Vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10 en de in dat arrest genoemde rechtspraak.
HR, 16-06-2015, nr. 14/00314
ECLI:NL:HR:2015:1654
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-06-2015
- Zaaknummer
14/00314
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1654, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 16‑06‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2013:8392, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:922, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:922, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑04‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1654, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑02‑2014
- Wetingang
art. 188 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
NJ 2015/302 met annotatie van
SR-Updates.nl 2015-0281
NbSr 2015/181
Uitspraak 16‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. 1. Valse aangifte. Art. 188 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BR2981: Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. In zijn overweging dat hetgeen verdachte tijdens het gesprek op 27 oktober 2011 met 2 rechercheurs van de zedenafdeling van de politie heeft verklaard als een uitbreiding, versterking en verzwaring van een eerdere aangifte door de moeder van verdachte werd beschouwd, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat bedoelde rechercheurs uit de door verdachte op 27oktober 2011 afgelegde nadere verklaring hebben begrepen dat op zekere tijd en op een aangegeven plaats het door verdachte in die verklaring vermelde strafbare feit was gepleegd. Gelet op het voorgaande geeft ’s Hofs oordeel dat sprake is van een aangifte i.d.z.v. art. 188 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 2. Bewijsklacht: mist feitelijke grondslag.
Partij(en)
16 juni 2015
Strafkamer
nr. 14/00314 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 november 2013, nummer 21/005016-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1.
Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
"zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem, in ieder geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en/of op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, [betrokkene 1]."
2.2.
Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"zij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, [betrokkene 1]."
2.3.1.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant] en [verbalisant], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte verslag informatief gesprek zeden (dossierpagina 40 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Datum gesprek: Op 27 mei 2011.
Gegevens persoon: [voornamen verdachte] (hof: bedoeld zal zijn: [voornamen verdachte]) [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].
Wat is er globaal gebeurd:
[verdachte] werd meerdere jaren betast door haar zwemcoach op haar badkleding. Op maandag 16 mei heeft hij haar meegenomen naar een kleedhokje in het zwembad en zette haar op een bankje van het kleedhokje. Het kleedhokje werd door hem afgesloten en vroeg hij haar om hem af te trekken. Hij begeleidde haar bij het aftrekken. De zwemcoach is klaargekomen in haar gezicht.
Waar is het gebeurd: Zwembad [A].
Wanneer is het gebeurd: Tussen 1 juni 2008 en 17 mei 2011.
Wie is verdachte: [betrokkene 1].
2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant] en [verbalisant], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van 7 juni 2011 (dossierpagina 44 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
V: maar mijn vraag is, wat moest je volgens hem gaan doen?
A: hem aftrekken
V: hoe vroeg hij dat aan jou?
A: hij zei volgens mij niet veel maar wel van dat hij zelf zijn broek uitdeed en mijn hand op zijn geslachtsdeel ging leggen. Dat deed hij gewoon.
V: wat deed hij nadat hij jouw hand op zijn geslachtsdeel had gelegd?
A: hij maakte de beweging met mijn hand om over zijn geslachtsdeel heen te gaan.
V: en hoe noem je die beweging dan?
A: aftrekken.
A: hij duwde mij op mijn schouder zo van "ga daar maar zitten".
V: als jij zit en hij komt klaar, hoe gaat dat dan?
A: hij kwam klaar in mijn gezicht en toen ben ik eigenlijk naar de wc gegaan en heb ik wc papier gepakt.
3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant] en [verbalisant], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2011 (dossierpagina 30 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
[betrokkene 2] deed aangifte ter zake ontucht met een minderjarige en aanranding betreffende haar minderjarige dochter [verdachte].
V: hoe is het bekend geworden dat er tussen [verdachte] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) een seksueel incident is voorgevallen?
A: Door de school. Zij hebben ons ingelicht dat er iets gebeurd zou zijn.
A: Ik heb [verdachte] gevraagd wat er is gebeurd, hoe lang? Daar hebben wij tot op heden geen antwoord op.
Ik heb haar ook donderdagavond nog gevraagd wat er gebeurd is en of het klopt en of het echt zo is. En toen begon ze echt te huilen. Toen wist ik genoeg.
4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 oktober 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant] en [verbalisant], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte verslag informatief gesprek zeden van 27 oktober 2011 (dossierpagina 11 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
[verdachte] zei letterlijk dat er veel meer is gebeurd dan die ene handeling op 16 mei 2011. Ze vertelde dat er in het zwemhokje eerst onschuldige aanrakingen waren, bij haar schouders en daarna gingen zijn handen naar beneden. Hij liet zijn broek zakken tot op zijn enkels en ging hij dwingen haar dingen te doen. [verdachte] bedoelde aftrekken. Hij ging haar hand pakken die hij om zijn penis deed. Hij doet vervolgens haar broek uit. [verdachte] had haar broek op haar enkel, waarbij een been uit de broekspijp was van haar broek en onderbroek. [betrokkene 1] stopte zijn penis in haar vagina, dat lukte.
Op 13 september 2011 lag [verdachte] thuis op de bank. De keukendeur ging open. [verdachte] stond op en ziet dat [betrokkene 1] naar de deur tussen de keuken en de kamer loopt.
Hij zegt: "Als je het ooit nog tegen iemand vertelt, doe ik je familie wat aan". Toen is het nog een keer gebeurd en hebben ze opnieuw seks gehad.
5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 oktober 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant], hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2012 (dossierpagina 100 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op maandag 14 mei 2012 werd in het politiebureau te Apeldoorn als verdachte gehoord:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].
Verdachte werd op 7 juni 2011 reeds gehoord als getuige ter zake aanranding, waarbij zij onder meer verklaarde dat zij op 16 mei 2011 haar zwemtrainer [betrokkene 1] heeft moeten aftrekken in een kleedhokje van zwembad [A]. Haar moeder, [betrokkene 2], deed terzake aangifte van aanranding namens haar dochter.
