HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27.
HR, 08-05-2026, nr. 25/02701
ECLI:NL:PHR:2026:457
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-05-2026
- Zaaknummer
25/02701
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2026:457, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑05‑2026
- Vindplaatsen
NLF 2026/0928
Viditax (FutD) 2026050801
Conclusie 08‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2026:463Art. 9.6 en 9.7 Wet IB 2001. Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Art. 13 EVRM. Art. 1 EP EVRM. Massaalbezwaarplusprocedure over de vraag of ook niet-bezwaarmakers met een beroep het Kerstarrest in aanmerking kunnen komen voor vermindering van aanslagen IB/PVV waarin box 3-heffing is begrepen. Is de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing; had de inspecteur een pleitbare opvatting? Is onthouding van ambtshalve vermindering op grond van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel, art. 13 EVRM en/of art. 1 EP EVRM?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02701
Datum 8 mei 2026
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2017-2020
Nr. Rechtbank BRE 24/6239 tot en met BRE 24/6242
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
in de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)
1. Inleiding en overzicht
1.1
Deze zaak is een van de vier zaken die als proefprocedure zijn geselecteerd in het kader van de massaalbezwaarplusprocedure over – kort gezegd – de vraag of ook de zogenoemde niet-bezwaarmakers met een beroep op het Kerstarrest in aanmerking kunnen komen voor vermindering van aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017-2020 waarin box 3-heffing is begrepen. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld (sprongcassatie) en daarbij negen middelen voorgesteld, waarvan het zesde middel bovendien uit drie onderdelen bestaat.
1.2
Bij deze conclusie hoort een bijlage (de Bijlage). De Bijlage hoort ook bij een van de drie andere zaken die als proefprocedure is geselecteerd en waarin ik tegelijk met deze zaak een conclusie neem.
1.3
Deze conclusie zelf is grotendeels beperkt tot een overzicht van de feiten en het oordeel van de Rechtbank (onderdeel 2), en een zakelijke weergave van het geding in cassatie en de voorgestelde middelen (onderdeel 3). Voor de beoordeling van de middelen verwijs ik in onderdeel 4 naar de Bijlage.
1.4
Uit die beoordeling volgt dat het beroep in cassatie naar mijn mening ongegrond is.
2. De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
2.1
De Inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen in de IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2020 (de aanslagen) opgelegd. In elk van de aanslagen is belasting geheven over een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3-heffing).
2.2
Bij brief van 13 oktober 2022 heeft belanghebbende verzocht om vermindering van de aanslagen (de verzoeken) met een beroep op het zogenoemde Kerstarrest1..
2.3
De staatssecretaris van Financiën heeft op 25 januari 20232.een aanwijzing massaal bezwaar plus als bedoeld in art. 9.7 Wet IB 2001 gegeven.
2.4
De Inspecteur heeft de verzoeken geselecteerd als een van de zaken die als proefprocedure worden voorgelegd aan de belastingrechter. De Inspecteur heeft vervolgens de verzoeken afgewezen. De daaropvolgende bezwaren heeft de Inspecteur ongegrond verklaard.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant3.
2.5
Voor de Rechtbank was in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor ambtshalve vermindering van de aanslagen gelet op het Kerstarrest4.. Daarbij is onder meer in geschil of ambtshalve vermindering afstuit op de zogenoemde nieuwe-jurisprudentie-uitzondering zoals neergelegd art. 45aa(b) Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting (URIB 2001).
2.6
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank als volgt overwogen, voor zover van belang in cassatie.
2.7
Volgens de Rechtbank heeft de Inspecteur HR BNB 2022/895.niet onjuist uitgelegd. In dat arrest is beslist dat het Kerstarrest is aan te merken als nieuwe jurisprudentie als bedoeld in art. 45aa(b) URIB 2001 (rov. 4.2.2).
2.8
Het betoog van belanghebbende dat de onjuistheid van de aanslagen reeds volgt uit eerdere arresten van de Hoge Raad over de box 3-heffing en dat daarom in dit geval geen sprake is van nieuwe jurisprudentie, heeft de Rechtbank afgewezen. Volgens de Rechtbank is in HR BNB 2019/1616.weliswaar geoordeeld dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met art. 1 EP EVRM, maar heeft de Hoge Raad tevens geoordeeld dat het aan de wetgever is om hier verandering in te brengen (rov. 4.2.3).
