Zie rov. 3.2 t/m 3.4 van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 augustus 2011 en rov. 1 van het arrest van het hof Den Haag van 12 maart 2013.
HR, 11-07-2014, nr. 13/03015
ECLI:NL:HR:2014:1630
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2014
- Zaaknummer
13/03015
- Roepnaam
Container Leasing
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1630, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 11‑07‑2014; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:344, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑06‑2014
ECLI:NL:PHR:2014:344, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑04‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1630, Gevolgd
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2014/371 met annotatie van
JOR 2014/254 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
JOR 2014/254 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
Uitspraak 11‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Art. 203 Fw. Schuldeiser verhaalt zich na faillietverklaring op buitenlands vermogen op basis van voor faillietverklaring in New York verkregen beslagverlof. Voorrang? Kan voorrangspositie naar inhoud en strekking worden gelijkgesteld met een Nederlands voorrangsrecht? HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4933, NJ 2002/241.
Partij(en)
11 juli 2014
Eerste Kamer
nr. 13/03015
EV/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
CONTAINER LEASING INTERNATIONAL LLC, h.o.d.n. Seacube Containers, voorheen h.o.d.n. Seacastle Container Leasing,gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,
EISERES tot cassatie,
advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. J. Mencke,
t e g e n
Mr. Paul Johan PETERS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Europa West-Indië Lijnen B.V.,kantoorhoudende te Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. B. Winters.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Seacastle en de curator.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 345980/HA ZA 10-68 van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2010 en 17 augustus 2011;
b. het arrest in de zaak 200.097.180/01 van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Seacastle beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de curator mede door mr. R.L.M.M. Tan, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaten van Seacastle hebben bij brief van 9 mei 2014 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 2006 heeft een rechtsvoorganger van Seacastle een leaseovereenkomst gesloten met (onder meer) Europa West-Indië Lijnen B.V. (hierna: EWL) met betrekking tot een aantal zeecontainers.
(ii) EWL heeft niet voldaan aan haar betalings-verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst.
(iii) Op 24 juni 2008 heeft Seacastle van de rechter te New York verlof gekregen om beslag te leggen in de Verenigde Staten ten laste van EWL door middel van een zogeheten “Rule B Attachment” naar het toenmalige recht van de staat New York (hierna: RBA).
(iv) Op 9 juli 2008 heeft de rechtbank Rotterdam aan EWL voorlopige surseance van betaling verleend. Bij vonnis van 14 juli 2008 heeft de rechtbank EWL in staat van faillissement verklaard, onder gelijktijdige intrekking van de surseance, en met benoeming van de curator.
(v) Bij beslissing van 18 augustus 2008 heeft de rechter te New York het door middel van het RBA onder twee banken in de Verenigde Staten in beslag genomen bedrag van US$ 472.592,79 toegewezen aan Seacastle, waarna dit bedrag aan laatstgenoemde is uitbetaald.
3.2
In dit geding vordert de curator op grond van art. 203 Fw de veroordeling van Seacastle om aan de boedel € 298.222,24 te betalen (zijnde het in euro’s omgerekende bedrag van US$ 472.592,79). De rechtbank heeft de vordering toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
Op de vordering van de curator is naar Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing omdat het faillissement van EWL in Nederland is uitgesproken. Op grond van art. 4 van Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: IVO) worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het Nederlandse recht. Dat de verordening slechts regels geeft voor de Europese Unie – en dus niet ook voor de Verenigde Staten van Amerika – doet aan de gelding van het Nederlandse recht in deze zaak niet af. (rov. 4)
Ingevolge art. 20 Fw omvat het faillissement van een schuldenaar diens gehele vermogen. Het faillissement strekt zich ook uit tot goederen van de schuldenaar die zich niet in Nederland bevinden. Art. 203 Fw onderkent de mogelijkheid dat een buitenlands rechtsstelsel toelaat dat een schuldeiser zich verhaalt op aldaar aanwezige goederen van de schuldenaar die – naar Nederlands recht – tot de failliete boedel behoren. Indien daarvan sprake is, zal de schuldeiser het door hem verhaalde aan de boedel moeten vergoeden. (rov. 5)
Het hof heeft vervolgens overwogen:
“6. (…) artikel 203 F kent als uitzondering op de vergoedingsplicht van een schuldeiser het geval dat de goederen, waarop hij zich verhaald heeft, “bij voorrang aan hem zijn verbonden”. Seacastle voert aan dat dit vanwege het RBA het geval was, waarbij zij zich tevens op het standpunt stelt dat Amerikaans recht (mede) van toepassing is op de vraag of inderdaad van voorrang sprake is.
Het hof overweegt als volgt.
Het faillissement van EWL moet, nu het in Nederland is uitgesproken, naar Nederlandse rechtsregels worden afgewikkeld. Deze bij het van kracht worden van de IVO al geldende regel is gecodificeerd in artikel 4 van deze verordening. Het voorgaande brengt mee dat, zoals trouwens in artikel 4 lid 2 aanhef en onder i IVO uitdrukkelijk is bepaald, de vraag of van voorrang sprake is naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld.