A: Nou ja nu kan ik wel vertellen van dat in het badhokje, van dat aftrekken dat is echt gebeurd.
V: Zeg nou eens eerlijk, heb ik gelijk als ik zeg dat het niet gebeurd is in de woning?
A: Nee hij is alleen bij ons thuis geweest.
V: Kun jij mij uitleggen waarom jij dat toen wel gezegd hebt? Dat er dat was gebeurd, waarom heb jij dat toen gezegd? Probeer dat eens uit te leggen.
A: omdat ik wilde gewoon dat jullie mij zouden geloven.
V: Kijk je had al gezegd van dat aftrekken he, dat werd neuken. Oke, dat heb je nu gezegd dat heb ik verzonnen. Maar daarna vertelde je nog een keer van dat, dat hij nog een keer bij jou in de woning kwam. Dus mijn vraag was, waarom heb je dat toen verzonnen?
A: Ja, misschien wel om hem de straf te geven die hij verdient.
6. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 april 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik blijf er bij dat ik [betrokkene 1] op 16 mei 2011 in het badhokje heb moeten aftrekken. Dat heb ik niet vals verklaard. Ik heb later gezegd dat ik daar ook andere seksuele handelingen met hem heb moeten plegen, maar dat is niet waar. Ik heb dat gezegd omdat de politie tegen mij zei dat zij zijn zaak zouden seponeren. Ik wilde dat niet.
7. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 23 oktober 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb in mei 2011 een verklaring bij de politie afgelegd en in juni 2011 nog een verklaring over wat er is voorgevallen op 16 mei 2011.
Op 27 oktober 2011 ben ik weer bij de politie geweest. Toen heb ik nog meer verklaard, niet alleen over 16 mei 2011, maar ook over wat op 13 september 2011 is gebeurd.
Op 14 mei 2012 ben ik als verdachte gehoord. Het seksueel binnendringen op 16 mei en op 13 september 2011 en dergelijke is niet gebeurd. U houdt mij mijn verklaring en de vragen voor. Ik had [betrokkene 1] achteraf liever niet afgetrokken. Het was niet vrijwillig. Hij heeft mij gedwongen. Zo kwam het op mij over. Daarom deed ik aangifte. Omdat ik had gehoord dat de politie de zaak zou seponeren, heb ik de dingen later aangedikt."
2.3.2.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Verdachte heeft op 27 mei 2011 een zogenaamd 'informatief gesprek zeden' gevoerd bij de politie. Zij heeft toen aangegeven dat zij [betrokkene 1], al enkele jaren haar zwemcoach, in een kleedhokje van het zwembad heeft moeten aftrekken. Op 7 juni 2011 heeft verdachte, destijds 17 jaar, een getuigenverklaring afgelegd. Op 9 juni 2011 heeft de moeder van verdachte aangifte van aanranding van en ontucht met haar dochter gedaan tegen [betrokkene 1].
Op 27 oktober 2011 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden met verdachte bij de politie. Verdachte heeft toen verteld dat zij op 16 mei 2011 én op 13 september 2011 seks heeft gehad met [betrokkene 1], waarbij hij met zijn penis in haar vagina is gedrongen. Naar aanleiding van dit verhaal heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verdachte, met het doel om DNA-materiaal veilig te stellen. Dat is niet gelukt.
Verdachte heeft op 24 mei 2012 verklaard dat zij op 27 oktober 2011 bij de politie onwaarheden heeft verteld, omdat zij had gehoord dat de zaak tegen [betrokkene 1] zou worden geseponeerd. Daarom had zij haar eerdere verhaal aangedikt en had zij feiten genoemd die helemaal niet zijn voorgevallen. Verdachte heeft dit ook ter zitting van het hof erkend.
Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie heeft verteld een uitbreiding, versterking en verzwaring betrof van de eerdere door haar moeder op 9 juni 2011 gedane aangifte. Het hof ziet deze nadere verklaring van verdachte dan ook in samenhang met de aangifte die al in juni 2011 was gedaan. Naar het oordeel van het hof is er daarom wel sprake van een valse aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht."
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van het doen van een valse aangifte in de zin van art. 188 Sr.
3.2.
Art. 188 Sr luidt:
"hij die aangifte of klacht doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."
3.3.
De tenlastelegging is toegesneden op deze bepaling. Daarom moeten de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden 'aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd' geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan dezelfde in die bepaling voorkomende bewoordingen.
3.4.
Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd (vgl. HR 2 maart 1902, W. 7735) met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10).
3.5.
Uit 's Hofs bewijsvoering volgt dat de verdachte op 27 oktober 2011 in een gesprek met twee rechercheurs van de zedenafdeling van de politie heeft verklaard dat zij op 16 mei 2011 en 13 september 2011 in Groenlo tegen haar wil seks heeft gehad met [betrokkene 1] waarbij hij met zijn penis in haar vagina is gedrongen. In zijn overweging dat hetgeen de verdachte tijdens dit gesprek heeft verklaard als een uitbreiding, versterking en verzwaring van een eerdere aangifte door de moeder van de verdachte werd beschouwd, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat bedoelde rechercheurs uit de door de verdachte op 27 oktober 2011 afgelegde nadere verklaring hebben begrepen dat op zekere tijd en op een aangegeven plaats het door de verdachte in die verklaring vermelde strafbare feit was gepleegd.
3.6.
Gelet op het voorgaande geeft het oordeel van het Hof dat sprake is van een aangifte in de zin van art. 188 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
3.7.
Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd nu uit 's Hofs bewijsvoering niet kan volgen dat de aangifte ter zake van de op 16 mei 2011 gepleegde ontucht vals is.
