Procestaal: Italiaans.
HvJ EU, 13-03-2014, nr. C-52/13
ECLI:EU:C:2014:150
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-03-2014
- Magistraten
C.G. Fernlund, A. Ó Caoimh, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-52/13
- Roepnaam
Postshop/Auroritá della Concorrenza
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2014:150, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑03‑2014
Uitspraak 13‑03‑2014
C.G. Fernlund, A. Ó Caoimh, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-52/13,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) bij beslissing van 16 november 2012, ingekomen bij het Hof op 31 januari 2013, in de procedure
Posteshop SpA — Divisione Franchising Kipoint
tegen
Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato,
Presidenza del Consiglio dei Ministri,
in tegenwoordigheid van:
Cg srl,
Tacoma srl,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: C. G. Fernlund, kamerpresident, A. Ó Caoimh en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Posteshop SpA — Divisione Franchising Kipoint, vertegenwoordigd door A. Vallefuoco en V. Vallefuoco, avvocati,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Zadra en M. van Beek als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (gecodificeerde versie) (PB L 376, blz. 21).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Posteshop SpA — Divisione Franchising Kipoint (hierna: ‘Posteshop’) enerzijds en de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (autoriteit ter verzekering van de mededinging en de marktwerking; hierna: ‘Autorità’) en de Presidenza del Consiglio dei Ministri (voorzitterschap van de ministerraad) anderzijds betreffende een beslissing houdende vaststelling dat Posteshop misleidende reclame had gemaakt.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De punten 1, 3, 8 en 16 tot en met 18 van de considerans van richtlijn 2006/114 luiden:
- ‘(1)
Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame [(PB L 250, blz. 17)] is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd […]. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.
[…]
- (3)
Misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame kunnen de mededinging in de interne markt verstoren.
[…]
- (8)
Vergelijkende reclame waarin wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken worden vergeleken en die niet misleidend is, kan een gewettigd middel zijn om de consumenten over hun voordelen voor te lichten. […]
[…]
- (16)
Aan personen of aan organisaties die krachtens de nationale wetgeving een rechtmatig belang bij de zaak hebben, moet de mogelijkheid ter beschikking staan, tegen misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame op te treden, hetzij voor een rechterlijke hetzij voor een administratieve instantie die bevoegd is om zelf een uitspraak te doen over een klacht of om de passende gerechtelijke procedures in te leiden.
- (17)
De rechterlijke of administratieve instanties moeten de bevoegdheid hebben om beëindiging van de misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame te bevelen of te bewerkstelligen. […]
- (18)
Vrijwillig toezicht door zelfreguleringscolleges om misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame tegen te gaan, kan administratieve of gerechtelijke maatregelen voorkomen en moet dus worden aangemoedigd.’
4
Artikel 1 van richtlijn 2006/114 bepaalt:
‘Deze richtlijn beoogt handelaren te beschermen tegen misleidende reclame en de onbillijke gevolgen daarvan, en de voorwaarden vast te stellen waaronder vergelijkende reclame is geoorloofd.’
5
Artikel 2 van deze richtlijn luidt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘reclame’: iedere mededeling bij de uitoefening van een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep ter bevordering van de afzet van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen;
- b)
‘misleidende reclame’: elke vorm van reclame die op enigerlei wijze, daaronder begrepen haar opmaak, de personen tot wie zij zich richt of die zij bereikt, misleidt of kan misleiden en die door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden, of die om die redenen een concurrent schade toebrengt of kan toebrengen;
- c)
‘vergelijkende reclame’: elke vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd;
[…]’
6
Artikel 3 van deze richtlijn verlangt dat bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde reclame misleidend is, alle bestanddelen daarvan in aanmerking worden genomen, en noemt een aantal relevante aspecten in dat verband.
7
In artikel 4 van de richtlijn zijn de voorwaarden vervat waaronder vergelijkende reclame geoorloofd is.
8
Artikel 5 van richtlijn 2006/114 luidt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van misleidende reclame en voor de naleving van de bepalingen inzake vergelijkende reclame in het belang van handelaren en concurrenten.
[…]
- 3.