“Voorrang” kan, naar blijkt uit artikel 3:278 BW, voortvloeien uit een zakelijk zekerheidsrecht, zoals pand of hypotheek of op grond van andere specifiek in de wet genoemde gevallen, waaronder de (wettelijke) voorrechten.
Het hof constateert dat het RBA een beslagmaatregel is en dat zodanige maatregel naar Nederlands recht geen voorrang schept. Het beslag roept immers volgens dit recht geen zakelijk recht in het leven, noch schept het een ander specifiek in de wet geregelde voorrang of voorrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de in artikel 203 omschreven uitzondering, waarop Seacastle zich beroept, in deze zaak niet aanwezig is.
Het hof tekent hierbij nog aan dat Seacastle weliswaar aanvoert dat het RBA naar Amerikaans recht een “priority” in het leven roept, maar dat uit haar stellingen niet blijkt dat deze priority de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek. Daarom kan van de door haar bepleite (analoge) toepassing van artikel 5 IVO – die het verhaal van Seacastle ongemoeid zou laten – geen sprake zijn.”
3.3.1
De onderdelen 1 en 3 klagen naar de kern genomen dat het hof in rov. 6 heeft miskend dat van voorrang in de zin van art. 203 Fw (ook) sprake is indien buitenlands recht de schuldeiser voorrang geeft boven concurrente schuldeisers.
3.3.2
Op de vordering van de curator is Nederlands recht van toepassing, zoals ook door het hof in rov. 4, in cassatie terecht niet bestreden, is geoordeeld.
3.3.3
Ingevolge art. 203 Fw dienen schuldeisers die na de faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op zich in het buitenland bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van de in Nederland gefailleerde schuldenaar, het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden. Blijkens de parlementaire geschiedenis, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3, is de rechtsgrond van de in art. 203 Fw bedoelde vergoedingsplicht gelegen in de omstandigheid dat de schuldeiser die zich verhaalt op in het buitenland gelegen goederen van de gefailleerde, inbreuk maakt op het uitgangspunt van gelijkheid van schuldeisers (art. 3:277 lid 1 BW).
3.3.4
In het onderhavige geding staat de vraag centraal of van voorrang als bedoeld in art. 203 Fw sprake is indien de schuldeiser zich beroept op een voorrangsrecht naar buitenlands recht. Voor de beantwoording van deze vraag moet, gelet op doel en strekking van art. 203 Fw, worden beoordeeld of dat recht naar dat buitenlandse recht een voorrangspositie oplevert en de aan dat recht te ontlenen voorrangspositie naar inhoud of strekking kan worden gelijkgesteld met een Nederlands voorrangsrecht (vgl. HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4933, NJ 2002/241).
De onderdelen 1 en 3 berusten op een ander uitgangspunt en falen dus.
3.4
Het oordeel van het hof komt erop neer dat het RBA een beslagmaatregel is, dat beslag naar Nederlands recht geen voorrang schept en dat uit de stellingen van Seacastle niet volgt dat de aan het RBA te ontlenen voorrangspositie kan worden gelijkgesteld met een voorrangspositie als bedoeld in art. 3:278 BW. Het hof heeft hieraan terecht de gevolgtrekking verbonden dat het recht waarop Seacastle zich beroept, niet kan worden beschouwd als een recht van voorrang in de zin van art. 203 Fw. De overige klachten van het middel stuiten hierop af voor zover zij niet reeds falen omdat zij voortbouwen op onderdeel 1.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Seacastle in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 1.933,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. de Groot en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 juli 2014.
Beroepschrift 12‑06‑2014
CASSATIEDAGVAARDING
Op twaalf juni tweeduizenddertien, op verzoek van
de vennootschap naar vreemd recht Container Leasing International LLC, h.o.d.n SeaCube Containers (voorheen h.o.d.n. Seacastle Container Leasing), gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika (‘Seacastle’), die woonplaats kiest aan het Gustav Mahlerplein 50 te (1082 MA) Amsterdam, Postbus 75505 (1070 AM) Amsterdam (Houthoff Buruma), ten kantore van de advocaten bij de Hoge Raad mr. B.T.M. van der Wiel en mr. J. Mencke, die door Seacastle zijn aangewezen om als zodanig haar te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure,
[heb ik, Gerardus Johannes Maria Wouters, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam op het kantoor van mr. Jan Anne de Swart, gerechtsdeurwaarder met plaats van vestiging 's‑Gravenhage, kantoorhoudende aldaar aan de Bezuidenhoutseweg 115;]
mr. Paul Johan Peters (de ‘curator’), in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Europa West-Indië Lijnen (‘EWL’), wonende te Bergen op Zoom en kantoorhoudende te Rotterdam, die in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen te (2514 EA) Den Haag aan het Lange Voorhout 3, ten kantore van de advocaat mr. J.P. Heering,
1.
