde belastingplicht op in de vergelijkbare situatie van een overdracht van activa naar een derde land door een dochteronderneming met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk waarvan de moedermaatschappij haar fiscale woonplaats ook aldaar heeft.
78
Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat aan een zustervennootschap met fiscale woonplaats in een derde land die in deze lidstaat geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting, wanneer beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat, geen beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 VWEU van de moedermaatschappij vormt in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap eveneens haar fiscale woonplaats in de eerste lidstaat had of daar een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting.
Vierde vraag
79
Aangezien de vierde vraag subsidiair is gesteld, dat wil zeggen uitsluitend voor het geval dat het Hof de eerste en de tweede vraag bevestigend beantwoordt wat de toepasselijkheid in casu van artikel 63 VWEU betreft, hoeft zij niet te worden beantwoord.
Vijfde vraag
80
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een beperking van het recht op vrije vestiging ten gevolge van een verschil in behandeling dat tussen nationale en grensoverschrijdende overdrachten van activa onder bezwarende titel binnen een groep vennootschappen wordt gemaakt op grond van een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat, in principe kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven, zonder dat het noodzakelijk is om te voorzien in de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling teneinde de evenredigheid van die beperking te waarborgen wanneer de betrokken belastingplichtige als tegenprestatie voor de overdracht van de activa opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde van die activa.
81
Vooraf zij gepreciseerd dat deze vraag niet hoeft te worden beantwoord in het kader van de overdracht van 2011. Ten eerste houden wettelijke regelingen zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep volgens het antwoord op de derde vraag voor de moedermaatschappij geen enkele beperking van de vrijheid van vestiging in. Wat ten tweede een eventuele beperking van de vrijheid van vestiging van GL betreft, moet worden vastgesteld dat een overdracht van activa door een in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtige vennootschap aan een vennootschap met fiscale woonplaats in Zwitserland die niet belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk, niet binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt, aangezien de Zwitserse Bondsstaat geen lidstaat is. Het VWEU breidt de vrijheid van vestiging immers niet uit tot derde landen en de werkingssfeer van artikel 49 VWEU strekt zich niet uit tot de vestiging van een vennootschap van een lidstaat in een derde land (zie in die zin beschikking van 10 mei 2007, A en B, C-102/05, EU:C:2007:275, punt 29).
82
Wat de overdracht van 2014 betreft, in het kader waarvan GL aandelen in een dochteronderneming heeft overgedragen aan de Nederlandse vennootschap, staat vast dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep tot gevolg hebben dat de fiscale behandeling van ondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelasting moeten betalen en activa binnen een groep overdragen, verschilt naargelang de betrokken overdracht plaatsvindt aan een Britse vennootschap of aan een in een lidstaat gevestigde vennootschap. Terwijl er geen enkele belastingverplichting ontstaat wanneer een dergelijke vennootschap activa overdraagt aan een onderneming van de groep die belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk, bieden die regelingen een dergelijk voordeel niet wanneer de begunstigde van de overdracht, zoals in casu bij de overdracht van 2014, een onderneming van de groep is die in een lidstaat belastingplichtig is.
83
Daaruit volgt dat dergelijke regelingen de vrijheid van vestiging beperken voor zover zij tot een minder gunstige fiscale behandeling leiden van ondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelastingplichtig zijn en binnen de groep activa overdragen aan vennootschappen die daar niet vennootschapsbelastingplichtig zijn vergeleken met ondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelastingplichtig zijn en binnen de groep activa overdragen aan ondernemingen die daar zelf ook vennootschapsbelastingplichtig zijn.
84
De verwijzende rechter lijkt te erkennen dat een dergelijke beperking kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, te weten de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven.
85
Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft het Hof erkend dat het handhaven van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten in beginsel een verschil in behandeling tussen grensoverschrijdende operaties en transacties binnen dezelfde belastingjurisdictie kan rechtvaardigen. Deze regering is van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregelen een dergelijk doel nastreven, evenredig zijn en niet verder gaan dan noodzakelijk is om hun doel te bereiken.
86
Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, kan de rechtvaardiging volgens welke het nodig is de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren, worden aanvaard wanneer de betrokken regeling beoogt situaties te vermijden die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied hebben plaatsgevonden (zie in die zin arrest van 20 januari 2021, Lexel, C-484/19, EU:C:2021:34, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling en de daaruit voortvloeiende beperking mogen echter niet verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie in die zin arrest van 8 maart 2017, Euro Park Service, C-14/16, EU:C:2017:177, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88
Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft vastgesteld, zijn partijen in het hoofdgeding het enkel oneens over de vraag of de onmiddellijke verschuldigdheid van de betrokken belasting, zonder mogelijkheid van uitstel van betaling, evenredig is ten opzichte van dat doel. De prejudiciële vraag van de verwijzende rechter lijkt immers in werkelijkheid te slaan op het gevolg van het feit dat GL op grond van de regelingen inzake overdrachten binnen een groep geen belastingvrijstelling kan genieten, namelijk de omstandigheid dat de verschuldigde belasting onmiddellijk invorderbaar is.
89
In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten, die het recht hebben om belasting te heffen over de meerwaarde die is ontstaan bij de overdracht van activa terwijl de betrokken activa zich op hun grondgebied bevonden, bevoegd zijn om een ander belastbaar feit dan de daadwerkelijke realisatie van die meerwaarde te kiezen, om te garanderen dat over deze activa belasting wordt geheven (zie in die zin arrest van 21 mei 2015, Verder LabTec, C-657/13, EU:C:2015:331, punt 45). Een lidstaat kan dus belasting heffen over latente meerwaarde teneinde te garanderen dat deze activa worden belast.
90
Daarentegen is geoordeeld dat een regeling van een lidstaat volgens welke de belasting over de latente meerwaarde die binnen de belastingbevoegdheid van die lidstaat is ontstaan, onmiddellijk moet worden geïnd wanneer de feitelijke bestuurszetel van een vennootschap buiten het grondgebied van die lidstaat wordt gebracht, onevenredig is wanneer er maatregelen bestaan die de vrijheid van vestiging minder beperken dan de onmiddellijke inning van die belasting. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat aan de belastingplichtige de keuze moest worden gelaten tussen, enerzijds, onmiddellijke betaling van die belasting en, anderzijds, uitgestelde betaling ervan, in voorkomend geval inclusief rente overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling (arrest van 16 april 2015, Commissie/Duitsland, C-591/13, EU:C:2015:230, punt 67).
91
Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft vastgesteld zijn in deze context twee omstandigheden in het bijzonder relevant voor het onderscheid tussen de meerwaarde die de vervreemder heeft gerealiseerd met de overdracht van activa binnen een groep vennootschappen en latente meerwaarde, namelijk ten eerste dat alle gevallen waarin een exitheffing aan de orde is, worden gekenmerkt door het feit dat de belastingplichtige wordt geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem wanneer hij belasting moet betalen over een meerwaarde die hij nog niet heeft gerealiseerd, en ten tweede dat de belastingautoriteiten moeten toezien op de betaling van de belasting over de meerwaarde die is gerealiseerd in de periode waarin de activa zich binnen hun belastingjurisdictie bevonden (zie in die zin arrest van 29 november 2011, National Grid Indus, C-371/10, EU:C:2011:785, punt 52) en dat het risico van niet-betaling van de belasting mettertijd kan toenemen (zie in die zin arresten van 29 november 2011, National Grid Indus, C-371/10, EU:C:2011:785, punt 74, en 21 mei 2015, Verder LabTec, C-657/13, EU:C:2015:331, punt 50).
92
In het geval dat met een overdracht van activa meerwaarde is gerealiseerd heeft de belastingplichtige evenwel in beginsel niet te maken met een liquiditeitsprobleem en kan hij de belasting over de meerwaarde betalen met de opbrengst van deze overdracht. In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de bewoordingen van de vijfde vraag zelf dat met betrekking tot de overdracht van 2014 vaststaat dat GL als tegenprestatie daarvoor een vergoeding heeft ontvangen die overeenkomt met de marktwaarde van de activa waarop die overdracht betrekking had. Bijgevolg stemde de meerwaarde waarvoor GL belasting moest betalen overeen met de gerealiseerde meerwaarde.