In het kader van de in lid 1 en lid 2 bedoelde bepalingen verlenen de lidstaten aan rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden om, ingeval zij deze maatregelen, rekening houdend met alle belangen die op het spel staan en met name het algemeen belang, nodig achten:
- a)
te bevelen dat de misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame wordt gestaakt dan wel een gerechtelijke procedure in te leiden ter verkrijging van een dergelijk bevel,
of
- b)
indien de misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame nog niet onder het publiek is gebracht, doch zulks op het punt staat te gebeuren, de publicatie te verbieden of een gerechtelijke procedure in te leiden ter verkrijging van een dergelijk verbod.
[…]
- 4.
De lidstaten kunnen aan rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden verlenen om, ter ondervanging van het voortdurend effect van misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame waarvan de stopzetting bij een definitieve beslissing is bevolen:
- a)
de volledige of gedeeltelijke bekendmaking van die beslissing te bevelen in een door hen passend geachte vorm;
- b)
bovendien de publicatie van een rechtzetting te bevelen.
[…]’
9
Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt:
‘Deze richtlijn sluit vrijwillig toezicht — dat door de lidstaten gestimuleerd kan worden — op misleidende reclame of vergelijkende reclame door zelfreguleringscolleges […] niet uit […]’
10
Artikel 8, lid 1, van richtlijn 2006/114 schrijft voor:
‘Deze richtlijn belet de lidstaten niet voorschriften te handhaven of aan te nemen met het oog op een verdergaande bescherming van handelaren en concurrenten met betrekking tot misleidende reclame.
De eerste alinea is niet van toepassing op vergelijkende reclame voor zover het de vergelijking betreft.’
Italiaans recht
11
Artikel 1, lid 1, van wetgevend decreet nr. 145 van 2 augustus 2007 betreffende de uitvoering van artikel 14 van richtlijn 2005/29/EG tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG inzake misleidende reclame (GURI nr. 207 van 6 september 2007; hierna: ‘wetgevend decreet nr. 145/2007’) bepaalt:
‘Dit wetgevend decreet beoogt handelaren te beschermen tegen misleidende reclame en de onbillijke gevolgen daarvan, en de voorwaarden vast te stellen waaronder vergelijkende reclame is geoorloofd.’
12
Artikel 3 van dat decreet omschrijft de bestanddelen op basis waarvan kan worden beoordeeld of reclame misleidend is. Artikel 4 daarvan bevat de voorwaarden waaronder vergelijkende reclame geoorloofd is.
13
In de leden 8 en 9 van artikel 8 van dat wetgevend decreet is bepaald:
- ‘8.
Wanneer de [Autorità] meent dat de reclame misleidend is of dat de vergelijkende reclame ongeoorloofd is, verbiedt zij de publicatie ervan, voor zover die reclame nog niet onder het publiek is gebracht. Is dat wél al het geval, dan verbiedt zij de verdere verspreiding ervan. De [Autorità] kan daarbij tevens bevelen dat haar beslissing, eventueel in de vorm van een uittreksel, op kosten van de handelaar wordt bekendgemaakt alsook, in voorkomend geval, dat een specifieke rechtzetting wordt gepubliceerd, teneinde te beletten dat het effect van de misleidende reclame of de ongeoorloofde vergelijkende reclame voortduurt.
- 9.
Naast het verbod op publicatie van de reclame, legt de [Autorità] een administratieve geldboete op die, afhankelijk van de ernst en de duur van de inbreuk, tussen 5 000 [EUR] en 500 000 [EUR] bedraagt. Ingeval het reclame betreft die gevaar voor de gezondheid of voor de veiligheid kan opleveren, dan wel direct of indirect een ongunstige invloed op minderjarigen of jongeren kan uitoefenen, bedraagt de geldboete ten minste 50 000 [EUR].’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14
Blijkens de verwijzingsbeslissing heeft de Autorità bij beslissing van 30 maart 2010 vastgesteld dat de door Posteshop verspreide reclame ter promotie van haar franchiseketen Kipoint misleidend was in de zin van de artikelen 1 en 3 van wetgevend decreet nr. 145/2007. Bij dezelfde beslissing heeft zij bijgevolg de verdere verspreiding ervan verboden en heeft zij Posteshop een geldboete van 100 000 EUR opgelegd.