op deze gekozen woonplaats mijn exploot gedaan op de voet van art. 63 lid 1 Rv, sprekende met en een afschrift hiervan latende aan:
[mw. M.B. Evers, aldaar werkzaam]
2.
aangezegd dat Seacastle cassatieberoep instelt tegen het eindarrest, gewezen op 12 maart 2013, van het Gerechtshof Den Haag (het ‘hof’), in de zaak met zaaknummer 200.097.180/01, tussen Seacastle als appellant en de curator als geïntimeerde (het ‘arrest’);
3.
gedagvaard om op vrijdag 21 juni 2013, om 10.00 uur 's ochtends, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad te verschijnen op de zitting van de Hoge Raad in diens gebouw aan de Kazernestraat 52 te Den Haag;
4.
aangezegd dat van de curator bij verschijning in het geding een in de bijlage bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken genoemd griffiegeld zal worden geheven waarvan de hoogte staat vermeld in de meest recente bijlage behorende bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken die wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en dat van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- —
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijze niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel
- —
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand, waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet.
5.
aangezegd voorts dat het griffierecht binnen vier weken nadat de verweerder in het geding is verschenen door hem moet zijn betaald
6.
aangezegd voorts dat indien gedaagde, verweerder in cassatie, advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, het recht van de verweerder om verweer in cassatie te voeren of om van zijn zijde in cassatie te komen vervalt;
7.
Seacastle voert tegen het arrest aan als:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van wezenlijke vormen doordat het hof heeft overwogen en beslist als in het arrest is weergegeven, zulks op de volgende, mede in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen gronden:
Inleiding
A.
Voor het geval een schuldeiser van een in Nederland gefailleerde vennootschap zich na faillissement heeft verhaald op in het buitenland gelegen vermogen van de failliet bepaalt art. 203 Fw:
‘Schuldeisers, die na de faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van de in Nederland gefailleerde schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden’.
B.
In deze zaak is — voor zover in cassatie nog van belang — de vraag aan de orde wanneer sprake is van ‘voorrang’ in de zin van art. 203 Fw.
C.
Seacastle heeft zich in de Verenigde Staten verhaald op aldaar aanwezige banktegoeden van EWL tot een bedrag van US $ 472.592,79 uit hoofde van een vóór het faillissement door haar verkregen zogenaamd ‘Rule B Attachment’ (‘RBA’). De curator heeft op grond van art. 203 Fw gevorderd Seacastle te veroordelen voornoemd bedrag aan de boedel te vergoeden.
D.
Seacastle heeft betwist dat zij krachtens art. 203 Fw gehouden is dit bedrag aan de curator af te dragen, — voor zover van belang — op de grond dat de RBA voor haar voorrang creëerde in de zin van art. 203 Fw. Het hof heeft dit verweer van Seacastle verworpen in rov. 6 van het arrest:
‘Het faillissement van EWL moet, nu het in Nederland is uitgesproken, naar Nederlandse rechtsregels worden afgewikkeld. Deze bij het van kracht worden van de IVO al geldende regel is gecodificeerd in artikel 4 van deze verordening. Het voorgaande brengt mee dat, zoals trouwens in artikel 4 lid 2 aanhef en onder i IVO uitdrukkelijk is bepaald, de vraag of van voorrang sprake is naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld.
‘Voorrang’ kan, naar blijkt uit artikel 3:278 BW, voortvloeien uit een zakelijk zekerheidsrecht, zoals pand of hypotheek of op grond van andere specifiek in de wet genoemde gevallen, waaronder de (wettelijke) voorrechten.
Het hof constateert dat het RBA een beslagmaatregel is en dat zodanige maatregel naar Nederlands recht geen voorrang schept. Het beslag roept immers volgens dit recht geen zakelijk recht in het leven, noch schept het een ander specifiek in de wet geregelde voorrang of voorrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de in artikel 203 F omschreven uitzondering, waarop Seacastle zich beroept, in deze zaak niet aanwezig is.
Het hof tekent hierbij nog aan dat Seacastle weliswaar aanvoert dat het RBA naar Amerikaans recht een ‘priority’ in het leven roept, maar dat uit haar stellingen niet blijkt dat deze priority de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek. Daarom kan van de door haar bepleite (analoge) toepassing van artikel 5 IVO — die het verhaal van Seacastle ongemoeid zou laten — geen sprake zijn.’
E.
Hiertegen richt zich het cassatieberoep van Seacastle.
Klachten
1.