4.2.
Gelet op de hiervoor onder 2.3 weergegeven bewijsvoering heeft het Hof bewezenverklaard het doen van een valse aangifte met betrekking tot het op 16 mei 2011 en 13 september 2011 seksueel binnendringen van het lichaam van de verdachte. Het middel, dat ervan uitgaat dat door het Hof ook is bewezenverklaard dat de door de verdachte ter zake van de op 16 mei 2011 door [betrokkene 1] gepleegde ontucht aangifte vals is, steunt op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen jeugddetentie, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is vastgesteld op 19 mei 2015 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2015.
Mr. Jörg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Conclusie 14‑04‑2015
Inhoudsindicatie
Jeugdzaak. 1. Valse aangifte. Art. 188 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BR2981: Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. In zijn overweging dat hetgeen verdachte tijdens het gesprek op 27 oktober 2011 met 2 rechercheurs van de zedenafdeling van de politie heeft verklaard als een uitbreiding, versterking en verzwaring van een eerdere aangifte door de moeder van verdachte werd beschouwd, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat bedoelde rechercheurs uit de door verdachte op 27oktober 2011 afgelegde nadere verklaring hebben begrepen dat op zekere tijd en op een aangegeven plaats het door verdachte in die verklaring vermelde strafbare feit was gepleegd. Gelet op het voorgaande geeft ’s Hofs oordeel dat sprake is van een aangifte i.d.z.v. art. 188 Sr niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 2. Bewijsklacht: mist feitelijke grondslag.
Nr. 14/00314 J Zitting: 14 april 2015 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 november 2013 de verdachte ter zake van “aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is” veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren (subsidiair 40 dagen jeugddetentie).
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen keren zich tegen de motivering van de bewezenverklaring. Volgens het eerste middel heeft het hof ten onrechte aangenomen dat er sprake was van een ‘aangifte’ als bedoeld in art. 188 Sr. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem, in ieder geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en/of op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, [betrokkene 1].”
5. Daarvan is bewezenverklaard dat:
“zij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, [betrokkene 1].”
6. Die bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte verslag informatief gesprek zeden (dossierpagina 40 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Datum gesprek: Op 27 mei 2011.
Gegevens persoon: [voornamen verdachte] (hof: bedoeld zal zijn: [voornamen verdachte]) [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].
Wat is er globaal gebeurd:
[verdachte] werd meerdere jaren betast door haar zwemcoach op haar badkleding. Op maandag 16 mei heeft hij haar meegenomen naar een kleedhokje in het zwembad en zette haar op een bankje van het kleedhokje. Het kleedhokje werd door hem afgesloten en vroeg hij haar om hem af te trekken. Hij begeleidde haar bij het aftrekken. De zwemcoach is klaargekomen in haar gezicht.
Waar is het gebeurd: Zwembad [A].
Wanneer is het gebeurd: Tussen 1 juni 2008 en 17 mei 2011.
Wie is verdachte: [verdachte].
2. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 2011 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van 7 juni 2011 (dossierpagina 44 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
V: maar mijn vraag is, wat moest je volgens hem gaan doen?
A: hem aftrekken
V: hoe vroeg hij dat aan jou?
A: hij zei volgens mij niet veel maar wel van dat hij zelf zijn broek uitdeed en mijn hand op zijn geslachtsdeel ging leggen. Dat deed hij gewoon.
V: wat deed hij nadat hij jouw hand op zijn geslachtsdeel had gelegd?
A: hij maakte de beweging met mijn hand om over zijn geslachtsdeel heen te gaan.
V: en hoe noem je die beweging dan?
A: aftrekken.
A: hij duwde mij op mijn schouder zo van "ga daar maar zitten".
V: als jij zit en hij komt klaar, hoe gaat dat dan?
A: hij kwam klaar in mijn gezicht en toen ben ik eigenlijk naar de wc gegaan en heb ik wc papier gepakt.
3. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 augustus 201 1 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2011 (dossierpagina 30 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
[betrokkene 2] deed aangifte ter zake ontucht met een minderjarige en aanranding betreffende haar minderjarige dochter [verdachte].
V: hoe is het bekend geworden dat er tussen [verdachte] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) een seksueel incident is voorgevallen?
A: Door de school. Zij hebben ons ingelicht dat er iets gebeurd zou zijn.
A: Ik heb [verdachte] gevraagd wat er is gebeurd, hoe lang? Daar hebben wij tot op heden geen antwoord op.
Ik heb haar ook donderdagavond nog gevraagd wat er gebeurd is en of het klopt en of het echt zo is. En toen begon ze echt te huilen. Toen wist ik genoeg.
4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 oktober 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk brigadier (bevoegd zedenrechercheur) en hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte verslag informatief gesprek zeden van 27 oktober 2011 (dossierpagina 11 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
[verdachte] zei letterlijk dat er veel meer is gebeurd dan die ene handeling op 16 mei 2011. Ze vertelde dat er in het zwemhokje eerst onschuldige aanrakingen waren, bij haar schouders en daarna gingen zijn handen naar beneden. Hij liet zijn broek zakken tot op zijn enkels en ging hij dwingen haar dingen te doen. [verdachte] bedoelde aftrekken. Hij ging haar hand pakken die hij om zijn penis deed. Hij doet vervolgens haar broek uit. [verdachte] had haar broek op haar enkel, waarbij een been uit de broekspijp was van haar broek en onderbroek. [betrokkene 1] stopte zijn penis in haar vagina, dat lukte.
Op 13 september 2011 lag [verdachte] thuis op de bank. De keukendeur ging open. [verdachte] stond op en ziet dat [betrokkene 1] naar de deur tussen de keuken en de kamer loopt.
Hij zegt: "Als je het ooit nog tegen iemand vertelt, doe ik je familie wat aan". Toen is het nog een keer gebeurd en hebben ze opnieuw seks gehad.