2.9
Naar het oordeel van de Rechtbank is art. 45aa(b) URIB 2001 niet in strijd met art. 1 EP EVRM. Art. 9.6 Wet IB 2001 en art. 45aa URIB 2001 voldoen aan de eisen van duidelijkheid en voorzienbaarheid aangezien zij sinds 1 januari 2010 in de wet zijn opgenomen. Volgens de Rechtbank dient de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van art. 45aa(b) URIB 2001 de rechtszekerheid. Het buiten toepassing of onverbindend verklaren van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering leidt volgens de Rechtbank tot een onaanvaardbare onzekerheid ten aanzien van de rechtmatigheid van beschikkingen en zou niet verenigbaar zijn met het beginsel van formele rechtskracht. Verder is de Rechtbank van oordeel dat, anders dan belanghebbende meent, de staatssecretaris van Financiën wel degelijk een belangenafweging heeft gemaakt bij de beslissing om niet af te wijken van de nieuwe jurisprudentie-uitzondering. De arresten van het EHRM in de zaken Grobelny7.en Fedulov8.leiden volgens de Rechtbank niet tot een andere uitkomst (rov. 4.2.4).
2.10
Volgens de Rechtbank schendt art. 45aa URIB 2001 niet het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur. Van gelijke gevallen is geen sprake in het onderhavige geval omdat belastingplichtigen die niet (tijdig) bezwaar hebben gemaakt en belastingplichtigen die wél (tijdig) bezwaar hebben gemaakt geen rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen zijn. Daarbij is van belang dat voor de belastingplichtigen die niet (tijdig) bezwaar hebben gemaakt er als uitgangspunt geen aanleiding is om aan te nemen dat persoonlijke omstandigheden eraan in de weg hebben gestaan om wél (tijdig) bezwaar te maken (rov. 4.2.5).
2.11
Het beroep op uitlatingen die de toenmalige staatssecretaris van Financiën heeft gedaan in een podcast van 14 september 2022 dat ook het box 3-inkomen van niet-bezwaarmakers op dezelfde wijze zou worden behandeld als dat van bezwaarmakers, heeft de Rechtbank afgewezen. Volgens de Rechtbank heeft de staatssecretaris van Financiën geen expliciete toezegging gedaan dat personen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen een aanslag toch voor vermindering van die aanslag in aanmerking komen en moet iedere opmerking van de staatssecretaris van Financiën worden bezien in de context van de gehele podcast. In de podcast heeft de staatssecretaris van Financiën ook gezegd dat wél bezwaar moet worden gemaakt om voor vermindering van de aanslag in aanmerking te komen. Ook kan geen vertrouwen worden ontleend aan andere overheidsdocumenten en de website van de Belastingdienst (rov. 4.3.1).
2.12
Volgens de Rechtbank vallen de verzoeken niet onder de aanwijzing massaal bezwaar van 26 juni 2015.9.De aanslagen zien op de jaren 2017 tot en met 2020 en vallen daarmee volgens de Rechtbank buiten het bereik van die aanwijzing (rov. 4.4.1 en 4.5.1).
2.13
De Rechtbank is ervan uitgegaan dat de verzoeken als bezwaren zijn aan te merken en heeft geoordeeld dat deze bezwaren onverschoonbaar te laat zijn gemaakt (rov. 4.6.1).
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze en met instemming van de Staatssecretaris beroep in cassatie (sprongcassatie) ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De middelen
3.2
In het beroepschrift in cassatie worden negen middelen tot cassatie voorgesteld.