Het hof heeft geoordeeld dat het faillissement van EWL naar Nederlandse rechtsregels moet worden afgewikkeld. Volgens het hof brengt dit mee dat, zoals in art. 4 lid 2 aanhef en onder i IVO uitdrukkelijk is bepaald, de vraag of van voorrang sprake is naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld. Vervolgens heeft het hof art. 3:278 BW geparafraseerd. Indien het hof op grond hiervan, hiermee of in het vervolg van rov. 6 heeft geoordeeld althans tot uitgangspunt heeft genomen dat alleen voorrang naar Nederlands recht (op grond van hypotheek, pand, voorrecht of een andere in de Nederlandse wet aangegeven grond) kan leiden tot voorrang in de zin van art. 203 Fw, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dat Nederlands recht en in het bijzonder art. 203 Fw beslissend is voor de rechtspositie van schuldeisers die hun vordering afzonderlijk verhaald hebben op zich in het buitenland bevindende goederen van de in Nederland gefailleerde schuldenaar, doet er niet aan af dat (ook) sprake is althans kan zijn van voorrang in de zin van art. 203 Fw indien buitenlands recht de schuldeiser voorrang geeft boven concurrente schuldeisers.
2.
Met zijn oordeel dat het RBA een beslagmaatregel is, zodanige maatregel naar Nederlands recht geen voorrang schept en de in art. 203 Fw omschreven uitzondering zich in deze zaak dus niet voordoet, getuigt het hof van de hiervoor als onjuist bestreden rechtsopvatting(en). Bovendien/althans miskent het hof dat voor het aannemen van voorrang in de zin van art. 203 Fw voldoende is dat buitenlands recht de betreffende schuldeiser voorrang geeft boven concurrente schuldeisers. Het feit dat een met de buitenlandse voorrangsgrond. (hier: RBA) vergelijkbaar recht naar Nederlands recht (hier: beslag) naar Nederlands recht geen voorrang oplevert, doet hieraan niet, althans niet zonder meer, af. Indien dit al zou kunnen afdoen aan de rechtsgevolgen die art. 203 Fw in beginsel aan een buitenlands voorrangsrecht verbindt, heeft het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd waarom dat in deze zaak het geval is, mede in het licht van het betoog van Seacastle dat het RBA weliswaar een beslagmaatregel is, maar dat er aanzienlijke verschillen zijn met beslag naar Nederlands recht, waaronder met name dat de beslaglegger op grond van een RBA naar Amerikaans recht wel een voorrangspositie heeft ten opzichte van de concurrente schuldeisers. Mede in het licht van dit betoog is de enkele constatering dat het RBA een beslagmaatregel is, onvoldoende om de conclusie te dragen dat het RBA niet tot voorrang op grond van art. 203 Fw kan leiden.
3.
Indien het hof bij zijn oordeel dat uit Seacastle's stellingen niet blijkt dat de ‘priority’ die het RBA in het leven roept, niet de vorm/inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek, tot uitgangspunt heeft genomen dat buitenlands recht alleen voorrang in de zin van art. 203 Fw kan opleveren indien de voorrang naar buitenlands recht de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht, getuigt 's hofs oordeel eveneens van een onjuiste rechtsopvatting. Van voorrang in de zin van art. 203 Fw is immers (althans in beginsel) steeds sprake indien buitenlands recht de betreffende schuldeiser voorrang geeft boven concurrente schuldeisers.
Conclusie
Seacastle vordert op grond van dit middel de vernietiging van het arrest, met zodanige verdere beslissing, mede ten aanzien van de kosten, als de Hoge Raad juist zal achten.
Kosten exploot: €
Deurwaarder
Exploot | : | € | 76,71 |
Opslag (B.T.W.) | : | € | 16,11 |
Totaal | : | € | 92,82 |
Eiser(es) kan op grond van de Wet Omzetbelasting 1968 de hem / haar in rekening gebrachte omzetbelasting niet verrekenen, derhalve verklaart ondergetekende opgemelde kosten te hebben verhoogd met een percentage gelijk aan het percentage genoemd in bovengenoemde wet
Conclusie 25‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Art. 203 Fw. Schuldeiser verhaalt zich na faillietverklaring op buitenlands vermogen op basis van voor faillietverklaring in New York verkregen beslagverlof. Voorrang? Kan voorrangspositie naar inhoud en strekking worden gelijkgesteld met een Nederlands voorrangsrecht? HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4933, NJ 2002/241.
Partij(en)
13/03015
Mr. P. Vlas
Zitting, 25 april 2014
Conclusie inzake:
Container Leasing International LLC,
(hierna: Seacastle)
tegen
mr. Paul Johan Peters, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Europe West-Indië Lijnen B.V.
(hierna: de curator)
Deze zaak betreft de vraag of Seacastle als crediteur van een in Nederland failliet verklaarde vennootschap verplicht is aan de boedel te vergoeden het bedrag dat zij na de datum van faillietverklaring heeft verkregen door verhaal te nemen op in de Verenigde Staten gelegen vermogensbestanddelen van de failliet. Aan de orde is een vraag van uitleg van art. 203 Fw, in het bijzonder van het daarin gebruikte begrip ‘voorrang’.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
(i) In 2006 heeft een rechtsvoorganger van Seacastle een leaseovereenkomst met betrekking tot een aantal zeecontainers gesloten met (onder meer) Europe West-Indië Lijnen B.V. (hierna: EWL). Nadien zijn twee nadere overeenkomsten gesloten.