93
In omstandigheden waarin, om te beginnen, de meerwaarde werd gerealiseerd op het ogenblik van het belastbare feit, en voorts de belastingautoriteiten moeten toezien op de betaling van de belasting over de meerwaarde die is gerealiseerd gedurende de periode waarin de activa zich binnen hun belastingjurisdictie bevonden, en ten slotte het risico van niet-invordering van belastingen stijgt naarmate de tijd verstrijkt, lijkt een onmiddellijk invorderbare fiscale verplichting evenredig ten opzichte van het doel om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen lidstaten te handhaven zonder dat aan de belastingplichtige een mogelijkheid van uitstel van betaling moet worden toegekend.
94
Gelet op het voorgaande moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een beperking van het recht op vrije vestiging ten gevolge van een verschil in behandeling dat tussen nationale en grensoverschrijdende overdrachten van activa onder bezwarende titel binnen een groep ondernemingen wordt gemaakt op grond van een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat, in beginsel kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven, zonder dat het noodzakelijk is om te voorzien in de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling teneinde de evenredigheid van die beperking te waarborgen, wanneer de betrokken belastingplichtige als tegenprestatie voor de overdracht van de activa opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde van die activa.
Zesde vraag
95
Gelet op het antwoord op de vijfde vraag hoeft de zesde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
96
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 63 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op groepen van vennootschappen niet binnen de werkingssfeer van dat artikel valt.
- 2)
Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat aan een zustervennootschap met fiscale woonplaats in een derde land die in deze lidstaat geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting, wanneer beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat, geen beperking van de vrijheid van vestiging in de zin van artikel 49 VWEU van de moedermaatschappij vormt in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap eveneens haar fiscale woonplaats in de eerste lidstaat had of daar een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting.
- 3)
Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een beperking van het recht op vrije vestiging ten gevolge van een verschil in behandeling dat tussen nationale en grensoverschrijdende overdrachten van activa onder bezwarende titel binnen een groep ondernemingen wordt gemaakt op grond van een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in een lidstaat, in beginsel kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven, zonder dat het noodzakelijk is om te voorzien in de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling teneinde de evenredigheid van die beperking te waarborgen, wanneer de betrokken belastingplichtige als tegenprestatie voor de overdracht van de activa opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde van die activa.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑02‑2023
Conclusie 08‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikelen 49, 63 en 64 VWEU — Overdracht van activa binnen een groep ondernemingen — In een lidstaat gevestigde vennootschap met een moedermaatschappij in een andere lidstaat en een zustervennootschap in een derde land — Overdracht van intellectuele-eigendomsrechten van de in de lidstaat gevestigde vennootschap aan haar zustervennootschap in ruil voor een tegenprestatie die gelijk is aan de marktwaarde — Belastingvrijstelling of belastingheffing afhankelijk van het land waar de begunstigde vennootschap haar hoofdvestiging heeft
A. Rantos
Partij(en)
Zaak C-707/201.
Gallaher Limited
tegen
The Commissioners for Her Majesty's Revenue & Customs
[verzoek van de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (belastingrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (belastingrechter in tweede aanleg, Verenigd Koninkrijk) en heeft betrekking op de uitlegging van de artikelen 49, 63 en 64 VWEU.
2.
Dit verzoek vloeit voort uit een geding tussen Gallaher Limited (hierna: ‘GL’), een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, en de Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs (belasting- en douanedienst, Verenigd Koninkrijk; hierna: ‘belastingdienst’) betreffende een aan GL opgelegde belasting die zij zonder recht op uitstel van betaling moet voldoen over twee transacties waarbij zij activa heeft overgedragen aan vennootschappen binnen dezelfde groep ondernemingen die hun fiscale woonplaats buiten het Verenigd Koninkrijk hebben. Die transacties betroffen meer in het bijzonder, ten eerste, de overdracht van intellectuele-eigendomsrechten op tabaksmerken aan een zustervennootschap van GL met fiscale woonplaats in Zwitserland (hierna: ‘overdracht van 2011’) en, ten tweede, de overdracht van de aandelen van een dochteronderneming van GL aan haar in Nederland gevestigde intermediaire moedermaatschappij (hierna: ‘overdracht van 2014’).
3.
GL, die van de belastingdienst besluiten heeft ontvangen waarin de met die twee overdrachten gerealiseerde meerwaarde en belastbare winst zijn vastgesteld, stelt in het hoofdgeding in wezen dat de fiscale behandeling van die overdrachten verschilt van die van overdrachten tussen de leden van een groep ondernemingen met een vestiging of vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk, die vrijgesteld zijn van de vennootschapsbelasting. Overeenkomstig de in het Verenigd Koninkrijk geldende ‘regelingen inzake overdrachten binnen een groep’ zou de betrokken belasting namelijk niet zijn opgelegd indien diezelfde activa zouden zijn overgedragen aan een moedermaatschappij of zusteronderneming met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk (of zonder fiscale woonplaats aldaar maar met een vaste inrichting die in dat land een bedrijf uitoefent), aangezien dergelijke overdrachten als belastingneutraal worden aangemerkt.
4.
Derhalve rijst de vraag of het heffen van belasting over de twee betrokken overdrachten zonder recht op uitstel van betaling verenigbaar is met het Unierecht en meer in het bijzonder, wat beide overdrachten betreft, met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU en, wat de overdracht van 2011 betreft, met het recht op vrij verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 63 VWEU.
5.
Overeenkomstig het verzoek van het Hof richt de onderhavige conclusie zich op de analyse van de derde, de vijfde en de zesde prejudiciële vraag.2. Daarmee wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of regelingen inzake overdrachten binnen een groep, zoals de regelingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, de vrijheid van vestiging kunnen belemmeren voor zover de fiscale behandeling verschilt naargelang de betrokken transactie plaatsvindt binnen een groep ondernemingen tussen twee in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschappen dan wel binnen een groep ondernemingen tussen een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap en een vennootschap in een andere lidstaat. Voor het geval dat er sprake zou zijn van schending van het Unierecht vraagt de verwijzende rechter zich af welke corrigerende maatregelen passend zijn.
6.
Na afloop van mijn analyse zal ik concluderen dat de betrokken regelingen verenigbaar zijn met de vrijheid van vestiging, aangezien het verschil in behandeling tussen nationale en grensoverschrijdende overdrachten van activa die onder bezwarende titel binnen een groep ondernemingen worden verricht in beginsel kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven, zonder dat in de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling hoeft te worden voorzien om de evenredigheid van die beperking te waarborgen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Algemene beginselen inzake vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk
7.
Op grond van de sections 2 en 5 van de Corporation Tax Act 2009 (wet van 2009 inzake de vennootschapsbelasting; hierna: ‘CTA 2009’) en section 8 van de Taxation of Chargeable Gains Act 1992 (wet van 1992 op de meerwaardebelasting; hierna: ‘TCGA 1992’) moeten vennootschappen met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelasting betalen over alle winst (met inbegrip van meerwaarde) die zij tijdens het betrokken boekjaar hebben gerealiseerd.
8.
Overeenkomstig section 5, lid 3, CTA 2009 moeten vennootschappen die hun fiscale woonplaats buiten het Verenigd Koninkrijk hebben maar in dat land handelsactiviteiten uitoefenen via een vaste inrichting, vennootschapsbelasting betalen over de winst die aan die vaste inrichting kan worden toegerekend. Voorts moeten die vennootschappen op grond van section 10 B TCGA 1992 vennootschapsbelasting betalen over de meerwaarde die zij hebben gerealiseerd met de overdracht van activa die zich in het Verenigd Koninkrijk bevinden en die ten behoeve van die activiteiten of vaste inrichting worden gebruikt. Die activa worden overeenkomstig section 171, lid 1A, TCGA 1992 aangemerkt als ‘belastbare activa’.
9.
Volgens de sections 17 en 18 TCGA 1992 worden overdrachten van activa die niet voortvloeien uit een overeenkomst die onder andere voorwaarden dan normale concurrentievoorwaarden is gesloten, en overdrachten van activa die ten gunste van een verbonden persoon zijn uitgevoerd, geacht te zijn verricht tegen een vergoeding die gelijk is aan de marktwaarde.
B. Regelingen inzake overdrachten binnen een groep ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk
10.
Section 171 TCGA 1992 en de sections 775 en 776 CTA 2009 (hierna samen: ‘regelingen inzake overdrachten binnen een groep’) bepalen dat de overdracht van activa tussen vennootschappen van een groep die vennootschapsbelasting moeten afdragen in het Verenigd Koninkrijk, belastingneutraal moet plaatsvinden.
11.
