Vreemdelingenwet 2000
Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL26.5974
ECLI:NL:RBDHA:2026:10818
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL26.5974
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10818, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
De minister heeft standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld ondeugdelijk gemotiveerd. Daarom worden nu de individuele omstandigheden ook niet beoordeeld. Het beroep is gegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5974
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M.G. Walraven).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001.. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 januari 2026, voor zover hier van belang, deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Baban als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij Syrië heeft verlaten vanwege de oorlog en de militaire dienstplicht. Eiser heeft daarnaast aangegeven dat hij dezelfde achternaam heeft als een man die misdaden heeft gepleegd. Eiser vreest dat, aangezien hij dezelfde achternaam heeft, hij problemen zou kunnen krijgen met groeperingen die hem in verband brengen met de persoon die dezelfde achternaam heeft als eiser. Voorts heeft eiser verklaard dat hij afstand heeft genomen van de Islam en is bekeerd tot het christendom.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Bekering tot het christendom.
De minister heeft het eerste asielmotief geloofwaardig bevonden, maar het tweede asielmotief niet. De verklaringen die eiser heeft afgelegd over zijn bekering vormen namelijk volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk vaag, summier en oppervlakkig verklaard over zijn motieven en zijn proces. Ook is niet inzichtelijk geworden welke betekenis het christendom heeft voor eiser en heeft eiser weinig kennis van het christelijk geloof, stelt de minister.
Het eerste asielmotief is geen reden om eiser aan te merken als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Voor zover eiser als afvallige zou moeten worden gezien loopt eiser geen risico in Syrië volgens de minister. De omstandigheid dat eiser dezelfde achternaam heeft als [persoon] is ook geen reden om eiser aan te merken als vluchteling of om aan te nemen dat eiser een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Daarnaast loopt eiser geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. In Syrië is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De humanitaire omstandigheden in Syrië spelen geen (doorslaggevende) rol, omdat de huidige situatie niet of slechts in beperkte mate te wijten is aan een lopend gewapend conflict, maar meer het gevolg is van de jarenlange oorlog, economische sancties en nalatigheid van de regering van Assad, die nu geen actor meer is in het conflict.
Beroepsgronden
8. Eiser voert aan dat, voor zover hier van belang, dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er is nog steeds sprake van een gewapend conflict. Verder stelt eiser dat alle humanitaire omstandigheden die in verband staan met het willekeurig geweld betrokken moeten worden bij de beoordeling. Uit het recente Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en een recente brief met bijlagen van Vluchtelingenwerk van 2 februari 2026 blijkt dat humanitaire omstandigheden in Syrië, en met name in Aleppo, zeer slecht zijn. De humanitaire situatie is niet slechts gevolg van een afgelopen gewapend conflict, het conflict is namelijk nog steeds gaande. Ook heeft de minister de humanitaire crisis ten onrechte niet betrokken in het kader van artikel 3 van het EVRM.
Beoordeling
9. De minister heeft zijn standpunt dat voor heel Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 11 december 2025 (zittingsplaats Haarlem) en 23 maart 2026 (zittingsplaats Rotterdam).2.De toelichting van de minister in deze procedure en de informatie waarnaar hij heeft verwezen, leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 volgt dat in Syrië nog altijd sprake is van een groot gebrek aan stabiliteit en van aanhoudende geweldsincidenten, waaronder geweld tegen burgers.3.
10. Daarnaast heeft de minister ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet, althans onvoldoende, bij de beoordeling betrokken. De rechtbank verwijst ook in dit verband naar de uitspraken van 11 december 2025 en 23 maart 2026.
11. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank nu ook niet toe.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep van eiser is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken de tijd.
14. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2026;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026
Zie p. 27 e.v. van het Algemeen ambtsbericht Syrië januari 2026.