(ii) EWL heeft niet aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst voldaan.
(iii) Op 24 juni 2008 heeft Seacastle van de rechter te New York (VS) verlof gekregen voor een zogenaamd ‘Rule B Attachment’ (hierna: RBA)2..
(iv) Bij beslissing van 18 augustus 2008 heeft de rechter te New York het door middel van het RBA onder twee banken in de Verenigde Staten beslagen bedrag van US$ 472.592,79 toegewezen aan Seacastle, waarna dit bedrag aan haar is uitbetaald.
(v) Aan EWL is door de rechtbank Rotterdam op 9 juli 2008 voorlopige surseance van betaling verleend.
(vi) Op 14 juli 2008 is EWL door de rechtbank Rotterdam in staat van faillissement verklaard, onder gelijktijdige intrekking van de surseance. Mr. Peters is aangesteld als curator.
1.2
De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat Seacastle op grond van art. 203 Fw gehouden is het bedrag dat aan haar na de datum van faillietverklaring van EWL is betaald, aan de boedel te vergoeden. Daartoe heeft de curator bij de rechtbank Rotterdam tegen Seacastle een vordering ingesteld tot betaling aan de boedel van € 298.222,24 (zijnde het in euro’s omgerekende bedrag van US$ 472.592,79).
1.3
Bij vonnis van 17 augustus 2011 heeft de rechtbank Rotterdam de vordering van de curator toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat art. 203 Fw naar Nederlands internationaal privaatrecht moet worden gekwalificeerd als een regel van faillissementsrecht, zodat het Nederlandse (faillissements)recht op de vordering van de curator van toepassing is (rov. 3.10). Volgens de rechtbank heeft art. 203 Fw tot doel te voorkomen dat de paritas creditorum wordt doorkruist (rov. 3.13). Seacastle heeft zich niet verhaald op aan haar bij voorrang verbonden goederen en, anders dan Seacastle heeft betoogd, worden goederen niet aan een schuldeiser bij voorrang verbonden in de zin van art. 203 Fw doordat een schuldeiser op goederen van de schuldenaar verhaal neemt (rov. 3.16).
1.4
Seacastle is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 12 maart 2013 heeft het hof Den Haag het vonnis bekrachtigd. Het hof heeft daartoe – kort samengevat – overwogen dat op de vordering van de curator naar Nederlands internationaal privaatrecht Nederlands recht van toepassing is (rov. 4), dat ingevolge art. 20 Fw het faillissement van een schuldenaar diens gehele vermogen omvat en daarbij geen beperking tot het Nederlands territoir geldt (onder verwijzing naar HR 15 april 1955, NJ 1955/542), waarop art. 203 Fw aansluit (rov. 5). Vervolgens heeft het hof de vraag beantwoord of de goederen waarop Seacastle zich in de Verenigde Staten heeft verhaald ‘bij voorrang’ aan haar waren verbonden in de zin van art. 203 Fw, zulks uit hoofde van het RBA. Het hof heeft overwogen (rov. 6):
‘Het faillissement van EWL moet, nu het in Nederland is uitgesproken, naar Nederlandse rechtsregels worden afgewikkeld. Deze bij het van kracht worden van de IVO [Insolventieverordening; A-G] al geldende regel is gecodificeerd in artikel 4 van deze verordening. Het voorgaande brengt mee dat, zoals trouwens in artikel 4 lid 2 aanhef en onder i IVO uitdrukkelijk is bepaald, de vraag of van voorrang sprake is naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld.
“Voorrang” kan, naar blijkt uit artikel 3:278 BW, voortvloeien uit een zakelijk zekerheidsrecht, zoals pand of hypotheek of op grond van andere specifiek in de wet genoemde gevallen, waaronder de (wettelijke) voorrechten.
Het hof constateert dat het RBA een beslagmaatregel is en dat zodanige maatregel naar Nederlands recht geen voorrang schept. Het beslag roept immers volgens dit recht geen zakelijk recht in het leven, noch schept het een ander specifiek in de wet geregelde voorrang of voorrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de in artikel 203 F omschreven uitzondering, waarop Seacastle zich beroept, in deze zaak niet aanwezig is.
Het hof tekent hierbij nog aan dat Seacastle weliswaar aanvoert dat het RBA naar Amerikaans recht een “priority” in het leven roept, maar dat uit haar stellingen niet blijkt dat deze priority de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek. Daarom kan van de door haar bepleite (analoge) toepassing van artikel 5 IVO – die het verhaal van Seacastle ongemoeid zou laten – geen sprake zijn’.