Meer in het bijzonder bepaalt section 171 TCGA 1992 dat een overdracht van activa binnen een groep waarbij onderneming A, die belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk, de activa overdraagt aan onderneming B, die eveneens belastingplichtig is in dat land, wordt geacht te zijn verricht tegen een vergoeding die noch tot meerwaarde, noch tot verlies leidt (zodat B wordt geacht de activa op dezelfde financiële basis te hebben verworven als die waarop A de activa had verworven). Niettemin kan achteraf een belastingverplichting ontstaan indien de overdracht van de activa tot meerwaarde leidt in omstandigheden waarin section 171 TCGA 1992 niet van toepassing is (bijvoorbeeld indien B de activa overdraagt aan een onderneming buiten de groep of aan een onderneming van de groep die niet vennootschapsbelastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk).
12.
Ook indien section 775 CTA 2009 van toepassing is, ontstaat er geen belastingverplichting (of aftrek bij verlies) wanneer immateriële goederen binnen een groep worden overgedragen door onderneming A, die belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk, aan onderneming B, die eveneens belastingplichtig is in dat land. B wordt immers geacht de betrokken activa al die tijd dat zij in handen waren van A, zelf in eigendom te hebben gehad, en die activa tegen dezelfde basiskosten als A te hebben verworven. Niettemin kan er achteraf een belastingverplichting ontstaan, met name wanneer de activa worden overgedragen in omstandigheden waarin section 775 CTA 2009 niet van toepassing is (namelijk wanneer de activa worden overgedragen aan een onderneming buiten de groep of aan een onderneming die niet belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk).
C. Toepasselijke verdragen ter voorkoming van dubbele belasting
13.
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland heeft een groot aantal verdragen en akkoorden met andere landen gesloten, die over het algemeen gebaseerd zijn op het modelbelastingverdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Meer in het bijzonder is in artikel 13, lid 5, van het tussen het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting bepaald dat over de meerwaarde die voortvloeit uit de overdracht van activa, zoals de meerwaarde die in de onderhavige procedure aan de orde is, enkel belasting hoeft te worden afgedragen op het grondgebied waar de vervreemder is gevestigd.
D. Regels inzake de betaling van vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk
14.
Overeenkomstig section 59D van de Taxes Management Act 1970 (wet van 1970 betreffende het belastingbeheer) in de versie die in het hoofdgeding van toepassing is (hierna: ‘TMA 1970’) wordt de vennootschapsbelasting over een boekjaar negen maanden en een dag na het einde van dat boekjaar invorderbaar. Voorts bepalen de sections 55 en 56 TMA 1970 dat wanneer bij de First-tier Tribunal (Tax Chamber) (belastingrechter in eerste aanleg, Verenigd Koninkrijk) een beroep is ingesteld tegen een besluit van de belastingdienst (waaronder een besluit tot gedeeltelijke sluiting) dat tot wijzigingen leidt in de aangifte die een vennootschap over een bepaald boekjaar heeft gedaan, de betaling van de vastgestelde belasting kan worden uitgesteld met instemming van de belastingdienst of middels het indienen van een verzoek daartoe bij die rechter, zodat die belasting pas invorderbaar wordt nadat die rechter uitspraak heeft gedaan in het beroep dat bij hem is ingesteld.
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
15.
GL is een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk die deel uitmaakt van Japan Tobacco Inc., een internationale groep ondernemingen die tabaksproducten distribueert in 130 landen wereldwijd (hierna: ‘JT’). De vennootschap aan het hoofd van die groep is een beursgenoteerde onderneming met fiscale woonplaats in Japan.
16.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de vennootschap die in Europa aan het hoofd van de JT-groep staat JTIH is, een in Nederland gevestigde onderneming (hierna: ‘Nederlandse vennootschap’) die de indirecte moedermaatschappij is van GL. De relatie tussen die twee ondernemingen is tot stand gebracht via de oprichting van vier andere vennootschappen, die alle vier in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd.
17.
GL heeft in 2011 intellectuele-eigendomsrechten op tabaksmerken en aanverwante activa overgedragen (overdracht van 2011) aan JTISA, een in Zwitserland gevestigde zustervennootschap die een rechtstreekse dochteronderneming is van de Nederlandse vennootschap (hierna: ‘Zwitserse vennootschap’). Als tegenprestatie voor die overdracht heeft GL een vergoeding ontvangen van de Zwitserse vennootschap, die met het oog daarop van de Nederlandse vennootschap business-to-businessleningen had ontvangen voor een bedrag gelijk aan die vergoeding.
18.
In 2014 heeft GL haar volledige aandelenkapitaal in een van haar dochterondernemingen, een vennootschap op het eiland Man, overgedragen aan de Nederlandse vennootschap (overdracht van 2014).
19.
De belastingdienst heeft bij twee besluiten (besluiten tot gedeeltelijke sluiting) de meerwaarde en de belastbare winst vastgesteld die GL tijdens de betrokken boekhoudperioden had gerealiseerd met de overdrachten van 2011 en 2014. Over de meerwaarde van de activa was onmiddellijk belasting verschuldigd omdat de cessionarissen hun fiscale woonplaats buiten het Verenigd Koninkrijk hadden en geen enkele bepaling van het belastingrecht van het Verenigd Koninkrijk voorzag in uitstel van betaling of in betaling in termijnen.
20.
GL heeft aanvankelijk twee beroepen tegen die besluiten ingesteld bij de First-tier Tribunal (Tax Chamber).
21.
Wat in de eerste plaats het beroep inzake de overdracht van 2011 betreft, heeft GL aangevoerd, ten eerste, dat het ontbreken van het recht op uitstel van belastingbetaling een beperking van de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap vormde, ten tweede en subsidiair, dat het ontbreken van dat recht op uitstel van betaling het recht van de Nederlandse vennootschap en/of van GL op het vrije verkeer van kapitaal beperkte en, ten derde, dat het Verenigd Koninkrijk op grond van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid weliswaar bevoegd was om belasting te heffen over de gerealiseerde meerwaarde, maar dat de verplichting tot onmiddellijke belastingbetaling zonder de mogelijkheid van uitstel van betaling onevenredig was.
22.
Wat in de tweede plaats het beroep inzake de overdracht van 2014 betreft, heeft GL aangevoerd, ten eerste, dat het ontbreken van het recht op uitstel van belastingbetaling de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap beperkte en, ten tweede, dat het Verenigd Koninkrijk op grond van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid weliswaar in beginsel bevoegd was om belasting te heffen over de gerealiseerde meerwaarde, maar dat de verplichting tot onmiddellijke belastingbetaling zonder de mogelijkheid van uitstel van betaling onevenredig was. Nadat GL dit beroep had ingesteld, heeft zij de betaling van de vennootschapsbelasting uitgesteld tot na de uitspraak ten gronde, waartoe zij gerechtigd was op grond van section 55 TMA 1970.
23.
De First-tier Tribunal (Tax Chamber) heeft geoordeeld dat beide overdrachten gebaseerd waren op geldige zakelijke redenen3., dat geen van die overdrachten deel uitmaakte van louter kunstmatige constructies die geen afspiegeling waren van de economische realiteit en dat geen van beide primair belastingontwijking tot doel had.
24.
Die rechter heeft in het beroep inzake de overdracht van 2014 vastgesteld dat er sprake was van schending van het Unierecht, maar heeft in het beroep inzake de overdracht van 2011 geoordeeld dat dat niet het geval was. Hij heeft het beroep inzake de overdracht van 2014 toegewezen, in tegenstelling tot dat inzake de overdracht van 2011.
25.
Wat in dat verband het beroep inzake de overdracht van 2011 betreft, heeft die rechter met name geoordeeld dat de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap niet werd beperkt. Wat het recht op vrij verkeer van kapitaal betreft, heeft hij vastgesteld dat dat recht niet kon worden ingeroepen omdat de betrokken wettelijke regeling enkel van toepassing was op groepen ondernemingen met een gemeenschappelijke moedermaatschappij.
26.
Wat het beroep inzake de overdracht van 2014 betreft, heeft die rechter met name geoordeeld dat de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap werd beperkt, dat die vennootschap objectief vergelijkbaar was met een vennootschap die belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk en dat het ontbreken van het recht op uitstel van belastingbetaling onevenredig was.
27.
GL heeft bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen het vonnis inzake de overdracht van 2011. De belastingdienst, van zijn kant, heeft bij die rechter hoger beroep ingesteld tegen het vonnis inzake de overdracht van 2014.
28.