5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 24 oktober 2012 gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], hoofdagent dienstdoende bij Team recherche Achterhoek, regio Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2012 (dossierpagina 100 e.v.), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op maandag 14 mei 2012 werd in het politiebureau te Apeldoorn als verdachte gehoord:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].
Verdachte werd op 7 juni 2011 reeds gehoord als getuige ter zake aanranding, waarbij zij onder meer verklaarde dat zij op 16 mei 2011 haar zwemtrainer [betrokkene 1] heeft moeten aftrekken in een kleedhokje van zwembad [A]. Haar moeder, [betrokkene 2], deed terzake aangifte van aanranding namens haar dochter.
A: Nou ja nu kan ik wel vertellen van dat in het badhokje, van dat aftrekken dat is echt gebeurd.
V: Zeg nou eens eerlijk, heb ik gelijk als ik zeg dat het niet gebeurd is in de woning?
A: Nee hij is alleen bij ons thuis geweest.
V: Kun jij mij uitleggen waarom jij dat toen wel gezegd hebt ? Dat er dat was gebeurd, waarom heb jij dat toen gezegd? Probeer dat eens uit te leggen.
A: omdat ik wilde gewoon dat jullie mij zouden geloven.
V: Kijk je had al gezegd van dat aftrekken he, dat werd neuken. Oke, dat heb je nu gezegd dat heb ik verzonnen. Maar daarna vertelde je nog een keer van dat, dat hij nog een keer bij jou in de woning kwam. Dus mijn vraag was, waarom heb je dat toen verzonnen?
A: Ja, misschien wel om hem de straf te geven die hij verdient.
6. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 16 april 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik blijf er bij dat ik [betrokkene 1] op 16 mei 2011 in het badhokje heb moeten aftrekken. Dat heb ik niet vals verklaard. Ik heb later gezegd dat ik daar ook andere seksuele handelingen met hem heb moeten plegen, maar dat is niet waar. Ik heb dat gezegd omdat de politie tegen mij zei dat zij zijn zaak zouden seponeren. Ik wilde dat niet.
7. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 23 oktober 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb in mei 2011 een verklaring bij de politie afgelegd en in juni 2011 nog een verklaring over wat er is voorgevallen op 16 mei 2011.
Op 27 oktober 2011 ben ik weer bij de politie geweest. Toen heb ik nog meer verklaard, niet alleen over 16 mei 2011, maar ook over wat op 13 september 2011 is gebeurd.
Op 14 mei 2012 ben ik als verdachte gehoord. Het seksueel binnendringen op 16 mei en op 13 september 2011 en dergelijke is niet gebeurd. U houdt mij mijn verklaring en de vragen voor. Ik had [betrokkene 1] achteraf liever niet afgetrokken. Het was niet vrijwillig. Hij heeft mij gedwongen. Zo kwam het op mij over. Daarom deed ik aangifte. Omdat ik had gehoord dat de politie de zaak zou seponeren, heb ik de dingen later aangedikt.”
7. Het bestreden arrest houdt onder het hoofd “overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende in:
“Verdachte is door de rechtbank Gelderland te Zutphen vrijgesproken van het doen van valse aangifte. Deze vrijspraak was enerzijds gebaseerd op het feit dat volgens de rechtbank niet kon worden vastgesteld dat een deel van de feiten wel had plaatsgevonden en de aangifte in zoverre dus niet 'vals' zou zijn. Anderzijds oordeelde de rechtbank dat de nadere informatie die verdachte in strijd met de waarheid heeft gegeven (namelijk dat sprake was van penetratie op 16 mei 2011 en op 13 september 2011) niet als een aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht kon worden aangemerkt.
De officier van justitie heeft in de appelschriftuur aangegeven dat wel degelijk sprake was van een valse aangifte.
Het hof overweegt als volgt.
Verdachte heeft op 27 mei 2011 een zogenaamd 'informatief gesprek zeden' gevoerd bij de politie. Zij heeft toen aangegeven dat zij [betrokkene 1], al enkele jaren haar zwemcoach, in een kleedhokje van het zwembad heeft moeten aftrekken. Op 7 juni 2011 heeft verdachte, destijds 17 jaar, een getuigenverklaring afgelegd. Op 9 juni 2011 heeft de moeder van verdachte aangifte van aanranding van en ontucht met haar dochter gedaan tegen [betrokkene 1].
Op 27 oktober 2011 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden met verdachte bij de politie. Verdachte heeft toen verteld dat zij op 16 mei 2011 én op 13 september 2011 seks heeft gehad met [betrokkene 1], waarbij hij met zijn penis in haar vagina is gedrongen. Naar aanleiding van dit verhaal heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verdachte, met het doel om DNA-materiaal veilig te stellen. Dat is niet gelukt.
Verdachte heeft op 24 mei 2012 verklaard dat zij op 27 oktober 2011 bij de politie onwaarheden heeft verteld, omdat zij had gehoord dat de zaak tegen [betrokkene 1] zou worden geseponeerd. Daarom had zij haar eerdere verhaal aangedikt en had zij feiten genoemd die helemaal niet zijn voorgevallen. Verdachte heeft dit ook ter zitting van het hof erkend.
Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie heeft verteld een uitbreiding, versterking en verzwaring betrof van de eerdere door haar moeder op 9 juni 2011 gedane aangifte. Het hof ziet deze nadere verklaring van verdachte dan ook in samenhang met de aangifte die al in juni 2011 was gedaan. Naar het oordeel van het hof is er daarom wel sprake van een valse aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.”
8. Het middel stelt de vraag aan de orde of de mededelingen die de verdachte in het kader van een ‘informatief gesprek zeden’ heeft gedaan kunnen worden aangemerkt als een valse ‘aangifte’ in de zin van art. 188 Sr.