1.5
Seacastle heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Den Haag.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 6 van het bestreden arrest en bevat drie klachten. De eerste klacht betoogt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 6 tot uitgangspunt heeft genomen dat alleen voorrang naar Nederlands recht (op grond van hypotheek, pand, voorrecht of een andere in de Nederlandse wet aangegeven grond) kan leiden tot voorrang in de zin van art. 203 Fw. Volgens de klacht doet de omstandigheid dat Nederlands recht en art. 203 Fw beslissend is niet eraan af dat (ook) sprake kan zijn van voorrang in de zin van art. 203 Fw indien buitenlands recht de schuldeiser voorrang geeft boven concurrente schuldeisers. De derde klacht bouwt hierop voort door te betogen dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof bij zijn oordeel dat uit de stellingen van Seacastle niet blijkt dat de ‘priority’ die het RBA in het leven roept, niet de vorm/inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek, tot uitgangspunt heeft genomen dat buitenlands recht alleen voorrang in de zin van art. 203 Fw kan opleveren indien de voorrang naar buitenlands recht de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht. De tweede klacht behelst een motiveringsklacht en betoogt dat de enkele constatering van het hof in rov. 6 dat het RBA een beslagmaatregel is, onvoldoende is om de conclusie te dragen dat het RBA niet tot voorrang op grond van art. 203 Fw kan leiden.
2.2
De eerste en de derde klacht van het middel kunnen gezamenlijk worden besproken. Het hof heeft in rov. 4 – in cassatie onbestreden – overwogen dat op de onderhavige vordering van de curator naar Nederlands internationaal privaatrecht het Nederlandse recht van toepassing is, omdat het faillissement van EWL in Nederland is uitgesproken. Deze regel is thans neergelegd in art. 4 EG-Insolventieverordening.3.De onderhavige vordering wordt derhalve beheerst door art. 203 Fw, dat als volgt luidt:
‘Schuldeisers, die na de faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van de in Nederland gefailleerde schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden’.
2.3
Art. 203 Fw is opgenomen in de Tiende Afdeling (‘Bepalingen van internationaal recht’) van Titel 1 van de Faillissementswet. De in de Tiende Afdeling opgenomen bepalingen (art. 203-205 Fw) hebben tot doel te voorkomen dat de gelijkheid van de crediteuren (paritas creditorum) in het Nederlandse faillissement wordt verstoord.4.Volgens art. 203 Fw dient een crediteur die kans ziet zijn niet-bevoorrechte vordering te verhalen op in het buitenland gelegen goederen van de failliet, het aldus verhaalde aan de boedel te betalen. De wetgever heeft rekening willen houden met de omstandigheid dat een in Nederland uitgesproken faillissement, bij gemis aan een internationale regeling, niet steeds in het buitenland op grond van de aldaar geldende regels van internationaal privaatrecht zal worden erkend en dat een schuldeiser van die niet-erkenning in het buitenland gebruik zou kunnen maken door verhaal te nemen op de aldaar gelegen goederen.5.Deze omstandigheid, zo wordt in de parlementaire geschiedenis door de toenmalige Minister van Justitie opgemerkt, neemt niet weg dat deze goederen
‘eigendom zijn van den gefailleerde, en dat dus naar het beginsel, nedergelegd in de artt. 1177 en 1178 Burg. Wetboek, zijne crediteuren gelijk recht hebben op de opbrengst daarvan pondpondsgewijze hunnen vorderingen te verhalen. Waar ten gevolge van de ligging dier goederen, dat recht niet in toepassing kan worden gebracht, is het de taak des wetgevers, (…) om, zij het ook langs indirecten weg, datgeen te verwezenlijken wat billijk is, in het algemeen belang wenschelijk is en (…) in overeenstemming is met de algemeene beginselen in het burgerlijk recht gehuldigd. Dit te bevorderen is het doel der voorgestelde bepaling.
In het feit dat de gefailleerde een zijner schuldeischers in de gelegenheid stelt, diens vordering te verhalen op in het buitenland gelegen goederen, acht de Raad [van State; A-G] geen rechtsgrond gelegen voor de verplichting dien schuldeischer bij dit artikel opgelegd. De ondergeteekende acht dien rechtsgrond gelegen in het feit dat die schuldeischer door zijne daad zich uit de bezittingen van den gefailleerde, boven zijne medeschuldeischers, schadeloos stelt, dus op de paritas creditorum te hunnen nadeele inbreuk maakt. Voor die daad is hij civielrechtelijk verantwoordelijk tegenover zijne mede-crediteuren. Op dien grond (…) rust de meergemelde verplichting.6.
2.4
Art. 203-205 Fw zijn tot stand gekomen in een tijd (1890-1895) waarin het gemis aan een internationale regeling inzake de erkenning van faillissementen zich deed gevoelen. Thans geldt in de Europese Unie de reeds genoemde Insolventieverordening op grond waarvan de in de lidstaten7.uitgesproken insolventieprocedures over en weer worden erkend. Art. 20 Insolventieverordening is een aan art. 203 Fw soortgelijke bepaling. Waar de Insolventieverordening niet van toepassing is, zoals in het onderhavige geval waarin verhaal is gezocht op vermogensbestanddelen van de failliet die zijn gelegen in de Verenigde Staten, behoudt art. 203 Fw haar gelding. Dit is in cassatie onbestreden.