Volgens de verwijzende rechter rijst in de nationale procedure de vraag of het heffen van belasting over de overdrachten van 2011 en 2014 zonder recht op uitstel van betaling verenigbaar is met het Unierecht en meer in het bijzonder, wat beide overdrachten betreft, met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU, en, wat de overdracht van 2011 betreft, met het recht op vrij verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 63 VWEU. In het geval dat het heffen van belasting zonder recht op uitstel van belastingbetaling in strijd zou zijn met het Unierecht, vraagt de verwijzende rechter zich verder af welke corrigerende maatregelen passend zijn.
29.
In die omstandigheden heeft de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan met betrekking tot nationale wettelijke regelingen, zoals die inzake overdrachten binnen een groep, die alleen van toepassing zijn op groepen ondernemingen, een beroep worden gedaan op artikel 63 VWEU?
- 2)
Ook wanneer in algemene zin geen beroep kan worden gedaan op artikel 63 VWEU met betrekking tot de bepalingen inzake overdrachten binnen een groep, kan op dat artikel dan wel een beroep worden gedaan:
- a)
met betrekking tot kapitaalverkeer van een in een lidstaat van de Unie gevestigde moedermaatschappij naar een in Zwitserland gevestigde dochteronderneming, wanneer de moedermaatschappij een deelneming van 100 % heeft in zowel de in Zwitserland gevestigde dochteronderneming als de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming ten laste waarvan de belasting wordt geheven?
- b)
met betrekking tot kapitaalverkeer door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde 100 %-dochteronderneming naar een in Zwitserland gevestigde 100 %-dochteronderneming van dezelfde in een lidstaat van de Unie gevestigde moedermaatschappij, gelet op het feit dat de twee vennootschappen zustervennootschappen zijn en geen moeder-dochterrelatie hebben?
- 3)
Vormt een wettelijke regeling als de bepalingen inzake overdrachten binnen een groep, waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap aan een in Zwitserland gevestigde zustervennootschap (die in het Verenigd Koninkrijk geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting), wanneer beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij die in een andere lidstaat is gevestigd, in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap ook in het Verenigd Koninkrijk was gevestigd (of in het Verenigd Koninkrijk een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting), een beperking van de vrijheid van vestiging van de moedermaatschappij in de zin van artikel 49 VWEU of, in voorkomend geval, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal in de zin van artikel 63 VWEU?
- 4)
Wanneer een beroep kan worden gedaan op artikel 63 VWEU:
- a)
vormde de overdracht van de merken en aanverwante activa door GL aan [de Zwitserse vennootschap] tegen een vergoeding die de marktwaarde van de merken moest weerspiegelen, dan kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 VWEU?
- b)
vormden de kapitaalbewegingen van [de Nederlandse vennootschap] naar [de Zwitserse vennootschap], haar in Zwitserland gevestigde dochteronderneming, dan directe investeringen in de zin van artikel 64 VWEU?
- c)
kan artikel 64 VWEU, gelet op het feit dat deze bepaling slechts van toepassing is op bepaalde soorten kapitaalverkeer, worden toegepast in omstandigheden waarin kapitaalverkeer niet alleen kan worden aangemerkt als een directe investering (waarnaar wordt verwezen in dat artikel) maar ook als een ander soort kapitaalverkeer, waarnaar in artikel 64 VWEU niet wordt verwezen?
- 5)
Indien er sprake is van een beperking, en niet wordt betwist dat die beperking in beginsel gerechtvaardigd is om dwingende redenen van algemeen belang (namelijk de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven), is deze beperking dan noodzakelijk en evenredig in de zin van de rechtspraak van het Hof, met name in omstandigheden waarin de betrokken belastingplichtige bij de vervreemding van het vermogensbestanddeel opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde ervan?
- 6)
Indien er sprake is van een schending van de vrijheid van vestiging en/of het recht van vrij verkeer van kapitaal:
- a)
vereist het Unierecht dan dat de nationale wettelijke regeling buiten toepassing wordt gelaten, dan wel aldus wordt uitgelegd dat GL de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling wordt geboden?
- b)
zo ja, vereist het Unierecht dan dat de nationale wettelijke regeling buiten toepassing wordt gelaten, dan wel aldus wordt uitgelegd dat GL de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling wordt geboden totdat de activa worden vervreemd buiten de subgroep waarvan de in de andere lidstaat gevestigde vennootschap de moedermaatschappij is (dat wil zeggen ‘op realisatiebasis’) of kan een mogelijkheid om de belasting in termijnen te betalen (dat wil zeggen ‘op basis van termijnbetaling’) een evenredig herstel bieden?
- c)
Wanneer de betaling van de belasting in termijnen in beginsel een evenredig herstel kan bieden:
- i)
is dat dan alleen het geval indien het nationale recht die keuzemogelijkheid bood ten tijde van de vervreemding van de activa, of is het verenigbaar met het Unierecht dat een dergelijke keuzemogelijkheid wordt geboden in de vorm van een herstel met terugwerkende kracht (in die zin dat de nationale rechter achteraf een dergelijke keuzemogelijkheid biedt, door een conforme uitlegging toe te passen of de wettelijke regeling buiten toepassing te laten)?
- ii)
vereist het Unierecht dan dat de nationale rechter kiest voor een herstel dat de betrokken Unierechtelijke vrijheid zo min mogelijk aantast, of volstaat het dat de nationale rechter kiest voor een herstel dat weliswaar evenredig is, maar zo min mogelijk afwijkt van het bestaande nationale recht?
- iii)
welke periode van afbetalingstermijnen is dan vereist?
- iv)
is dan een herstelmaatregel die een afbetalingsregeling omvat volgens welke betalingen reeds verschuldigd zijn vóór de datum waarop de geschillen tussen de partijen definitief worden beslecht, in strijd met het Unierecht, met andere woorden moeten de vervaldagen van de afbetalingstermijnen in de toekomst liggen?’
30.
Hoewel het Verenigd Koninkrijk zich op 31 januari 2020 uit de Unie heeft teruggetrokken, blijft het Hof bevoegd om uitspraak te doen op dit verzoek.4.
31.
GL, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
32.
Aangezien de prejudiciële vragen zowel betrekking hebben op artikel 49 VWEU, dat de vrijheid van vestiging regelt, als op artikel 63 VWEU, dat het vrije verkeer van kapitaal regelt, moet worden vastgesteld welke vrijheid in het hoofdgeding van toepassing is.5.
33.
Om vast te stellen of een nationale wettelijke regeling onder de ene dan wel de andere van de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden valt, dient volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie.6.
34.
Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die alleen van toepassing is op participaties waarmee een zodanige invloed op de besluiten van een vennootschap kan worden uitgeoefend dat de activiteiten ervan kunnen worden bepaald, onder artikel 49 VWEU valt. Daarentegen kunnen nationale bepalingen die van toepassing zijn op participaties die enkel als belegging worden genomen zonder dat het de bedoeling is invloed op het bestuur van en de zeggenschap over de onderneming uit te oefenen, uitsluitend aan het beginsel van het vrije verkeer van kapitaal worden getoetst.7.
35.
De wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, heeft betrekking op de fiscale behandeling van overdrachten van activa binnen dezelfde groep ondernemingen.8. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, kan een dergelijke wettelijke regeling onder artikel 49 VWEU en onder artikel 63 VWEU vallen.9. Uit vaste rechtspraak blijkt evenwel dat een nationale maatregel die verband houdt met zowel de vrijheid van vestiging als het vrije verkeer van kapitaal, in beginsel slechts uit het oogpunt van één van deze twee vrijheden moet worden onderzocht indien blijkt dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een van de vrijheden volledig ondergeschikt is aan de andere en daarmee kan worden verbonden.10.
36.
Mijns inziens heeft de nationale maatregel die in casu aan de orde is hoofdzakelijk betrekking op de vrijheid van vestiging. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep enkel van toepassing zijn op overdrachten binnen een ‘groep’ ondernemingen, welk begrip in section 170, lid 3, TCGA 1992 is gedefinieerd als een vennootschap en al haar dochterondernemingen waarin zij een belang van 75 % heeft (alsook de 75 %-dochterondernemingen van die dochterondernemingen). Bijgevolg zijn de regelingen inzake overdrachten binnen een groep enkel van toepassing op de overdrachten van activa tussen een moedermaatschappij en de dochterondernemingen (of sub-dochterondernemingen) waarop die moedermaatschappij een bepalende directe (of indirecte) invloed heeft, en op overdrachten van activa tussen dochterondernemingen (of sub-dochterondernemingen) die een gemeenschappelijke moedermaatschappij hebben die een bepalende gemeenschappelijke invloed op hen uitoefent. In beide gevallen worden de regelingen inzake overdrachten binnen een groep ingeroepen op grond van de participatie waarmee de moedermaatschappij een bepalende invloed kan uitoefenen op haar dochterondernemingen. De betrokken wettelijke regeling heeft dus enkel betrekking op de relaties binnen een groep ondernemingen, en het Hof heeft duidelijk vastgesteld dat dit type wettelijke regelingen hoofdzakelijk ingrijpt in de vrijheid van vestiging.11.