15
Posteshop is tegen die beslissing opgekomen bij het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (regionale administratieve rechtbank voor de regio Lazio). Dat Tribunale heeft haar beroep met name ongegrond verklaard omdat duidelijk uit de artikelen 1 en 5, leden 3, sub a en b, en 4, van richtlijn 2006/114 volgt dat het door deze richtlijn opgezette beschermingsstelsel niet alleen geldt voor gevallen waarin de reclame zowel kenmerken van misleidende reclame als van ongeoorloofde vergelijkende reclame heeft.
16
Posteshop heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Voor die rechter stelt zij in het bijzonder dat richtlijn 2006/114 blijkens punt 3 van de considerans en artikel 5 ervan enkel gedragingen beoogt te bestraffen die bestaan in het maken van misleidende reclame die tegelijk ook ongeoorloofde vergelijkende reclame is, en dat wetgevend decreet nr. 145/2007 in die zin moet worden uitgelegd. Derhalve kan haar niet worden verweten dat zij inbreuk heeft gemaakt op die bepalingen.
17
De verwijzende rechter is van oordeel dat de uitlegging door het Tribunale amministrativo regionale per il Lazio de meest overtuigende is. Volgens hem is echter ook het standpunt van Posteshop, volgens hetwelk, wat de bescherming van handelaren betreft, misleiding gewoon een van de voorwaarden vormt waaronder vergelijkende reclame ongeoorloofd is, niet ongegrond, aangezien het is gebaseerd op de punten 3, 8 en 16 tot en met 18 van de considerans van richtlijn 2006/114, waarin sprake is van ‘misleidende en ongeoorloofde vergelijkende reclame’.
18
Daarop heeft de Consiglio di Stato de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet richtlijn [2006/114] aldus worden uitgelegd dat zij, wat de bescherming van handelaren betreft, betrekking heeft op reclame die tegelijkertijd misleidend en ongeoorloofd vergelijkend is, dan wel op twee onderscheiden onrechtmatige gedragingen, die ook elk op zich relevant zijn, te weten misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
19
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2006/114 aldus moet worden uitgelegd dat zij, wat de bescherming van handelaren betreft, betrekking heeft op misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame als twee zelfstandige inbreuken, en dat misleidende reclame niet tegelijk ook ongeoorloofde vergelijkende reclame hoeft te zijn om te kunnen worden verboden en bestraft.
20
Dienaangaande zij er met de verwijzende rechter op gewezen dat in de Italiaanse taalversie van de punten 3 en 16 tot en met 18 van de considerans van richtlijn 2006/114 de formulering ‘pubblicità ingannevole ed illegittimamente comparativa’ (misleidende en ongeoorloofd vergelijkende reclame) wordt gebruikt, wat kan suggereren dat zij betrekking hebben op reclame die tegelijk misleidend en ongeoorloofd vergelijkend is. Anderzijds wordt in, bijvoorbeeld, de Franse taalversie van punt 3 van die considerans de formulering ‘publicité trompeuse et […] publicité comparative illicite’ (misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame) gebruikt, en in diezelfde taalversie van de punten 16 tot en met 18 daarvan de uitdrukking ‘publicité trompeuse ou […] publicité comparative illicite’ (misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame), waaruit integendeel kan worden afgeleid dat het om twee verschillende soorten reclame gaat.
21
Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van Unierechtelijke bepalingen gebruikte formulering echter niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepalingen dienen. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een tekst van de Unie, moet bij de uitlegging van de betrokken bepalingen worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormen (zie arresten van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry, C-149/97, Jurispr. blz. I-7053, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 oktober 2013, Drozdovs, C-277/12, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
In het onderhavige geval zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat richtlijn 2006/114 volgens de bewoordingen van artikel 1 ervan een dubbel doel nastreeft, namelijk de bescherming van handelaren tegen misleidende reclame en de onbillijke gevolgen daarvan enerzijds en de vaststelling van de voorwaarden waaronder vergelijkende reclame geoorloofd is anderzijds.
23
In de tweede plaats zij vastgesteld dat de begrippen ‘misleidende reclame’ en ‘vergelijkende reclame’ afzonderlijk worden omschreven, respectievelijk sub b en sub c van artikel 2 van richtlijn 2006/114.