2.5
Verhaalt de schuldeiser zich aldus in het buitenland op aan hem ‘bij voorrang’ verbonden goederen, dan geldt de inbrengverplichting van art. 203 Fw niet. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of de voorrangspositie van de schuldeiser moet zijn gebaseerd op het Nederlandse recht als lex concursus of dat ook een naar het recht van het land van ligging van de goederen ontstane voorrangspositie kan worden aanvaard. En als dit laatste het geval is, is dan slechts sprake van voorrang (voor de toepassing van art. 203 Fw) wanneer deze naar buitenlands recht ontstane voorrang ook naar Nederlandse maatstaven genomen een voorrangspositie oplevert? Het betreft hier geen kwestie van internationaal privaatrecht maar van uitleg van art. 203 Fw.8.
2.6
Zo veel is duidelijk dat onder de crediteuren die zich ‘bij voorrang’ weten te verhalen in de zin van art. 203 Fw de zekerheidsgerechtigde crediteuren worden verstaan (de pand- resp. hypotheekhouder), alsmede de crediteuren die een voorrangsrecht hebben.9.Dat voorts onder de ‘bij voorrang’ gerechtigden niet slechts de crediteuren worden verstaan die een dergelijke positie ontlenen aan het Nederlandse recht, blijkt uit de aard en strekking van de bepaling. Art. 203 Fw beoogt immers in het Nederlandse faillissement de gelijkheid van de crediteuren te bewerkstelligen. Een crediteur die een zekerheidsrecht heeft verkregen op in het buitenland gelegen goederen van de failliet of daarop naar buitenlands recht een voorrangspositie heeft, dient niet anders te worden behandeld dan de crediteur die een dergelijke positie naar Nederlands recht heeft.10.Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of iedere voorrangspositie die door buitenlands recht wordt beheerst, onder het begrip ‘voorrang’ in de zin van art. 203 Fw valt.
2.7
In rov. 6 van het bestreden arrest heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat het faillissement van EWL, nu het in Nederland is uitgesproken, naar Nederlands recht moet worden afgewikkeld. De vraag of van voorrang (in de zin van art. 203 Fw) sprake is, moet volgens het hof worden beoordeeld naar Nederlands recht; voorrang kan krachtens art. 3:278 BW voortvloeien ‘uit pand, hypotheek en voorrecht en uit de andere in de wet aangegeven gronden’. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het RBA een beslagmaatregel is en dat een zodanige maatregel naar Nederlands recht geen voorrang schept. Naar Nederlands recht roept het beslag geen zakelijk recht noch een ander in de wet geregelde voorrang of voorrecht in het leven, aldus het hof. Het hof heeft niet overwogen, anders dan de eerste klacht betoogt, dat alleen voorrang naar Nederlands recht (op grond van art. 3:278 BW) kan leiden tot voorrang in de zin van art. 203 Fw. Het hof heeft onderzocht of de buitenlandse maatregel (het RBA) een zodanige mate van overeenstemming vertoont met een Nederlands recht in de zin van art. 3:278 BW met het oog op de toepassing van art. 203 Fw en geconstateerd dat beslag naar Nederlands recht geen voorrang schept. Daarmee heeft het hof kennelijk in aanmerking genomen of het buitenlandse recht hetzelfde doel nastreeft als het Nederlandse recht en in vergelijkbare omstandigheden tot hetzelfde resultaat leidt. Deze maatstaf is terug te voeren op het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4933, NJ 2002/241, ten aanzien van de vraag of de rechthebbende op een ‘floating charge’ naar Tanzaniaans recht op één lijn kan worden gesteld met de in art. 480 en 481 Rv bedoelde rechthebbende op een Nederlands zekerheidsrecht en daarom bevoegd is een rangregeling te verzoeken. De Hoge Raad overwoog in rov. 3.3:
‘Voor de beantwoording van de thans aan de orde gestelde vraag moet worden beoordeeld of de rechthebbende op een buitenlands zekerheidsrecht dat volgens het toepasselijke rechtsstelsel geldig is tot stand gekomen, uit een oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid op één lijn kan worden gesteld met de in art. 480 en 481 Rv. bedoelde rechthebbende op een Nederlands zekerheidsrecht en deswege bevoegd is een rangregeling te verzoeken. Opmerking verdient dat daarbij niet doorslaggevend is of in algemene zin overeenstemming bestaat tussen het buitenlandse en het Nederlandse zekerheidsrecht, maar of met het oog op de toepassing van een bepaalde Nederlandse regeling – hier art. 480 en 481 Rv. – het buitenlandse zekerheidsrecht naar inhoud en strekking gelijkgesteld kan worden met een verwant Nederlands zekerheidsrecht. (…)’.