9. Volgens vaste jurisprudentie is voor toepassing van art. 188 Sr voldoende dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd.1.Aan de aangifte dienen geen hoge formele eisen te worden gesteld. Niet nodig is dat de aangifte alle bestanddelen van een strafbaar feit inhoudt. Evenmin is vereist dat de aangifte op schrift is gesteld, voorgelezen en door de aangever of diens gemachtigde is ondertekend.2.Zo werd de per telefoon aan een politieambtenaar gedane onware melding dat de verdachte door een groepje Marokkanen met de dood was bedreigd als aangifte in de zin van art. 188 Sr aangemerkt, ondanks dat de verdachte – naar eigen zeggen – de politie slechts om advies wilde vragen.3.Door bij de toepassing van art. 188 Sr minder nadruk te leggen op naleving van de voorschriften waarmee het doen van aangifte is omkleed (art. 163 Sv), geeft de Hoge Raad in zijn rechtspraak over het onderhavige delict een materiële invulling aan het begrip ‘aangifte’. Beslissend is of de valse mededeling aanleiding kan geven tot nader opsporingsonderzoek of strafvervolging.4.Het doen van een valse aangifte als bedoeld in art. 188 Sr wordt in de memorie van toelichting gekwalificeerd als een vorm van belemmering van de justitie en is als zodanig ondergebracht in titel VII “misdrijven tegen het openbaar gezag” van het Wetboek van Strafrecht.5.
10. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat de mededelingen die de verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie in het kader van een ‘informatief gesprek zeden’ heeft gedaan met betrekking tot het seksueel binnendringen op 16 mei 2011 en 13 september 2011 een valse aangifte in de zin van art. 188 Sr oplevert, op de grond dat deze verklaring in samenhang moet worden gezien met de eerder door haar moeder gedane aangifte. Het gaat mij echter te ver om hetgeen de moeder van de verdachte in haar aangifte heeft laten optekenen via de door het hof gekozen constructie (min of meer) aan de verdachte zelf toe te schrijven.
11. Tot cassatie behoeft het voorgaande evenwel niet te leiden, nu de bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte zelfstandig als aangifte in de zin van art. 188 Sr kan worden aangemerkt.6.Uit de door de verdachte gedane mededelingen hebben de betrokken politieambtenaren immers moeten begrijpen dat op zekere tijden en op aangegeven plaatsen bepaalde strafbare feiten zijn gepleegd. Voor zover de steller van het middel in dit verband een beroep heeft gedaan op de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik7.– waarin nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het informatieve gesprek (fase 1) en de aangifte (fase 2) – wordt miskend dat die Aanwijzing tevens inhoudt dat in het informatieve gesprek aan de betrokkene of diens wettelijke vertegenwoordiger duidelijk wordt gemaakt dat het informatieve gesprek het startsein kan zijn voor opsporing en vervolging, ook wanneer de betrokkene aangeeft geen aangifte te willen doen. Dat i.c. de zaak is blijven steken in fase 1 moge zo zijn. Aan verdachtes wens tot vervolging behoefde, gelet op de inhoud van het informatieve gesprek en verdachtes verklaring ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 7), geenszins te worden getwijfeld.8.
12. Het middel faalt.
13. Voor zover het tweede middel beoogt te klagen dat de tenlastelegging (en als gevolg daarvan ook de bewezenverklaring) te ruim en niet specifiek is geformuleerd, stuit het erop af dat hierover niet voor het eerst met vrucht in cassatie kan worden geklaagd.
14. Voor zover het middel de klacht bevat dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte valse aangifte heeft gedaan van het seksueel misbruik m.b.t. het aftrekken op 16 mei 2011, berust het op een onjuiste lezing van ’s hofs arrest. In zijn nadere bewijsmotivering, zoals hiervoor onder 7 is weergegeven, heeft het hof genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat de in de bewezenverklaring bedoelde valse aangifte betrekking had op de verklaring van de verdachte over het seksueel binnendringen van de verdachte op 16 mei 2011 en 13 september 2011. Anders dan de steller van het middel wil, is van een onjuiste (misleidende) voorstelling van zaken geen sprake.
15. Het middel faalt.
16. De middel falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
17. Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte, op wie het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, heeft op 15 november 2013 cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan zestien maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Gelet op de opgelegde straf, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑04‑2015
Vgl. HR 13 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2913, NJ 1990/483.
Vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10.
Vgl. H.J. Smidt en J.W. Smidt, De geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel 2, p. 188. Zie voorts Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 4 bij art. 188, bijgewerkt tot 1 oktober 2012.
Opmerking verdient dat het verslag informatief gesprek zeden zelf ook spreekt van “aangeefster” en “aangifte”.
2 december 2010, Stcrt. 2010, nr. 19123 (2010A026).
Uit HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981, NJ 2012/10 kan worden afgeleid dat de wens tot vervolging geen eis is voor strafbaarheid onder art. 188 Sr. Zie anders: Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 6 bij art. 188, bijgewerkt tot 1 oktober 2012.
Beroepschrift 20‑02‑2014
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Namens verzoekster, [geboortedatum], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats], draag ik de volgende cassatiemiddelen voor tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, uitgesproken op 6 november 2013, onder parketnummer 21-005016-13, waarbij verzoekster wegens ‘aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is’ is veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren:
Middel 1:
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. Het oordeel van het hof met betrekking tot het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht’ geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en / of is onbegrijpelijk.
Het gaat in deze zaak om de vraag of er sprake was van een z.g. ‘informatief gesprek’ zoals bedoeld in de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (2010A026), en zo ja, of de beschuldigingen die tijdens dat gesprek werden geuit als een ‘aangifte in de zin van artikel 188 Sr’ kunnen worden beschouwd. De verdediging heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de beschuldigingen werden geuit tijdens een (tweede) informatief gesprek en dat deze beschuldigingen daarom niet als een ‘aangifte in de zin van artikel 188 Sr’ kunnen worden beschouwd.
