Zie o.a. HR 8 mei 2012, LJN BV9188, HR 24 januari 2012, LJN BT7085, HR 22 december 2009, LJN BK3366, NJ 2010, 672, m.nt. Y. Buruma, rov. 2.5, HR 22 december 2009, LJN BJ9796, NJ 2010, 671, m.nt. Y. Buruma, rov. 2.4, HR 6 januari 2004, LJN AN8498, NJ 2004, 201, rov. 3.4 en HR 19 december 2000, LJN AA9745, NJ 2001, 101, rov. 3.3.
HR, 03-07-2012, nr. 10/03175
ECLI:NL:HR:2012:BW9960
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
03-07-2012
- Zaaknummer
10/03175
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BW9960
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BW9960, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑07‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW9960
ECLI:NL:HR:2012:BW9960, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑07‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9960
- Wetingang
art. 266 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2012-0170
NbSr 2012/290
Conclusie 03‑07‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 10/03175
Mr. Vellinga
Zitting: 22 mei 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "eenvoudige belediging" en 2. "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" veroordeeld tot een geldboete van € 150,--, subsidiair 3 dagen hechtenis.
2.
Namens verdachte heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 22 mei 2007 te Amsterdam opzettelijk beledigend [verbalisant 1] in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "flikker";"
4.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2007141457-1 van 24 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant voornoemd:
Op 22 mei 2007 was ik betrokken bij de aanhouding van verdachte [betrokkene 1]. Tijdens deze aanhouding riep een in de buurt aanwezig persoon welke later genaamd bleek te zijn [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte) met zeer luide stem het woord "flikker" in mijn richting.
(...)
Wanneer de officier van justitie hiertoe termen aanwezig acht, verzoek ik deze over te gaan tot vervolging.
2.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2009.
Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 22 mei 2007 zat ik op een bankje bij buurthuis VVV te Amsterdam. Ik zag ik dat [betrokkene 1] door de politie werd gearresteerd. Ik vond de toedracht vreemd. Ik ben naar de politie gelopen en heb er wat van gezegd. Het zou kunnen dat ik tegen de politieman, van wie ik inmiddels weet dat hij [verbalisant 1] heet "flikker" heb gezegd. Ik was toen kwaad.
(...)"
5.
Het eerste middel komt met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde op tegen 's Hofs oordeel dat de term "flikker" beledigend is in de zin van art. 266 Sr.
6.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de term 'flikker' te algemeen van aard is om deze beledigend van aard te kunnen achten. Volgens de toelichting op het middel kan uit de gebezigde bewijsmiddelen derhalve niet volgen dat sprake is van eenvoudige belediging.
7.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende vooropgesteld te worden. Indien het, zoals in het onderhavige geval, gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan, moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan.1.
8.
De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden wat betreft de context waarin de uitlating is gedaan in dat de verdachte tijdens de aanhouding van verdachte [betrokkene 1] in de richting van de bij de aanhouding betrokken verbalisant [verbalisant 1] met zeer luide stem het woord "flikker" heeft geroepen. Nog daargelaten of de term 'flikker' in zichzelf al niet beledigend is, geeft 's Hofs kennelijke oordeel dat de uitlating "flikker" onder genoemde omstandigheden de strekking had de verbalisant tot wie de uitlating was gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.2.
9.
Het middel faalt.
10.
Het tweede middel klaagt met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat [verbalisant 1] zich ook daadwerkelijk door verdachtes uitlating beledigd voelde.
11.
Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat voor (eenvoudige) belediging is vereist dat blijkt dat de persoon tot wie de beledigende uitlating is gericht zich daadwerkelijk beledigd voelt. Een dergelijke opvatting vindt echter geen steun in het recht.3.
12.
Het middel faalt.
13.
Het derde middel klaagt met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde feit dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte verbalisant [verbalisant 1] opzettelijk heeft beledigd.
14.
Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden dat het voor eenvoudige belediging vereiste opzet op het krenken van iemands eer of goede naam geen 'animus injurandi' bij de verdachte vereist, doch alle gradaties van het opzet, derhalve ook het voorwaardelijk opzet, omvat.4.
15.