2.8
De toepassing van deze maatstaf leidt er toe dat aangenomen moet worden – zoals blijkt uit rov. 6 van het bestreden arrest – dat een crediteur die beslag heeft gelegd op goederen die zich in het buitenland bevinden en op grond waarvan krachtens het aldaar geldende recht een voorrangspositie is verworven, niet kan worden gelijkgesteld met een crediteur die zich ‘bij voorrang’ op in het buitenland gelegen vermogensbestanddelen van de failliet heeft verhaald. Naar Nederlands recht schept het leggen van beslag immers geen voorrang. De gelijkheid van crediteuren onderling – de ratio van art. 203 Fw – zou in het gedrang komen wanneer een crediteur zich op grond van buitenlands recht een voorrangspositie weet te verschaffen door het leggen van beslag op goederen van de failliet die zich in het buitenland bevinden, terwijl het Nederlandse recht aan beslag géén voorrangspositie verbindt. Dat het buitenlandse (beslag)recht die voorrangspositie wél verschaft, doet niet af aan de door art. 203 Fw in het leven geroepen vergoedingsplicht.
2.9
De eerste en de derde klacht stuiten op het voorgaande af. Voor zover de derde klacht mede bedoelt te betogen dat het hof bij de beoordeling van het RBA tot uitgangspunt heeft genomen dat buitenlands recht alleen voorrang in de zin van art. 203 Fw kan opleveren, indien de voorrang naar buitenlands recht de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk recht, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest. De in de klacht genoemde passage in rov. 6 heeft betrekking op de door Seacastle bepleite (analoge) toepassing van art. 5 Insolventieverordening, waarvan volgens het hof geen sprake kan zijn. Volgens het hof blijkt uit de stellingen van Seacastle niet dat de ‘priority’ van het RBA de vorm en/of inhoud heeft van een zakelijk zekerheidsrecht als pand of hypotheek. Art. 5 Insolventieverordening heeft betrekking op zakelijke rechten en bepaalt – kort gezegd – dat wanneer ten gevolge van een bepaling van de lex concursus door de opening van de insolventieprocedure zakelijke rechten op goederen gelegen in een andere lidstaat worden aangetast, deze bepaling niet van toepassing is.11.De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
2.10
De tweede klacht behelst een motiveringsklacht en betoogt dat de enkele constatering van het hof in rov. 6 van het bestreden arrest dat het RBA een beslagmaatregel is, onvoldoende is om de conclusie te dragen dat het RBA niet tot voorrang op grond van art. 203 Fw kan leiden, temeer daar door Seacastle in feitelijke aanleg is aangevoerd dat de prioriteitsregel die voortvloeit uit het RBA qua voorrang afwijkt van het Nederlandse beslagrecht. De motiveringsklacht faalt, omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is tegen de achtergrond van hetgeen Seacastle in feitelijke instanties heeft aangevoerd over het RBA12., namelijk dat de voorrangspositie in het leven is geroepen door het leggen van het beslag terwijl slechts in het kader van dat beslag is gesteld dat de onderhavige overeenkomst tussen EWL en Seacastle een maritieme overeenkomst is.13.Voor het overige bouwt de tweede klacht voort op de eerste en derde klacht en moet zij het lot daarvan delen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑04‑2014
Het betreft ‘Rule B(1) of the Supplemental Rules for Certain Admiralty and Maritime Claims of the Federal Rules of Civil Procedure’, zie de verlofbeslissing van de United States District Court, Southern District of New York, opgenomen als productie 1 bij de inleidende dagvaarding van 18 december 2009.
Zie ook B. Wessels, International Insolvency Law (Wessels Insolventierecht nr. X), 2006/10123.
Zie G.W. Baron van der Feltz, Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, tweede deel, 1897 (hierna: Van der Feltz II), MvT, p. 294.
Van der Feltz II, Rapport aan de Koningin-Regentes, p. 295-296, 2e kolom.
Met uitzondering van Denemarken, welke lidstaat niet aan de Insolventieverordening is gebonden.
Zie ook L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse international privaatrecht, 10e druk, 2012, nr. 53.
Zie hierover ook P.M. Veder, Cross-border Insolvency Proceedings and Security Rights, diss. Nijmegen 2004, Series Law of Business and Finance, Vol. 8, p. 147.
Zie ook Van der Feltz II, p. 295, 1e kolom, waar in het Advies van de Raad van State valt te lezen: ‘Hoe zal het gaan, ingeval de schuldeischer hypotheekgerechtigde of bevoorrecht is op buitenslands gelegen goederen? Art. 203 is dan niet toepasselijk, als hij zijne vordering op dat goed verhaald heeft. Tot inbreng is hij dus niet gehouden’.
Zie o.a. CvA nr. 5.5 en 5.6, CvD nr. 9.3, MvG nr. 3.24 en 3.25.
Zie ook de s.t. zijdens Seacastle onder nr. 3.6, 3.9, 4.2, 4.7 en 4.9.