De feitelijke gang van zaken was als volgt:
Verzoekster heeft op 27 mei 2011 een informatief gesprek gehad met twee rechercheurs. Tijdens dit gesprek gaf zij aan dat zij op 16 mei 2011 door haar zwemcoach seksueel was misbruikt. Dit feit zou (indien bewezen) mogelijk gekwalificeerd kunnen worden als feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) (al dan niet onder de strafverzwarende omstandigheid van artikel 248 lid 2 Sr), als ontucht met misbruik van gezag (art. 249 Sr), of als verleiding van een minderjarige tot ontucht (art. 248a Sr). Zij zou haar zwemcoach hebben moeten aftrekken in een kleedhokje — dat door hem was afgesloten — in het zwembad [A] te [a-plaats] (bewijsmiddel 1). Op deze verklaring is verzoekster nimmer teruggekomen (bewijsmiddelen 6 en 7).
Op 7 juni 2011 heeft zij haar verklaring nader toegelicht (bewijsmiddel 2).
Op 9 juni 2011 heeft haar moeder aangifte gedaan van dit feit (bewijsmiddel 3). Verzoekster merkt (wellicht ten overvloede) op dat zij zelf nimmer aangifte (in de zin van artikel 163 Sv) heeft gedaan.
Op 27 oktober 2011 vond er opnieuw een informatief gesprek plaats tussen verzoekster en dezelfde rechercheurs (bewijsmiddel 4).1. Tijdens dit gesprek gaf verzoekster aan dat er op 16 mei 2011 (naast de eerder genoemde ontuchtige handelingen) ook sprake is geweest van seksueel binnendringen. Op 13 september 2011 zou er vervolgens opnieuw sprake zijn geweest van seksueel binnendringen.
Van deze feiten werd niet afzonderlijk aangifte gedaan door verzoekster of door haar moeder. Het bleef aldus bij de opmerkingen die verzoekster tijdens het tweede informatieve gesprek met de rechercheurs had gemaakt.
Tijdens het verhoor dat op 14 mei 2012 plaatsvond, gaf verzoekster aan dat het seksueel binnendringen niet had plaatsgevonden (bewijsmiddel 5). Zij bleef echter benadrukken dat zij haar zwemcoach had moeten aftrekken op 16 mei 2011 (bewijsmiddel 5, 6 en 7). Zij had haar verhaal aangedikt, omdat zij wilde dat de politie haar zou geloven (bewijsmiddel 5) en omdat de politie tegen haar had gezegd dat de zaak zou worden geseponeerd en zij dat niet wilde (bewijsmiddel 6 en 7).
In deze zaak staat de vraag centraal of de (nieuwe) beschuldigingen die verzoekster heeft geuit tijdens het tweede informatieve gesprek op 27 oktober 2011 als een ‘aangifte in de zin van artikel 188 Sr’ kunnen worden beschouwd.
Het hof heeft naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde verweer hieromtrent het volgende overwogen:
‘Verdachte is door de rechtbank Gelderland te Zutphen vrijgesproken van het doen van valse aangifte. Deze vrijspraak was enerzijds gebaseerd op het feit dat volgens de rechtbank niet kon worden vastgesteld dat een deel van de feiten wel had plaatsgevonden en de aangifte in zoverre dus niet ‘vals’ zou zijn. Anderzijds oordeelde de rechtbank dat de nadere informatie die verdachte in strijd met de waarheid heeft gegeven (namelijk dat sprake was van penetratie op 16 mei 2011 en op 13 september 2011) niet als een aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht kon worden aangemerkt.
De officier van justitie heeft in de appelschriftuur aangegeven dat wel degelijk sprake was van een valse aangifte.
Het hof overweegt als volgt.
Verdachte heeft op 27 mei 2011 een zogenaamd ‘informatief gesprek zeden’ gevoerd bij de politie. Zij heeft toen aangegeven dat zij [betrokkene 1], al enkele jaren haar zwemcoach, in een kleedhokje van het zwembad heeft moeten aftrekken. Op 7 juni 2011 heeft verdachte, destijds 17 jaar, een getuigenverklaring afgelegd. Op 9 juni 2011 heeft de moeder van verdachte aangifte van aanranding van en ontucht met haar dochter gedaan tegen [betrokkene 1].
Op 27 oktober 2011 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden met verdachte bij de politie. Verdachte heeft toen verteld dat zij op 16 mei 2011 én op 13 september 2011 seks heeft gehad met [betrokkene 1], waarbij hij met zijn penis in haar vagina is gedrongen. Naar aanleiding van dit verhaal heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verdachte, met het doel om DNA-materiaal veilig te stellen. Dat is niet gelukt.
Verdachte heeft op 24 mei 2012 verklaard dat zij op 27 oktober 2011 bij de politie onwaarheden heeft verteld, omdat zij had gehoord dat de zaak tegen [betrokkene 1] zou worden geseponeerd. Daarom had zij haar eerdere verhaal aangedikt en had zij feiten genoemd die helemaal niet zijn voorgevallen. Verdachte heeft dit ook ter zitting van het hof erkend.
Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie heeft verteld een uitbreiding, versterking en verzwaring betrof van de eerder door haar moeder op 9 juni 2011 gedane aangifte. Het hof ziet deze nadere verklaring van verdachte dan ook in samenhang met de aangifte die al in juni 2011 was gedaan.Naar het oordeel van het hof is er daarom wel sprake van een valse aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.’
Het hof kwam tot de volgende bewezenverklaring.