24
In de derde plaats blijkt uit de artikelen 5, lid 3, sub a en b, en 6 van deze richtlijn dat de mogelijkheid moet bestaan om bij de bevoegde rechterlijke of administratieve instanties van de lidstaten op te komen tegen misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame, dat die rechterlijke of administratieve instanties de bevoegdheid moeten hebben om beëindiging van misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame te bevelen of te bewerkstelligen, dan wel de publicatie ervan te verbieden en dat de lidstaten vrijwillig toezicht kunnen stimuleren om misleidende reclame of ongeoorloofde vergelijkende reclame tegen te gaan. Anders dan het geval is in de Italiaanse taalversie van de punten 16 tot en met 18 van de considerans van richtlijn 2006/114, impliceert het gebruik van het voegwoord ‘of’ in álle taalversies van die artikelen dat dergelijke maatregelen zowel kunnen worden genomen tegen misleidende reclame als tegen ongeoorloofde vergelijkende reclame, zonder dat voor het bestaan van een inbreuk is vereist dat die twee omstandigheden zich samen voordoen.
25
In de vierde plaats volgt duidelijk uit richtlijn 2006/114 dat de bepalingen inzake misleidende reclame en de bepalingen inzake vergelijkende reclame elk een eigen doel dienen. De richtlijn bepaalt in artikel 3 de minimumcriteria en doelstellingen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of reclame misleidend en dus ongeoorloofd is, terwijl artikel 4 ervan cumulatieve voorwaarden formuleert waaraan vergelijkende reclame moet voldoen om als geoorloofd te kunnen worden aangemerkt (zie naar analogie arresten van 18 juni 2009, L'Oréal e.a., C-487/07, Jurispr. blz. I-5185, punt 67, en 18 november 2010, Lidl, C-159/09, Jurispr. blz. I-11761, punt 16), en punt 8 van de considerans van die richtlijn bovendien aangeeft dat vergelijkende reclame een gewettigd middel kan zijn om de consumenten over hun voordelen voor te lichten.
26
Daaruit volgt dat misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame in het kader van die richtlijn elk een zelfstandige inbreuk vormen.
27
Die uitlegging wordt bevestigd bij analyse van de wijze waarop de regelgeving van de Unie op het gebied van misleidende reclame en vergelijkende reclame is geëvolueerd. In haar oorspronkelijke versie zag richtlijn 84/450 namelijk uitsluitend op misleidende reclame. De regelgeving inzake vergelijkende reclame is in laatstgenoemde richtlijn ingevoegd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 tot wijziging van richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame teneinde ook vergelijkende reclame te regelen (PB L 290, blz. 18). Volgens punt 18 van de considerans van richtlijn 97/55 beoogde deze richtlijn voorwaarden vast te stellen waaronder vergelijkende reclame geoorloofd is. Die richtlijn heeft echter geenszins de bepalingen van richtlijn 84/450 inzake misleidende reclame gewijzigd. Nadien heeft richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB L 149, blz. 22) de werkingssfeer van richtlijn 84/450 beperkt tot de bescherming van handelaren. Ten slotte heeft richtlijn 2006/114 laatstgenoemde richtlijn gecodificeerd. Bijgevolg heeft de wetgever van de Unie met de vaststelling van de richtlijnen 97/55 en 2006/114 niet de bedoeling gehad de regelgeving inzake misleidende reclame als vastgesteld door richtlijn 84/450 te wijzigen — afgezien dan van het feit dat hij de werkingssfeer ervan heeft beperkt.
28
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat richtlijn 2006/114 aldus moet worden uitgelegd dat zij, wat de bescherming van handelaren betreft, betrekking heeft op misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame als twee zelfstandige inbreuken, en dat misleidende reclame niet tegelijk ook ongeoorloofde vergelijkende reclame hoeft te zijn om te kunnen worden verboden en bestraft.
Kosten
29
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame moet aldus worden uitgelegd dat zij, wat de bescherming van handelaren betreft, betrekking heeft op misleidende reclame en ongeoorloofde vergelijkende reclame als twee zelfstandige inbreuken, en dat misleidende reclame niet tegelijk ook ongeoorloofde vergelijkende reclame hoeft te zijn om te kunnen worden verboden en bestraft.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2014