37.
Bovendien zouden beperkingen van het vrije verkeer van kapitaal, gesteld al dat de betrokken wettelijke regeling die vrijheid zou beperken, het onvermijdelijke gevolg zijn van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging, en dus geen autonome toetsing van die regeling aan artikel 63 VWEU rechtvaardigen.12. Het Hof hoeft dus niet, zoals GL in wezen stelt, na te gaan of de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt door zich in plaats van op het voorwerp van de wettelijke regeling op de feiten van de zaak te baseren, noch subsidiair te onderzoeken of artikel 63 VWEU van toepassing is. Niettemin kan het Hof de informatie van deze eerste analyse gebruiken om een antwoord te formuleren op de eerste, de tweede en de vierde prejudiciële vraag, die betrekking hebben op de toepassing van artikel 63 VWEU.
38.
Gelet op het voorgaande dienen de derde, de vijfde en de zesde prejudiciële vraag enkel in het licht van artikel 49 VWEU te worden beantwoord.
B. Derde prejudiciële vraag
39.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een nationale wettelijke regeling die, zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, een onmiddellijke belasting heft over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk aan een zustervennootschap met fiscale woonplaats in Zwitserland (die in het Verenigd Koninkrijk geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting), wanneer die beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat, de vrijheid van vestiging van die moedervennootschap in de zin van artikel 49 VWEU beperkt in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap in het Verenigd Koninkrijk was gevestigd (of daar een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting).
40.
Volgens GL vereist de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap in dat verband dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep tevens worden toegepast op overdrachten van activa aan dochterondernemingen van die vennootschap die buiten het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd, waarbij het niet uitmaakt of die dochterondernemingen in een lidstaat dan wel in een derde land zijn gevestigd. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk vormt de heffing van een onmiddellijke belasting over overdrachten zoals de overdracht van 2011, waarbij activa door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap worden overgedragen aan een zustervennootschap in Zwitserland, geen beperking van de vrijheid van vestiging. De Commissie, tot slot, stelt dat een dergelijke transactie niet binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt, omdat Zwitserland geen lidstaat van de Unie is.
41.
Vooraf moet, ten eerste, worden opgemerkt dat deze vraag enkel betrekking heeft op typen transacties zoals de overdrachtsconstructie van 2011, waarbij activa door een in het Verenigd Koninkrijk belastingplichtige vennootschap worden overgedragen aan een vennootschap met fiscale woonplaats buiten de Unie (in casu in Zwitserland) die niet belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk.
42.
Ten tweede heeft deze vraag betrekking op de situatie waarin de moedermaatschappij haar vrijheid als bedoeld in artikel 49 VWEU heeft uitgeoefend door een dochteronderneming (in casu GL) op te richten in het Verenigd Koninkrijk. De vrijheid van vestiging zal dus enkel vanuit de invalshoek van de rechten van de moedermaatschappij (in casu de Nederlandse vennootschap) worden onderzocht.
43.
Vanuit dat oogpunt herinner ik aan de vaste rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, op grond van artikel 49 VWEU juncto artikel 54 VWEU het recht hebben om hun activiteiten in andere lidstaten uit te oefenen door middel van een dochteronderneming, een filiaal of een agentschap.13. Die bepalingen beogen dus met name het voordeel van de nationale behandeling in de lidstaat van ontvangst te garanderen door elke ongunstige behandeling op grond van de plaats van de hoofdvestiging van vennootschappen te verbieden.14.
44.
Hieruit volgt dat de (Nederlandse) moedermaatschappij op grond van artikel 49 VWEU mag verlangen dat haar dochteronderneming (GL) wordt behandeld onder dezelfde voorwaarden als die welke in het Verenigd Koninkrijk zijn vastgesteld voor vennootschappen met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk.15.
45.
Vastgesteld moet worden dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regelingen inzake overdrachten binnen een groep, en met name section 171 TCGA 1992, geen enkel verschil in behandeling naargelang van de fiscale woonplaats van de moedermaatschappij meebrengen, aangezien die regelingen de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochterondernemingen van een moedermaatschappij die haar hoofdvestiging in een andere lidstaat heeft, op exact dezelfde wijze behandelen als de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochterondernemingen van een moedermaatschappij die haar hoofdvestiging in het Verenigd Koninkrijk heeft. GL zou dus, anders gezegd, dezelfde fiscale behandeling hebben genoten indien haar moedermaatschappij in het Verenigd Koninkrijk was gevestigd, wat erop neerkomt dat er op het niveau van de moedermaatschappijen geen enkel verschil in behandeling wordt gemaakt.
46.
Hieruit volgt dat het Verenigd Koninkrijk de dochteronderneming van een vennootschap die in een andere lidstaat is gevestigd niet ongunstiger behandelt dan een vergelijkbare dochteronderneming van een vennootschap die in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, en dat artikel 49 VWEU zich er niet tegen verzet dat onmiddellijke belasting wordt geheven in de omstandigheden waarnaar de derde prejudiciële vraag verwijst.
47.
Aan die conclusie kan mijns inziens niet worden afgedaan door de verschillende argumenten die GL aanvoert ter ondersteuning van haar stelling dat sprake is van een verschil in behandeling tussen de Nederlandse vennootschap en een moedermaatschappij die in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, en dat bijgevolg de vrijheid van vestiging wordt beperkt.
48.
In de eerste plaats kan immers niet worden meegegaan met het argument waarmee GL onder verwijzing naar het arrest van 27 november 2008, Papillon (C-418/07, EU:C:2008:659), stelt dat een verschil in behandeling enkel op adequate wijze kan worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de feiten zoals die zich hebben voorgedaan (te weten een overdracht door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming van een moedermaatschappij buiten het Verenigd Koninkrijk aan een zusteronderneming buiten het Verenigd Koninkrijk) en de feiten van een zuiver interne situatie (te weten een overdracht door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming van een moedermaatschappij in het Verenigd Koninkrijk aan een dochteronderneming die ook in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd).
49.
Anders dan GL stelt, verschilt de zaak waarin het arrest Papillon is gewezen van het onderhavige geval. In de zaak Papillon heeft het Hof immers een stelsel onderzocht waarbij de keuze voor een fiscale-integratieregeling afhankelijk kon worden gesteld van de vraag of de moedervennootschap haar indirecte participaties via een in Frankrijk gevestigde dochteronderneming hield dan wel via een in een andere lidstaat gevestigde dochteronderneming. In die omstandigheden was het van wezenlijk belang om, zoals het Hof heeft gedaan, rekening te houden met de vergelijkbaarheid tussen een communautaire situatie en een zuiver interne situatie. Het is duidelijk dat het Hof geen standaardarrest heeft gewezen waaruit voortvloeit dat ongeacht de omstandigheden een vergelijking moet worden gemaakt tussen de feiten zoals die zich hebben voorgedaan en een zuiver interne situatie. Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt juist duidelijk dat een dochteronderneming waarvan de moedermaatschappij in een andere lidstaat is gevestigd op grond van artikel 49 VWEU onder dezelfde voorwaarden moet worden behandeld als die welke door de lidstaat van ontvangst worden toegepast ten aanzien van een dochteronderneming waarvan de moedermaatschappij, net als die dochteronderneming, in die lidstaat van ontvangst is gevestigd. De vergelijking die GL voorstelt, zou van de lidstaat van ontvangst verlangen dat hij een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming waarvan de moedermaatschappij niet in die lidstaat is gevestigd fiscaal gunstiger behandelt dan een in die lidstaat gevestigde dochteronderneming waarvan de moedermaatschappij wel in dezelfde lidstaat is gevestigd.
50.