Het Hof heeft blijkens het bestreden arrest kennelijk geoordeeld dat de verdachte door het naar aanleiding van de arrestatie van een andere verdachte met zeer luide stem roepen naar verbalisant [verbalisant 1] van het woord "flikker" in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat genoemde verbalisant door deze uitlating in zijn eer en goede naam zou worden aangetast. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is - gelet op de aard van de uitlating en de omstandigheden waarin deze is gedaan - niet onbegrijpelijk.
16.
Het middel faalt.
17.
De als vierde middel aangeduide klacht voldoet niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen, nu deze geen stellige en duidelijke klacht inhoudt over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Deze klacht kan derhalve onbesproken blijven. Mogelijk is beoogd te klagen dat het Hof eraan is voorbijgegaan dat een agent niet beledigd kan worden wanneer niet vaststaat dat hij handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Die opvatting vindt geen steun in het recht.
18.
Het eerste, het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
19.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑07‑2012
Vgl. bijv. HR 6 januari 2004, LJN AN8498, NJ 2004, 201 ('homofiel') en HR 22 december 2009, LJN BK3366, NJ 2010, 672, m.nt. Y. Buruma ('Je bent een homo').
Zie A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Kluwer Deventer 2011, derde druk, p. 98-114, en A.L.J. Janssens, Strafbare belediging, diss. Groningen 1998, p. 192-196.
Vgl. HR 21 oktober 1980, NJ 1981, 69, m.nt. GEM. Zie ook A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis, Uitingsdelicten, Kluwer Deventer 2011, derde druk, p. 115-117 en Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 261, aant. 4 (suppl. 144, oktober 2008).
Uitspraak 03‑07‑2012
Inhoudsindicatie
Belediging, art. 266 Sr. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BJ9796 en LJN AN8498. Het gebruik van het door de verdachte gebezigde woord (“flikker”) is op zichzelf niet beledigd, zodat het i.c. afhangt van de context waarin die woorden zijn gebezigd. Het oordeel van het Hof dat in casu sprake is van belediging als bedoeld in art. 266 Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
Partij(en)
3 juli 2012
Strafkamer
nr. S 10/03175
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 juli 2010, nummer 23/004054-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij op 22 mei 2007 te Amsterdam opzettelijk beledigend [verbalisant 1] in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord "flikker"."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, voor zover in cassatie van belang:
"1.
Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2007141457-1 van 24 mei 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant voornoemd:
Op 22 mei 2007 was ik betrokken bij de aanhouding van verdachte [betrokkene 1]. Tijdens deze aanhouding riep een in de buurt aanwezig persoon welke later genaamd bleek te zijn [verdachte] (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte) met zeer luide stem het woord "flikker" in mijn richting.
(...)
Wanneer de officier van justitie hiertoe termen aanwezig acht, verzoek ik deze over te gaan tot vervolging.
- 2.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2009.
Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 22 mei 2007 zat ik op een bankje bij buurthuis VVV te Amsterdam. Ik zag dat [betrokkene 1] door de politie werd gearresteerd. Ik vond de toedracht vreemd. Ik ben naar de politie gelopen en heb er wat van gezegd. Het zou kunnen dat ik tegen de politieman, van wie ik inmiddels weet dat hij [verbalisant 1] heet "flikker" heb gezegd. Ik was toen kwaad. (...)"
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in de bewezenverklaring onder 1 voorkomende woord "flikker" beledigend is.
3.2.
De bewezenverklaring houdt in dat het gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating als beledigend worden beschouwd indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan (vgl. HR 22 december 2009, LJN BJ9796, NJ 2010/671).
3.3.
Het gebruik van het woord "flikker" is op zichzelf niet beledigend, zodat in deze zaak de beantwoording van de vraag of sprake is van belediging in de zin van art. 266 Sr, afhangt van de context waarin dat woord is gebezigd. Het Hof heeft in de hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte vanaf een bank bij een buurthuis tijdens de aanhouding van [betrokkene 1] in de richting van [verbalisant 1] met zeer luide stem het woord "flikker" heeft geroepen. Het Hof heeft daarmee als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat onder deze omstandigheden het woord "flikker" de strekking heeft de persoon tot wie de uitlating was gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten en dat dit woord derhalve in het onderhavige geval als beledigend moet worden aangemerkt. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk (vgl. HR 6 januari 2004, LJN AN8498, NJ 2004/201).
3.4.
Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het vierde middel
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld.
Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel 4 aangeduide klacht voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 3 juli 2012.