Rechtsgevolgen van stille cessie
Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.6.4:10.6.4 Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.6.4
10.6.4 Art. 3:94 lid 3 tweede zin BW
Documentgegevens:
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590680:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wibier 2009a, nr. 28.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
628. Ook na de overgang van de vordering dient de schuldenaar een eventuele opzegging, ontbinding of vernietiging te richten aan de stille cedent, als partij bij de overeenkomst. Ook een wijziging of overdracht van de overeenkomst dient hij met de stille cedent overeen te komen. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW brengt hierin geen verandering.
Gaat door een ontbinding of een vernietiging de overeenkomst teniet, en daardoor ook de stil gecedeerde vordering, dan dient de schuldenaar het daaraan te ontlenen verweermiddel in te roepen jegens de stille cedent. Dit volgt uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW, maar zou ook zonder deze bepaling gelden.
De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW heeft wel toegevoegde waarde voor het doen van mededeling van de ontbinding of de vernietiging aan de stille cessionaris. Op grond van de beschermingsbepaling van art. 3:94 lid 3 BW is de schuldenaar hiertoe niet gehouden.1 Het ontbreken van deze verplichting behoeft niet te worden gegrond op de overeenkomstige toepassing van art. 6:149 lid 3 BW. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW bewerkstelligt voor de stille cessie hetzelfde rechtsgevolg als art. 6:149 lid 3 BW voor het stil pandrecht en het stil recht van vruchtgebruik. Pas indien de vernietiging of de ontbinding plaatsvindt na de mededeling van de stille cessie, is de schuldenaar op grond van art. 6:149 lid 1 jo 3:94 lid 3 BW gehouden om daarvan mededeling te doen aan de cessionaris. Ook hier kan overeenkomstige toepassing van art. 6:149 lid 3 BW achterwege blijven.
Wordt de schuldenaar in rechte aangesproken, dan kan hij tot het moment van mededeling in rechte een beroep doen op een vernietigingsgrond dan wel een ontbindingsgrond ter afwering van vordering (art. 3:51 lid 3 BW respectievelijk art. 6:268 BW). Naast een dergelijk beroep, staat het hem ook vrij om, zolang geen mededeling heeft plaatsgevonden, een eis in (voorwaardelijke) reconventie tot vernietiging of ontbinding van de overeenkomst jegens de stille cedent in te stellen.2 De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW biedt de schuldenaar wederom bescherming. Zou de oude schuldeiser krachtens lastgeving inningsbevoegd zijn gebleven, zonder dat sprake was van een stille cessie, dan had de schuldenaar geen een eis in (voorwaardelijke) reconventie tot vernietiging of ontbinding kunnen instellen. De oude schuldeiser zou hiertoe als partij bij de overeenkomst wel procesbevoegd zijn geweest, maar art. 136 Rv zou aan een dergelijke eis in reconventie in de weg staan. Doet de schuldenaar in rechte een beroep op een vernietigingsgrond dan wel een ontbindingsgrond ter afwering van vordering (art. 3:51 lid 3 BW respectievelijk art. 6:268 BW), dan is niet sprake van het instellen van een eis in reconventie. Om die reden is art. 136 Rv niet van toepassing. Het is daarom naar mijn mening verdedigbaar dat als de schuldenaar wordt aangesproken door de oude schuldeiser, als lasthebber, hij jegens hem als partij bij de overeenkomst in dezelfde procedure een dergelijk beroep zou kunnen doen. Wordt dit aangenomen, dan biedt de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW aan de schuldenaar bij een stille cessie niet meer bescherming. Anderzijds kan ook verdedigd worden dat in een dergelijk geval de ratio van art. 136 Rv aan een dergelijk beroep in de weg staat. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW heeft voor de schuldenaar bij de stille cessie als voordeel dat deze onduidelijkheid niet bestaat. Is de bevoegdheid tot ontbinding of vernietiging verjaard, en beroept de schuldenaar zich op de ontbinding of de vernietiging bij wijze van verweer (art. 6:268 BW respectievelijk art. 3:5l lid 3 BW), dan geldt hetzelfde als wanneer deze bevoegdheden niet zouden zijn verjaard. Hij dient hierop in de procedure jegens de stille cedent een beroep te doen. Art. 6:149 lid 2 BW blijft op grond van art. 3:94 lid 3 BW buiten beschouwing. Zou de oude schuldeiser krachtens lastgeving inningsbevoegd zijn gebleven, zonder dat sprake was van een stille cessie, dan had de schuldenaar dezelfde bevoegdheid gehad op grond van (de overeenkomstige toepassing van) art. 6:149lid 3 BW. Ook al is de grondslag verschillend, de uitkomst zou hetzelfde zijn geweest.