In de tweede plaats stelt GL in wezen dat het hoe dan ook niet uitmaakt of al dan niet sprake is van een verschil in behandeling, aangezien volgens de rechtspraak van het Hof alle maatregelen die ‘de uitoefening van de vrijheid van vestiging verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken’ als beperkingen van deze vrijheid moeten worden beschouwd.16. Volgens GL maakt het feit dat zij in alle gevallen, ook wanneer het economische eigendom van de activa ongewijzigd blijft, onmiddellijk belasting moet betalen over de overdracht van activa aan in het buitenland gevestigde vennootschappen van de groep, de uitoefening van de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap, bij de verwerving van GL, minder aantrekkelijk.
51.
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de door GL aangehaalde rechtspraak op grond waarvan de vrijheid van vestiging wordt beperkt wanneer een maatregel ‘de uitoefening van die vrijheid minder aantrekkelijk maakt’, betrekking heeft op andere situaties dan die in het hoofdgeding, namelijk op situaties waarin een vennootschap die haar vrijheid van vestiging in een andere lidstaat wil uitoefenen een nadeel ondervindt in vergelijking met een vergelijkbare vennootschap die die vrijheid niet uitoefent.17. Indien die vergelijking ontbreekt, kan iedere opgelegde belastingverplichting in strijd zijn met artikel 49 VWEU, aangezien het minder aantrekkelijk is om belasting te moeten betalen dan om van die verplichting te worden vrijgesteld. De rechtspraak van het Hof inzake de exitheffing18. bevestigt immers dat de analyse moet worden verricht op basis van de vaststelling van een verschil in behandeling, dus op basis van een vergelijking en niet enkel op basis van de vraag of de nationale maatregelen de uitoefening van de vrijheid ‘minder aantrekkelijk’ maken. Zo heeft het Hof geoordeeld dat de vrijheid van vestiging wordt beperkt door nationale maatregelen op grond waarvan de overdracht van de vaste inrichting zelf naar een andere lidstaat ongunstiger wordt behandeld in vergelijking met de overdracht van een vestiging binnen de lidstaat19., of op grond waarvan de overdracht van activa aan een vestiging in een andere lidstaat ongunstiger wordt behandeld in vergelijking met de overdracht van activa aan een vestiging binnen de lidstaat.20.
52.
Daarentegen wordt, zoals in de punten 45 en 46 van deze conclusie is opgemerkt, met de nationale maatregelen in de situatie waarnaar de derde prejudiciële vraag verwijst onmiddellijk belasting geheven over een transactie waarbij activa door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming van een moedermaatschappij buiten het Verenigd Koninkrijk worden overgedragen naar een derde land, en leggen die maatregelen dezelfde belastingverplichting op in een vergelijkbare situatie waarin activa naar een derde land worden overgedragen door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming waarvan de moedermaatschappij eveneens in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd.
53.
In de derde plaats zijn de omstandigheden van het hoofdgeding, anders dan GL stelt, niet identiek aan die van de zaak die tot het arrest Test Claimants II heeft geleid. GL voert dat arrest aan ter ondersteuning van haar standpunt dat het ontbreken van de mogelijkheid van uitstel van betaling voor de overdracht van 2011, de vrijheid van vestiging van de Nederlandse vennootschap beperkt wat betreft de verwerving van GL, ongeacht de plaats van vestiging van de zusteronderneming, die niet relevant is voor de analyse.
54.
Er zij evenwel op gewezen dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep materieelrechtelijk verschillen van de regelgeving van het Verenigd Koninkrijk inzake onderkapitalisatie die in het arrest Test Claimants II is onderzocht en door GL wordt aangevoerd. De regelgeving van het Verenigd Koninkrijk inzake onderkapitalisatie had als wezenlijk kenmerk dat zij de mogelijkheid voor een in dat land gevestigde onderneming beperkte om de rente af te trekken die die onderneming had betaald aan haar directe of indirecte moedermaatschappij die in een andere lidstaat was gevestigd (of aan een andere vennootschap die onder de zeggenschap van die maatschappij viel), terwijl die regelgeving die beperkingen niet oplegde aan de betaling van rente door een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap aan een eveneens in het Verenigd Koninkrijk gevestigde moedermaatschappij. Het Hof heeft geoordeeld dat dat verschil in behandeling van ingezeten dochterondernemingen ‘op grond van de plaats van de zetel van hun moedermaatschappij’ een beperking vormde van de vrijheid van vestiging van vennootschappen die in andere lidstaten waren gevestigd.21.
55.
Aangezien het verschil in behandeling dat uit de regelgeving inzake onderkapitalisatie voortvloeide gebaseerd was op de plaats van vestiging van de moedermaatschappij, werd de vrijheid van die moedermaatschappij beperkt zowel bij de rechtstreekse rentebetaling aan een moedermaatschappij in een lidstaat buiten het Verenigd Koninkrijk als bij de rechtstreekse rentebetaling aan een andere vennootschap die onder de zeggenschap van die moedermaatschappij viel (ongeacht de plaats van vestiging van die vennootschap).22. Daarentegen leidt de toepassing van regelingen inzake overdrachten binnen een groep op een transactie waarbij een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming van een Nederlandse moedermaatschappij activa overdraagt aan een in Zwitserland gevestigde zusteronderneming geenszins tot een verschil in behandeling op grond van de plaats van vestiging van de moedermaatschappij, zoals hierboven reeds is benadrukt. De regelingen inzake overdrachten binnen een groep zouden op precies dezelfde wijze worden toegepast indien de moedermaatschappij in het Verenigd Koninkrijk zou zijn opgericht of zijn gevestigd.
56.
Gelet op de voorgaande overwegingen stel ik voor om op de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling inzake overdrachten binnen een groep die een onmiddellijke belasting heft over een transactie waarbij activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk worden overgedragen aan een zustervennootschap met fiscale woonplaats in Zwitserland (die in het Verenigd Koninkrijk geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting) in het geval dat die beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat, in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap in het Verenigd Koninkrijk was gevestigd (of daar een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting).
C. Vijfde prejudiciële vraag
57.
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, in het geval dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep de vrijheid van vestiging zouden beperken en die beperking in beginsel gerechtvaardigd zou zijn op grond van dwingende redenen van algemeen belang, te weten de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven, een dergelijke beperking als noodzakelijk en evenredig kan worden beschouwd, met name in omstandigheden waarin de betrokken belastingplichtige als tegenprestatie voor de overdracht van de activa opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde van die activa.
58.
Gelet op het door mij voorgestelde antwoord op de derde prejudiciële vraag hoeft deze vraag niet te worden beantwoord voor zover zij betrekking heeft op de overdracht van 2011.
59.
Wat de overdracht van 2014 betreft, staat tussen partijen in het hoofdgeding vast dat de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, en met name section 171 TCGA 1992, tot gevolg hebben dat de fiscale behandeling van in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen die activa binnen een groep overdragen, verschilt naargelang van de vraag of de cessionaris (zoals de Nederlandse vennootschap) al dan niet vennootschapsbelastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk. Meer in het bijzonder ontstaat er geen enkele belastingverplichting wanneer een dergelijke vennootschap activa overdraagt aan een onderneming van de groep die belastingplichtig is in het Verenigd Koninkrijk, maar staan die regels aan een dergelijk voordeel in de weg wanneer de begunstigde van de overdracht, zoals in casu bij de overdracht van 2014, een onderneming van de groep is die in een andere lidstaat belastingplichtig is. Derhalve kunnen die regels de vrijheid van vestiging beperken.
60.
Die uitlegging van partijen kan ik alleen maar onderschrijven, aangezien de regelingen inzake overdrachten binnen een groep daadwerkelijk tot een minder gunstige fiscale behandeling leiden van in het Verenigd Koninkrijk vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen die activa binnen de groep overdragen aan verwante vennootschappen die geen vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk afdragen.
61.
De verwijzende rechter gaat uit van de premisse dat een dergelijke beperking in beginsel kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, namelijk de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven. Het Verenigd Koninkrijk zou met andere woorden bevoegd moeten zijn om belasting over de gerealiseerde meerwaarde te heffen voordat de activa worden overgedragen aan een vennootschap die geen vennootschapsbelasting afdraagt in het Verenigd Koninkrijk. Die premisse lijkt mij gegrond. Het Hof heeft immers erkend dat het handhaven van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid in beginsel een verschil in behandeling kan rechtvaardigen tussen grensoverschrijdende transacties en transacties binnen dezelfde belastingjurisdictie.23. Wat meer in het bijzonder de exitheffing betreft, heeft het Hof vastgesteld dat de noodzaak van die heffing de beperking van de vrijheid van vestiging kan rechtvaardigen.24. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat die rechtvaardiging enkel toelaatbaar is indien en voor zover zij niet verder gaat dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstelling om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden.25.