Het hof acht bewezen dat:
‘zij (op één of meer tijdstippen) in de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te Doetinchem, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie Doetinchem, opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, de heer [betrokkene 1].’
In deze zaak heeft er tweemaal een informatief gesprek plaatsgevonden tussen verzoekster en de rechercheurs [rechercheur 2] en [rechercheur 1]. Het eerste gesprek vond plaats op 27 mei 2011 en had betrekking op de ontuchtige handelingen (aftrekken) op 16 mei 2011 in het zwembad te [a-plaats] (bewijsmiddel 1). Het tweede gesprek vond plaats op 27 oktober 2011 en had betrekking op het seksueel binnendringen op 16 mei 2011 in het zwembad te [a-plaats] en op 13 september 2011 in de ouderlijke woning te [b-plaats] (bewijsmiddel 4). Het seksueel binnendringen op 16 mei 2011 zou hebben plaatsgevonden (meteen) na de ontuchtige handelingen die in het eerdere gesprek aan de orde waren geweest.
Verzoekster heeft zelf geen aangifte gedaan. Wel heeft haar moeder op 9 juni 2011 een aangifte tegen de heer [betrokkene 1] gedaan. Deze aangifte had betrekking op de feiten die verzoekster in het gesprek van 27 mei 2011 had benoemd en (als getuige) op 7 juni 2011 nader had toegelicht.
Naar aanleiding van het informatieve gesprek op 27 oktober 2011 heeft verzoekster noch haar moeder, aangifte gedaan van het seksueel binnendringen dat zou hebben plaatsgevonden op 16 mei 2011 en op 13 september 2011. Verzoekster heeft vervolgens evenmin als getuige daarover een verklaring afgelegd.
Het hof heeft het tweede informatieve gesprek, dat op 27 oktober 2011 heeft plaatsgevonden, aangemerkt als een ‘nadere verklaring’ die in samenhang moet worden gezien met de aangifte die in juni 2011 door de moeder van verzoekster was gedaan. Verzoeker stelt zich daarentegen op het standpunt dat het tweede informatieve gesprek moet worden beschouwd als een afzonderlijke verklaring, aangezien er andere, nieuwe, beschuldigingen (ook in strafrechtelijke zin) werden geuit.
Het oordeel van het hof dat deze ‘nadere verklaring’ moet worden aangemerkt als een ‘valse aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht’ is onbegrijpelijk en / of geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (2010A026) van het College van Procureur-Generaal wordt uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen het informatief gesprek (fase 1) en de aangifte (fase 2). In het onderhavige geval is na het tweede informatieve gesprek (waarin een nieuwe beschuldiging op tafel kwam te liggen) geen aangifte gedaan.
In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik wordt ten aanzien van fase 1 (informatief gesprek) o.a. het volgende aangegeven:
‘Gezien de complexiteit van zedenzaken wordt altijd een informatief gesprek gevoerd, tenzij dit vanwege een acute situatie niet mogelijk is. (…)
Na het informatieve gesprek krijgt betrokkene in principe bedenktijd over het wel/niet doen van aangifte. (…)’
Met betrekking tot fase 2 (de aangifte) vermeldt de Aanwijzing o.a. het volgende:
‘Aangifte doen is geen vrijblijvende zaak. Een eenmaal gedane aangifte kan niet worden ingetrokken en is de start van een strafrechtelijk onderzoek. (…)’
Het informatieve gesprek en de aangifte dienen uitdrukkelijk van elkaar te worden onderscheiden. Het gesprek kan — anders gezegd — niet worden gelijkgesteld aan een aangifte. De betrokkene heeft na het informatieve gesprek altijd de mogelijkheid om de zaak niet door te zetten naar de volgende fase. In de onderhavige zaak is dat aan de orde. Er is informatief gesproken over het seksueel binnendringen, maar dit gesprek is niet gevolgd door een aangifte van seksueel binnendringen. De zaak is met andere woorden in ‘fase 1 ’ blijven steken.
Het gesprek van 27 oktober 2011 had betrekking op nieuwe beschuldigingen. Het ging nu specifiek over seksueel binnendringen. Deze feiten waren in de eerdere aangifte die door de moeder van verzoekster was gedaan (en die gebaseerd was op de eerdere uitlatingen van verzoekster), niet aan de orde. Het was — gelet op de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik — dan ook logisch dat er voorafgaand aan een eventuele aangifte een informatief gesprek (fase 1) plaatsvond met betrekking tot deze nieuwe feiten. Dit informatieve gesprek heeft plaatsgevonden en heeft vervolgens niet geleid tot een aangifte (fase 2).
Het informatieve gesprek dat op 27 oktober 2011 plaatsvond, was geen nadere verklaring die in samenhang met de aangifte die door de moeder van verzoekster is gedaan, moet worden beschouwd. Er werden nieuwe feiten aangekondigd, waarvan desgewenst afzonderlijk aangifte had kunnen worden gedaan.
Het oordeel van het hof dat hetgeen verzoekster in het gesprek op 27 oktober 2011 met de rechercheurs heeft verteld, kan worden aangemerkt als een ‘valse aangifte in de zin van artikel 188 Sr’ geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en / of is onbegrijpelijk.
Middel 2:
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. De bewezenverklaring is te ruim en daardoor onbegrijpelijk. De bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring voor een belangrijk deel niet dragen.
In deze zaak gaat het om een tweetal beschuldigingen aan het adres van de heer [betrokkene 1].
De eerste beschuldiging betreft seksueel misbruik in de vorm van ontuchtige handelingen plegen met verzoekster door haar (verzoekster) te dwingen hem (de heer [betrokkene 1]) af te trekken in een kleedhokje van het zwembad [A] te [a-plaats]. Van deze beschuldiging heeft de moeder van verzoekster aangifte gedaan. Verzoekster blijft erbij dat deze beschuldiging op waarheid berust.
