Blijkens de e-mailwisseling die is gehecht aan de akte (tot het instellen van) cassatie(beroep), stelt de raadsman van de verdachte dat hij de griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden reeds op 14 december 2021 per faxbericht heeft gemachtigd om namens de verdachte cassatieberoep in te stellen tegen het bestreden arrest. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze stelling. Niet blijkt dat aan dit verzoek (en deze machtiging) gehoor is gegeven. Op 28 december 2021 heeft de daartoe gemachtigde griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkens een daarvan opgemaakte akte van die datum (alsnog) namens de verdachte cassatie ingesteld. Het tijdsverloop tussen 14 december 2021 en 28 december 2021 kan de verdediging m.i. niet worden tegengeworpen bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
HR, 06-02-2024, nr. 21/05379
ECLI:NL:HR:2024:166
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-02-2024
- Zaaknummer
21/05379
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:166, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑02‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1104
ECLI:NL:PHR:2023:1104, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:166
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0025
Uitspraak 06‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. medeplegen verduistering van auto (art. 321 Sr) en niet voldoen aan een door agent gegeven bevel (art. 184.1 Sr). Aanwezigheidsrecht, detentie in buitenland (Duitsland) uit anderen hoofde gebleken uit in cassatie overgelegde stukken. Als dagvaarding van verdachte, die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geldig is betekend en verdachte noch zijn raadsman op tz. is verschenen, kan rechter (behoudens duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als verdachte tijdens behandeling van zijn zaak i.v.m. andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit rechter bekend was. Aan herkomst en betrouwbaarheid van stukken die in cassatie zijn overgelegd, behoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Uit die stukken moet worden afgeleid dat verdachte op het moment van behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep al ruim 3 maanden i.v.m. andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat dagvaarding om op tz. in h.b. te verschijnen rechtsgeldig maar niet in persoon is uitgereikt en op die ttz. geen raadsman is verschenen, is ‘s hofs beslissing om onderzoek ttz. voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens groot belang van verdachte om bij behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in h.b. in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/05379
Datum 6 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2017, nummer 21-002349-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het voert daartoe aan dat de verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd en dat hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
2.2.1
Bij de stukken bevinden zich:a. een akte van uitreiking die inhoudt dat de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 op 22 november 2016 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;b. het proces-verbaal van die terechtzitting dat onder meer inhoudt dat daar de verdachte noch een raadsman is verschenen, dat tegen de verdachte verstek is verleend en dat het onderzoek is gesloten.
2.2.2
In cassatie zijn – door aanhechting aan de schriftuur – overgelegd:(i) een “Haftbescheinigung” van 12 oktober 2022 van de JVA Düsseldorf. Dit stuk houdt in dat de verdachte vanaf 18 oktober 2016 tot 13 april 2018 in deze penitentiaire inrichting heeft verbleven;(ii) e-mailcorrespondentie tussen de secretaresse van het advocatenkantoor van de raadslieden van de verdachte en een medewerker van de JVA Düsseldorf over de toezending van de “Haftbescheinigung”.
2.3
Als de dagvaarding van een verdachte, die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, geldig is betekend (uitgereikt) en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. De mogelijkheid bestaat echter dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen als de verdachte tijdens de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.
2.4
Aan de herkomst en betrouwbaarheid van de stukken die in cassatie zijn overgelegd, behoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Uit die stukken moet worden afgeleid dat de verdachte op het moment van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep al ruim drie maanden in verband met een andere zaak was gedetineerd. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 te verschijnen rechtsgeldig maar niet in persoon is uitgereikt en op die terechtzitting geen raadsman is verschenen, is de beslissing van het hof om het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist. Wegens het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, moet de verdachte de mogelijkheid worden geboden om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat de uitspraak van het hof moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2.5
Het cassatiemiddel is dus terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2024.
Conclusie 12‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verstekarrest terwijl achteraf moet worden aangenomen dat de verdachte in het buitenland in detentie verbleef. Slagende klacht. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05379
Zitting 12 december 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 23 januari 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 april 2016, waarbij de verdachte was veroordeeld wegens onder 1 primair “medeplegen van verduistering” en onder 2 “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij, een en ander zoals in het vonnis vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namen de verdachte. T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
Het procesverloop
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen, en voorts onder meer het volgende:
“De raadsman van verdachte mr. M.E.W. Harskamp heeft het hof bij e-mail van 20 januari 2017 gemeld dat hij geen contact met verdachte heeft gehad en dat hij ook niet gemachtigd is en daarom niet op de zitting aanwezig zal zijn.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.
De advocaat-generaal deelt – zakelijk weergegeven – mede:
Ik was voornemens om een vordering tot wijziging van de tenlastelegging in te dienen. Maar nu er niemand is verschenen, de raadsman niet is gemachtigd en door de verdediging geen appelschriftuur is ingediend, vorder ik dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en spreekt, na gehouden beraad, het arrest uit.”
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
5. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik ambtshalve het volgende op. Namens de verdachte heeft de griffier cassatie ingesteld op 28 december 2021.1.Het door het hof gewezen verstekarrest dateert van 23 januari 2017. Dat zou (kunnen) betekenen dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld.
6. Het bestreden arrest is gewezen buiten aanwezigheid van de verdachte en van een namens hem optredende raadsman, terwijl de dagvaarding voor de zitting van 23 januari 2017 de verdachte niet in persoon is betekend. Uit de stukken die de griffier van het hof op de voet van het bepaalde in artikel 434 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad heeft gezonden, bevindt zich geen stuk waaruit kan worden opgemaakt dat het arrest van het hof van 23 januari 2017 overeenkomstig (het ook in hoger beroep toepasselijke) artikel 366 Sv daadwerkelijk aan de verdachte is betekend c.q. uitgereikt. Daarmee is m.i. niet met voldoende zekerheid vast te stellen op welke datum de verdachte met het verstekarrest van het hof bekend is geraakt en kan dan ook niet worden geoordeeld dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld. De verdachte kan dus in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
De bespreking van het middel
7. In cassatie is – door middel van aanhechting aan de schriftuur – overgelegd een ‘Haftbescheinigung’ van de penitentiaire inrichting te [plaats] gedateerd 12 oktober 2022. In dit stuk staat vermeld dat de verdachte van 18 oktober 2016 tot 13 april 2018 zonder onderbreking in deze penitentiaire inrichting heeft verbleven. Voorts is aan de schriftuur de bijbehorende mailwisseling tussen de raadsman van de verdachte en de Duitse justitiële autoriteiten, gedateerd 11 en 12 oktober 2022, gehecht.
8. Uit de hiervoor onder randnummer 7 vermelde stukken – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.2.Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.
Slotsom
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2023
Vgl. HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:561; HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:985.