62.
In die context moet alleen nog de door partijen betwiste vraag worden beantwoord of het gelet op die doelstelling evenredig is om de betrokken belasting onmiddellijk in te vorderen, zonder mogelijkheid van uitstel van betaling. De vraag van de verwijzende rechter lijkt immers in werkelijkheid betrekking te hebben op het gevolg van het feit dat GL op grond van de regelingen inzake overdrachten binnen een groep is uitgesloten van belastingvrijstelling, namelijk de omstandigheid dat het bedrag van de verschuldigde belasting onmiddellijk invorderbaar is.
63.
Dienaangaande stelt GL dat de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, identiek is aan de situaties die het Hof met betrekking tot de exitheffing heeft onderzocht, die ofwel betrekking hebben op een belastingplichtige die de belastingjurisdictie van een lidstaat verlaat, ofwel op de overdracht van activa buiten die belastingjurisdictie.26. Het Hof heeft vastgesteld dat het met de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid verenigbaar is om het bedrag van de belasting te berekenen op de datum waarop de activa buiten de belastingjurisdictie worden overgedragen, maar dat het heffen van een onmiddellijke belasting zonder mogelijkheid van uitstel van betaling onevenredig is.27.
64.
De regering van het Verenigd Koninkrijk merkt op dat de nationale wettelijke regeling tot doel heeft om te waarborgen dat het gewone stelsel voor het vaststellen en innen van belasting over de daadwerkelijke overdracht van activa, wordt toegepast wanneer de overdracht tot gevolg heeft dat er geen belasting over die activa wordt geheven in het Verenigd Koninkrijk. Gelet op die doelstelling gaat dat stelsel, dat de gewone heffings- en inningsmaatregelen (waaronder het recht om betaling van de belasting uit te stellen middels instelling van een beroep) op die transactie toepast, niet verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel ervan. Bovendien verschilt die wettelijke regeling materieelrechtelijk van de wettelijke regeling die aan de orde is in de rechtspraak van het Hof inzake de exitheffing, op grond waarvan een specifieke belasting wordt geheven wanneer de activa de belastingjurisdictie van de betrokken lidstaat verlaten terwijl de entiteit die de belasting verschuldigd is die activa niet heeft overgedragen.
65.
Alvorens die vraag ten gronde te onderzoeken, acht ik het noodzakelijk om in de eerste plaats enkele preciseringen van procedurele aard te verstrekken. Meer in het bijzonder breng ik in herinnering dat de rechter in eerste aanleg in casu heeft geoordeeld dat een corrigerende maatregel die voorziet in de mogelijkheid van uitstel van betaling op basis van een betaling in termijnen verenigbaar is met het Unierecht, maar dat deze rechter geen uitwerking kan geven aan een dergelijke maatregel (omdat hij niet over de exacte uitvoeringsregels van een afbetalingsregeling heeft te beslissen), en dat hij in plaats daarvan de exitheffing buiten toepassing heeft gelaten. Voorts is GL in beroep gegaan tegen het gedeeltelijke-sluitingsbesluit betreffende de overdracht van 2014, waarna zij de betaling van de vennootschapsbelasting heeft uitgesteld tot na de uitspraak op dat beroep, waartoe zij gerechtigd is op grond van section 55 TMA 1970. Bijgevolg was zij niet verplicht om de betrokken vennootschapsbelasting te betalen (en heeft zij die belasting niet betaald). Derhalve rijst de vraag of de omstandigheid dat GL erin is geslaagd om de betaling uit te stellen door een beroep in te stellen en door andere nationale wettelijke bepalingen toe te passen, relevant is. Naar mijn mening is dat niet het geval. Zoals de verwijzende rechter terecht opmerkt, heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat de nationale wettelijke regeling enkel verenigbaar is met het Unierecht indien zij voorziet in een mogelijkheid van uitstel van betaling, maar moet die optie los van het bestaan van een geding beschikbaar zijn.
66.
Wat in de tweede plaats de zaak ten gronde betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de lidstaten, aangezien zij gerechtigd zijn belasting te heffen over de meerwaarde die is ontstaan in de periode waarin de betrokken activa zich op hun grondgebied bevonden, voor deze belastingheffing een ander belastbaar feit kunnen kiezen dan de daadwerkelijke realisatie van deze meerwaarde, teneinde te garanderen dat over deze activa belasting wordt geheven.28. Een lidstaat kan dus belasting heffen over latente meerwaarde teneinde te garanderen dat over deze activa belasting wordt geheven.29. Het Hof heeft de onmiddellijke invordering van latente meerwaarde evenwel als onevenredig aangemerkt, omdat latente meerwaarde de belastingplichtige niet in staat stelt om de belasting te betalen en die omstandigheid bij de inning van een exitheffing tot een specifiek liquiditeitsnadeel voor de belastingplichtige leidt.30. Aangezien het Hof onmiddellijke invordering van de exitheffing niet heeft aanvaard omdat voor de belastingplichtige een liquiditeitsnadeel ontstaat, is het duidelijk dat de periode voldoende lang moet zijn om dat probleem op te vangen.31.
67.
Derhalve rijst in casu de vraag in hoeverre de rechtspraak van het Hof inzake de heffing van belasting over latente meerwaarde kan worden ingeroepen in omstandigheden waarin de vervreemder van de activa de meerwaarde heeft gerealiseerd. Anders dan de exitheffing, die betrekking heeft op latente meerwaarde, hebben de regelingen inzake overdrachten binnen een groep immers betrekking op gerealiseerde meerwaarde.
68.
Zoals de Commissie benadrukt, zijn in dat verband twee omstandigheden in het bijzonder relevant om onderscheid te maken tussen latente meerwaarde en de meerwaarde die de vervreemder heeft gerealiseerd met de overdracht van activa binnen een groep ondernemingen. Ten eerste worden alle gevallen waarin een exitheffing aan de orde is, met inbegrip van gevallen van herinvesteringen, gekenmerkt door het feit dat de belastingplichtige wordt geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem wanneer hij belasting moet betalen over de meerwaarde die hij nog niet heeft gerealiseerd. Ten tweede moeten de belastingautoriteiten toezien op de betaling van de belasting over de meerwaarde die is gerealiseerd in de periode waarin de activa zich binnen hun belastingjurisdictie bevonden en kan het risico dat de belasting niet wordt betaald toenemen naarmate de tijd verstrijkt.
69.
In het geval dat meerwaarde is gerealiseerd met de overdracht van activa heeft de belastingplichtige evenwel niet te maken met een liquiditeitsprobleem en kan hij de belasting over de meerwaarde eenvoudigweg betalen met de opbrengst van de overgedragen activa. In casu blijkt immers uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat vaststaat dat GL als tegenprestatie voor de overdrachten van 2011 en 2014 een vergoeding heeft ontvangen die overeenkomt met de volledige marktwaarde van die overdrachten. Bijgevolg kwam de meerwaarde waarover GL belasting moest betalen overeen met de gerealiseerde meerwaarde, en heeft GL een contante tegenprestatie ontvangen waarmee zij de betrokken belasting kon betalen die zij over die overdrachten verschuldigd was. Zonder de heffing van een onmiddellijke belasting zou de lidstaat dus het risico lopen dat de belasting niet wordt betaald, welk risico kan toenemen naarmate de tijd verstrijkt. Derhalve verschilt de beoordeling van de evenredigheid in het onderhavige geval van de beoordeling in de gevallen die betrekking hebben op de exitheffing. Teneinde te waarborgen dat de beperking die wordt veroorzaakt door de regelingen inzake overdrachten binnen een groep evenredig is, is het derhalve gerechtvaardigd dat aan de belastingplichtige geen mogelijkheid van uitstel van betaling wordt toegekend.
70.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging op de vijfde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een beperking van het recht op vrije vestiging die het gevolg is van een verschil in behandeling tussen nationale en grensoverschrijdende overdrachten van activa onder bezwarende titel binnen een groep ondernemingen op grond van een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, in beginsel kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven, zonder dat het noodzakelijk is om te voorzien in de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling teneinde de evenredigheid van die beperking te waarborgen wanneer de betrokken belastingplichtige als tegenprestatie voor de overdracht van de activa opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde van die activa.
D. Zesde prejudiciële vraag
71.
Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke gevolgen hij dient te verbinden aan een eventueel ontkennend antwoord op de vijfde vraag, dat wil zeggen in het geval dat het Hof zou vaststellen dat de beperking van de vrijheid van vestiging niet als noodzakelijk en evenredig kan worden beschouwd.
72.
Gelet op het door mij voorgestelde antwoord op de vijfde vraag behoeft de zesde prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
V. Conclusie
73.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de derde, de vijfde en de zesde prejudiciële vraag van de Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 49 VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat:
het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling inzake overdrachten binnen een groep die een onmiddellijke belasting heft over een transactie waarbij activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk worden overgedragen aan een zustervennootschap met fiscale woonplaats in Zwitserland (die in het Verenigd Koninkrijk geen bedrijf uitoefent door middel van een vaste inrichting) in het geval dat die beide vennootschappen 100 %-dochterondernemingen zijn van een gemeenschappelijke moedermaatschappij met fiscale woonplaats in een andere lidstaat, en in omstandigheden waarin een dergelijke overdracht belastingneutraal zou zijn indien de zustervennootschap in het Verenigd Koninkrijk was gevestigd (of daar een bedrijf uitoefende door middel van een vaste inrichting).
- 2)
Artikel 49 VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat:
een beperking van het recht op vrije vestiging die het gevolg is van een verschil in behandeling tussen nationale en grensoverschrijdende overdrachten van activa onder bezwarende titel binnen een groep ondernemingen op grond van een nationale wettelijke regeling waarbij een onmiddellijke belasting wordt geheven over een overdracht van activa door een vennootschap met fiscale woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, in beginsel kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid te handhaven, zonder dat het noodzakelijk is om te voorzien in de mogelijkheid van uitstel van belastingbetaling teneinde de evenredigheid van die beperking te waarborgen wanneer de betrokken belastingplichtige als tegenprestatie voor de overdracht van de activa opbrengsten heeft gerealiseerd die volledig overeenstemmen met de marktwaarde van die activa.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑09‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
De verwijzende rechter heeft het Hof zes vragen gesteld. Met de eerste twee daarvan vraagt hij zich in wezen af of artikel 63 VWEU, dat het vrije verkeer van kapitaal waarborgt, kan worden ingeroepen tegen een nationale wettelijke regeling die, zoals de regelingen inzake overdrachten binnen een groep, enkel van toepassing is op groepen ondernemingen. De vierde vraag is enkel aan de orde in het geval dat het Hof zou oordelen dat de eerste twee vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Zoals ik in het kader van mijn analyse zal aangeven, kunnen de antwoorden op die vragen eenvoudig worden afgeleid uit de vaste rechtspraak waaruit blijkt dat, indien de betrokken wettelijke regeling het vrije verkeer van kapitaal zou beperken, dergelijke beperkingen een onvermijdelijk gevolg zouden zijn van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU en dus niet rechtvaardigen dat die wettelijke regeling autonoom wordt getoetst aan artikel 63 VWEU (zie in die zin arrest van 18 juli 2007, Oy AA, C-231/05, EU:C:2007:439, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘arrest Oy AA’). Bovendien kan artikel 63 VWEU hoe dan ook niet worden toegepast in een situatie die in beginsel binnen de werkingssfeer van artikel 49 VWEU valt, wanneer een van de betrokken ondernemingen haar fiscale woonplaats in een derde land heeft (dit geldt voor de Zwitserse vennootschap wat betreft de overdracht van 2011).
De overdracht van 2011 was namelijk bedoeld om het merkenbeheer binnen de groep te centraliseren met het oog op waarde-optimalisatie. De overdracht van 2014 werd uitgevoerd om de structuur van de groep te rationaliseren en te vereenvoudigen door entiteiten van de hand te doen die niet langer van nut waren en door entiteiten die onverkoopbaar waren zo goed mogelijk te beheren vanuit het oogpunt van risico's en efficiëntie.
Volgens artikel 86, lid 2, van het op 1 februari 2020 in werking getreden Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2019, C 384 I, blz. 1), blijft het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen naar aanleiding van verzoeken van rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk die vóór het eind van de overgangsperiode zijn ingediend. Overeenkomstig artikel 126 van dat Akkoord eindigt die overgangsperiode op 31 december 2020. Bovendien volgt uit artikel 86, lid 3, van dat Akkoord dat een verzoek om een prejudiciële beslissing in de zin van lid 2 van dat artikel wordt geacht te zijn ingediend op de datum dat de indiening van de procesinleiding is geregistreerd ter griffie van het Hof. In casu is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ter griffie van het Hof geregistreerd op 30 december 2020, dus vóór het eind van de overgangsperiode.
Zie arrest van 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling voor bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen) (C-342/20, EU:C:2022:276, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation (C-35/11; hierna: ‘arrest Test Claimants III’, EU:C:2012:707, punt 90), en 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Vrijstelling voor bij overeenkomst opgerichte beleggingsfondsen) (C-342/20, EU:C:2022:276, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Test Claimants III (punten 91 en 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Tussen partijen in het hoofdgeding staat immers vast dat de Nederlandse vennootschap, GL en de Zwitserse vennootschap deel uitmaakten van dezelfde groep als bedoeld in de sections 170 en 171 TCGA 1992.
Zie in die zin arrest Test Claimants III (punt 89) en arrest van 11 september 2014, Kronos International (C-47/12, EU:C:2014:2200, punt 29).
Zie in die zin arrest van 17 september 2009, Glaxo Wellcome (C-182/08, EU:C:2009:559, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation (C-446/04, EU:C:2006:774, punt 118), en 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation (C-524/04, EU:C:2007:161, punten 30–33; hierna: ‘arrest Test Claimants II’), en arrest Oy AA (punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Oy AA (punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 28 januari 1986, Commissie/Frankrijk (270/83, EU:C:1986:37, punt 14), en arrest Test Claimants II (punt 37).
Zie arresten van 28 januari 1986, Commissie/Frankrijk (270/83, EU:C:1986:37, punt 18); 13 december 2005, Marks & Spencer (C-446/03, EU:C:2005:763, punt 30), en 12 september 2006, Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas (C-196/04, EU:C:2006:544, punt 41), alsook arrest Test Claimants II (punt 36).
Zie in die zin arrest van 29 november 2011, National Grid Indus (C-371/10, EU:C:2011:785, punten 36 en 37; hierna: ‘arrest National Grid Indus’).
Zie in die zin arrest National Grid Indus (punten 36 en 37).
Zie punt 66 van deze conclusie.
Zie arrest National Grid Indus (punten 36 en 37), en arrest van 14 september 2017, Trustees of the P Panayi Accumulation & Maintenance Settlements (C-646/15, EU:C:2017:682).
Zie arrest van 21 mei 2015, Verder LabTec (C-657/13, EU:C:2015:331; hierna: ‘arrest Verder LabTec’).
Arrest Test Claimants II (punt 61). Cursivering van mij.
Arrest Test Claimants II (punten 94 en 95).
Zie in die zin arrest van 25 februari 2010, X Holding (C-337/08, EU:C:2010:89, punt 33).
Zie arrest National Grid Indus (punt 48) en arrest van 23 januari 2014, DMC (C-164/12, EU:C:2014:20, punt 49; hierna: ‘arrest DMC’).
Zie arrest DMC (punt 59) en arrest van 8 maart 2017, Euro Park Service (C-14/16, EU:C:2017:177, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 11 maart 2004, de Lasteyrie du Saillant (C-9/02, EU:C:2004:138, punten 46–48), arrest National Grid Indus (punt 52), en arrest van 14 september 2017, Trustees of the P Panayi Accumulation & Maintenance Settlements (C-646/15, EU:C:2017:682, punten 57–60).
Zie arresten van 7 september 2006, N (C-470/04, EU:C:2006:525, punten 46–48 en punt 50), en 6 september 2012, Commissie/Portugal (C-38/10, EU:C:2012:521, punten 31–33).
Zie arrest van 18 juli 2013, Commissie/Denemarken (C-261/11, niet gepubliceerd, EU:C:2013:480, punt 37), en arresten DMC (punt 53) en Verder LabTec (punt 45).
Zie arrest Verder LabTec (punt 45).
Zie arresten National Grid Indus, DMC en Verder LabTec. Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Verder LabTec (C-657/13, EU:C:2015:132, punten 22, 25 en 72).
Zie in dat verband de conclusie van advocaat-generaal Jääskinen in de zaak Verder LabTec (C-657/13, EU:C:2015:132, punt 72).