3.3
Middel 1 richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen. Volgens het middel kan belanghebbende niet tegen worden geworpen dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen omdat pas met het Kerstarrest duidelijk is geworden dat rechtsherstel door de rechter geboden kan worden en het disproportioneel en onrealistisch zou zijn om van burgers te verlangen dat zij uit voorzorg tegen elke aanslag bezwaar maken. Verder is volgens het middel de Belastingdienst in zijn informatieverstrekking aan de burger tekort geschoten door de burger er onvoldoende op te wijzen dat per 1 januari 2016 de massaalbezwaarregeling was gewijzigd en dat de burger uitsluitend mee kan doen met een massaalbezwaarprocedure als tijdig bezwaar is gemaakt.
3.4
Middel 2 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat de onjuistheid van de aanslagen niet uit eerdere rechtspraak dan uit het Kerstarrest volgt. Volgens het middel volgt de onjuistheid van de aanslagen uit HR BNB 2016/17710.en HR BNB 2019/16111., omdat deze arresten reeds duidelijk maken dat de box 3-belastingheffing op stelselniveau in strijd is met het eigendomsrecht van art. 1 EP EVRM als een forfait wordt gehanteerd waarvan duidelijk is dat premisses die ten grondslag liggen aan dat forfait de werkelijkheid niet benaderen.
3.5
Middel 3 betoogt met een beroep op HR BNB 2024/78 dat de Inspecteur op het moment van het onherroepelijk worden van de aanslagen er niet redelijkerwijs van uit mocht gaan dat zijn rechtsopvatting juist was.
3.6
3.7
Middel 5 betoogt dat art. 45aa(b) URIB 2001 in strijd is het met het evenredigheidsbeginsel. Bij de totstandkoming van die bepaling zijn volgens het middel in de eerste plaats de gerechtvaardigde belangen van belastingplichtigen niet meegewogen. In de tweede plaats betoogt het middel dat, indien die weging wel heeft plaatsgevonden, de gevolgen van die weging voor belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de met de nieuwe-jurisprudentie-uitzonderingen te dienen doelen.
3.8
Middel 6, dat uit drie onderdelen bestaat, bestrijdt de oordelen van de Rechtbank over het gelijkheidsbeginsel (algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, art. 14 EVRM en het verbod op willekeur). Onderdeel A richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat bezwaarmakers en niet-bezwaarmakers geen gelijke gevallen zijn. Onderdeel B is gericht tegen het oordeel dat geen sprake is van willekeur en onderdeel C is gericht tegen het oordeel dat Wet hersteloperatie toeslagen en het Verzamelbesluit toeslagen niet van toepassing zijn op dit geval.
3.9
Middel 7 betoogt dat belanghebbende vertrouwen kon ontlenen aan uitlatingen die de toenmalige staatssecretaris van Financiën heeft gedaan in een podcast van 14 september 2022 en aan informatie op de website van de Belastingdienst. Verder betoogt het middel dat art. 45aa(b) URIB 2001 in strijd is met het fair play-beginsel.
3.10
Middel 8 betoogt dat de Belastingdienst in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld omdat niet uitvoerig ruchtbaarheid is gegeven aan de aanwijzing massaal bezwaar voor box 3-heffing vanaf 2017.
3.11
Middel 9 bestrijdt tot slot het oordeel van de Rechtbank dat de aanwijzing van 26 juni 2015, BLBK2015/903M, Stcrt. 2015, 18400 alleen betrekking heeft op belastingaanslagen voor de jaren 2013 tot en met 2016.
4. Beoordeling van de middelen
Ik verwijs voor de beoordeling van de middelen naar de Bijlage. Daaruit volgt dat geen van de middelen tot cassatie kan leiden.
5. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑05‑2026
Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 25 januari 2023, nr. 2023-1194, Stcrt. 2023, 2860.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4557.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, BNB 2022/27.
HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720, BNB 2022/89.
HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, BNB 2019/161.
EHRM 5 maart 2020, nr. 60477/12, ECLI:CE:ECHR:2020:0305JUD006047712 (Grobelny).
EHRM 8 oktober 2019, nr. 53068/08, ECLI:CE:ECHR:2019:1008JUD005306808 (Fedulov).
Besluit van 26 juni 2015 van de staatssecretaris van Financiën, nr. BLKB2015/903M, Stcrt. 2015, 18400.
HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177.
HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, BNB 2019/161.