De tweede beschuldiging betreft seksueel misbruik in de vorm van seksueel binnendringen van het lichaam van verzoekster. Dit feit zou eveneens in het kleedhokje hebben plaatsgevonden. Er zou ook nog een tweede keer sprake zijn geweest van seksueel binnendringen. Dit zou hebben plaatsgevonden in de ouderlijke woning van verzoekster. Deze tweede beschuldiging heeft niet tot een aangifte geleid. Verzoekster heeft later verklaard dat deze beschuldiging niet op waarheid berust.
De bewezenverklaring is zo ruim geformuleerd dat zij ziet op beide beschuldigingen.
Op 27 mei 2011 vond het eerste informatieve gesprek plaats. Tijdens dit gesprek heeft verzoekster melding gedaan van de eerste beschuldiging (aftrekken). Deze beschuldiging werd gevolgd door een nadere verklaring van verzoekster en door een aangifte door de moeder van verzoekster.
Op 27 oktober 2011 vond het tweede informatieve gesprek plaats. Tijdens dit gesprek heeft verzoekster melding gedaan van de tweede beschuldiging (seksueel binnendringen). Deze beschuldiging werd niet gevolgd door een aangifte.
Het hof heeft o.a. bewezen verklaard dat verzoekster in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij op 16 mei 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, de heer [betrokkene 1]. Dit onderdeel van de bewezenverklaring heeft — gelet op de ruime periode en de ruime formulering — betrekking op beide beschuldigingen. Zowel het aftrekken als het seksueel binnendringen zou immers hebben plaatsgevonden op 16 mei 2011.
Verzoekster blijft erbij dat zij (voor zover het betreft het onder dwang aftrekken van de heer [betrokkene 1]) geen valse aangifte heeft gedaan van het seksueel misbruik op 16 mei 2011. Zij wenst ook thans nog te benadrukken dat dit feit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
De bewezenverklaring omvat evenwel ook deze beschuldiging. Ook in de bewijsmiddelen wordt de beschuldiging die in het eerste informatieve gesprek werd geuit, uitdrukkelijk genoemd (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat ook deze beschuldiging aan het adres van de heer [betrokkene 1] vals was.
Uit de bewijsmiddelen kan evenwel niet worden afgeleid dat er inderdaad sprake is geweest van het doen van een valse aangifte van seksueel misbruik (m.b.t. het aftrekken) op 16 mei 2011. Uit een aantal bewijsmiddelen kan daarentegen zelfs worden afgeleid dat het hier bedoelde seksuele misbruik (t.w. het aftrekken) wel degelijk heeft plaatsgevonden. Verzoekster wijst in dit verband op de onder 5, 6 en 7 opgenomen bewijsmiddelen.
De bewijsmiddelen kunnen dan ook — voor zover het betreft de in de bewezenverklaring besloten liggende valse aangifte van seksueel misbruik (in de vorm van het onder dwang aftrekken van de heer [betrokkene 1]) dat op 16 mei 2011 zou hebben plaatsgevonden — de bewezenverklaring niet dragen. In zoverre is de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
Mocht het zo zijn dat het hof bedoeld heeft deze (eerste) aangifte buiten de bewezenverklaring te houden, dan moet worden geconstateerd dat het hof daarin niet is geslaagd. Nu de bewezenverklaring ook deze aangifte omvat en verzoekster er bij blijft dat deze aangifte niet vals is, heeft zij een in rechte te respecteren belang bij de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige vaststelling dat de bewezenverklaring geen betrekking heeft op de aangifte van seksueel misbruik in de vorm van het onder dwang aftrekken van de heer [betrokkene 1] op 16 mei 2011. De bewezenverklaring is in dit opzicht te weinig concreet en geeft daardoor een onjuiste (misleidende) voorstelling van zaken.
Afronding:
Uw Raad heeft in de arresten van 11 september 2012 (o.a. NJ 2013/243) aangegeven dat de ambtshalve cassatie tegenwoordig bijzonder spaarzaam wordt toegepast en dat ervan wordt uitgegaan dat het achterwege blijven van klachten die zijn toegespitst op misslagen in de bestreden uitspraak of op fouten in de aan die uitspraak voorafgegane procedure, berust op een weloverwogen keuze. Ondergetekende hecht eraan op te merken dat het beslist niet zijn bedoeling is om (kansrijke) cassatieklachten te laten liggen. Hij kan echter niet uitsluiten dat hij onbedoeld iets over het hoofd ziet. Mocht het zo zijn dat Uw Raad constateert dat over een bepaald punt dat tot cassatie zou moeten leiden, niet is geklaagd, dan mag U er vanuit gaan dat dit niet berust op een weloverwogen keuze van verzoeker. Verzocht wordt in dat geval gebruik te maken van Uw bevoegdheid om ambtshalve te casseren. Aldus kunt U inhoud geven aan de taak die U heeft op het terrein van de ‘rechtsbescherming’ (naast die op het terrein van de ‘rechtseenheid’ en de ‘rechtsontwikkeling’).
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, kantoorhoudende te Leeuwarden, aan de Ossekop 11 (Postbus 324, 8901 BC), die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster.
Leeuwarden, 20 februari 2014
J. Boksem
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑02‑2014
Uit het verslag dat werd gemaakt van het gesprek, dat op donderdag 27 oktober 2011 op het politiebureau te Doetinchem plaatsvond tussen verzoekster en de zedenrechercheurs [rechercheur 1] en [rechercheur 2], blijkt ondubbelzinnig dat het om een louter informatief gesprek ging. In het proces-verbaal dat van het gesprek is opgemaakt, wordt gesproken over een ‘intakegesprek’ en boven het stuk staat: ‘verslag informatief gesprek zeden’. Er was geen sprake van een officiële aangifte.