Procestaal: Duits.
HvJ EU, 09-09-2021, nr. C-277/20
ECLI:EU:C:2021:708
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-09-2021
- Magistraten
J.-C. Bonichot, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan, N. Jääskinen
- Zaaknummer
C-277/20
- Conclusie
J. Richard de la Tour
- Roepnaam
UM (Contrat translatif de propriété mortis causa)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:708, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑09‑2021
ECLI:EU:C:2021:531, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 01‑07‑2021
Uitspraak 09‑09‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Erfopvolging — Verordening (EU) nr. 650/2012 — Artikel 3, lid 1, onder b) — Begrip ‘erfovereenkomst’ — Werkingssfeer — Overeenkomst tot eigendomsoverdracht bij overlijden — Artikel 83, lid 2 — Rechtskeuze — Overgangsbepalingen’
J.-C. Bonichot, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan, N. Jääskinen
Partij(en)
In zaak C-277/20,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 27 mei 2020, ingekomen bij het Hof op 24 juni 2020, in de procedure
UM,
in tegenwoordigheid van:
HW, als nalatenschapsbeheerder van ZL,
Marktgemeinde Kötschach-Mauthen,
Finanzamt Spittal Villach,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, L. Bay Larsen, C. Toader (rapporteur), M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen en antwoorden op de vragen van het Hof van:
- —
UM, vertegenwoordigd door A. Wittwer, Rechtsanwalt,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en U. Bartl als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J. Rodríguez de la Rúa Puig als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juli 2021,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 83, lid 2, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107, met rectificatie in PB 2015, L 43, blz. 33; hierna: ‘erfrechtverordening’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen UM, een Duitse onderdaan, en de Oostenrijkse autoriteiten over een verzoek tot inschrijving in het kadaster van het eigendomsrecht op een in Oostenrijk gelegen onroerend goed.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 9, 11, 14 en 49 van de erfrechtverordening luiden als volgt:
- ‘(9)
Het toepassingsgebied van deze verordening moet alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon omvatten, namelijk elke vorm van overgang en overdracht van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden, ongeacht of het gaat om een onder een uiterste wilsbeschikking vrijwillige overgang en overdracht dan wel om overgang in het geval van erfopvolging bij versterf.
[…]
- (11)
Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op andere onderdelen van het burgerlijk recht dan het erfrecht. Een aantal zaken die geacht kunnen worden verband te houden met het erfrecht, dienen ten behoeve van de duidelijkheid uitdrukkelijk te worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening.
[…]
- (14)
Rechten en goederen die op een andere wijze dan door erfopvolging zijn ontstaan of zijn overgedragen, bijvoorbeeld door schenking, moeten eveneens van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. […]
[…]
- (49)
De erfovereenkomst is een vorm van uiterste wilsbeschikking waarvan de toelaatbaarheid en aanvaarding van lidstaat tot lidstaat verschilt. Om het eenvoudiger te maken dat ingevolge een erfovereenkomst verkregen erfrechten in de lidstaten worden aanvaard, moet in deze verordening duidelijk worden aangegeven welk recht van toepassing is op de toelaatbaarheid van zulke overeenkomsten, op de materiële geldigheid ervan, en op de rechtsgevolgen tussen de partijen, met inbegrip van de voorwaarden voor ontbinding van dergelijke overeenkomsten.’
4
Artikel 1 (‘Toepassingsgebied’) van die verordening bepaalt:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. […]
- 2.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- g)
rechten en goederen die ontstaan, overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door middel van schenkingen, gemeenschappelijk eigendom dat overgaat op de langstlevende, pensioenregelingen, verzekeringsovereenkomsten en regelingen van soortgelijke aard, onverminderd artikel 23, lid 2, onder i);
[…]
- l)
de inschrijving van rechten op onroerende en roerende zaken in een register, met inbegrip van de wettelijke voorschriften voor een dergelijke inschrijving en de rechtsgevolgen van de inschrijving van dergelijke rechten of van het achterwege blijven daarvan.’
5
Artikel 3 (‘Definities’), lid 1, van die verordening bepaalt:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
- a)
‘erfopvolging’: de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf;
- b)
‘erfovereenkomst’: een overeenkomst, met inbegrip van een uit wederkerige testamentaire beschikkingen voortvloeiende overeenkomst, die, met of zonder tegenprestatie, rechten op de toekomstige nalatenschap of nalatenschappen van een of meer partijen bij de overeenkomst in het leven roept, wijzigt of doet vervallen;
[…]
- d)
‘uiterste wilsbeschikking’: een testament, een gemeenschappelijk testament of een erfovereenkomst;
[…]’
6
Hoofdstuk III (‘Toepasselijk recht’) van de erfrechtverordening omvat de artikelen 20 tot en met 38.
7
Artikel 21 (‘Algemene regel’) van die verordening luidt:
- ‘1.
Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.
- 2.
Als, bij wijze van uitzondering, uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de erflater op het tijdstip van overlijden een kennelijk nauwere band had met een andere staat dan de staat van welke het recht op grond van lid 1 van toepassing zou zijn, is het recht van die andere staat op de erfopvolging van toepassing.’
8
Artikel 22 (‘Rechtskeuze’) van diezelfde verordening bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Een persoon kan als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, het recht van de staat kiezen, waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit.
[…]
- 2.
De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan in een verklaring in de vorm van een uiterste wilsbeschikking of blijkt uit de bewoordingen van die beschikking.’
9
Artikel 83 (‘Overgangsbepalingen’), lid 2, van deze verordening bepaalt:
‘Wanneer de erflater het op zijn erfopvolging toepasselijke recht had gekozen vóór 17 augustus 2015, is deze keuze geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III opgenomen voorwaarden, of indien zij geldig is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip van de rechtskeuze golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats bezat of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had.’
Oostenrijks recht
10
§ 956 van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, is als volgt verwoord:
‘Een schenking die pas na het overlijden van de schenker dient plaats te vinden, heeft — mits aan de vormvoorschriften is voldaan — dezelfde geldigheid als een testament. Zij kan enkel als een overeenkomst worden beschouwd als zij door de begiftigde is aanvaard, de schenker uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn herroepingsrecht en een daartoe strekkende schriftelijke akte aan de begiftigde is verstrekt.’
11
§ 1, lid 1, onder d), van het Notariatsaktsgesetz (wet inzake notariële akten) stelt de geldigheid van een schenkingsovereenkomst zonder feitelijke overdracht afhankelijk van het verlijden van een notariële akte.
12
§ 26 van het Grundbuchsgesetz (kadasterwet) luidt als volgt:
- ‘(1)
Inschrijvingen en voorlopige aantekeningen van wijziging in het kadaster kunnen enkel plaatsvinden op basis van akten die zijn opgesteld in de voor de geldigheid ervan voorgeschreven vorm.
- (2)
Ingeval het gaat om de verwerving of wijziging van een zakelijk recht, moeten deze akten een geldige rechtsgrond bevatten.’
13
§ 2 van het Rechtspflegergesetz (wet betreffende hulprechters) bepaalt:
‘Een gerechtelijk ambtenaar kan voor de navolgende aangelegenheden tot hulprechter worden benoemd: […]
- 3.
kadaster- en scheepsregisterzaken;
[…]’
14
§ 16, lid 2, van deze wet bepaalt:
‘Aan de rechter blijven steeds voorbehouden:
[…]
- 6.
beslissingen waarbij buitenlands recht moet worden toegepast.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15
Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de vader van UM op 22 juli 1975 bij overeenkomst heeft bepaald dat bij zijn overlijden aan zijn zoon en zijn toenmalige schoondochter, ieder voor de helft, de eigendom van een in Oostenrijk gelegen perceel grond zou worden overgedragen, met inbegrip van al hetgeen op het tijdstip van zijn overlijden daarop was gebouwd, mits was voldaan aan bepaalde voorwaarden. Bij het sluiten van deze overeenkomst, waarvoor het Oostenrijkse recht als toepasselijk recht was aangewezen, hadden alle partijen hun gewone verblijfplaats in Duitsland.
16
Tot de in die overeenkomst vastgestelde voorwaarden behoorden de verplichting voor de vader van UM om binnen tien jaar na de sluiting van de overeenkomst een tweegezinswoning te bouwen, alsook het feit dat UM en zijn echtgenote nog steeds gehuwd waren en dat laatstgenoemde nog steeds in leven was. Voor het geval dat dit niet zo was, bepaalde de overeenkomst dat UM de enige begunstigde zou zijn. De vader van UM heeft tevens de inschrijving van de eigendomsoverdracht in het Oostenrijkse kadaster toegestaan op vertoon van een officiële overlijdensakte en het bewijs dat de voorwaarden voor de overdracht waren vervuld. Toen de vader van UM op 13 mei 2018 te Keulen (Duitsland) overleed, waren UM en zijn echtgenote reeds gescheiden en was deze laatste ook reeds overleden.
17
De erfopvolgingsprocedure is geopend voor het Amtsgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland), de jurisdictie van de laatste woonplaats van de vader van UM.
18
UM heeft het Bezirksgericht Hermagor (rechter in eerste aanleg Hermagor, Oostenrijk) verzocht zijn eigendomsrecht op het in het hoofdgeding aan de orde zijnde onroerend goed in te schrijven in het kadaster en daarvoor aangevoerd dat hij bij het overlijden van zijn vader de enige begunstigde van de overeenkomst was. De met de afdoening van dit verzoek belaste Rechtspfleger (hulprechter, Oostenrijk) van dit gerecht was van oordeel dat het Oostenrijkse recht het toepasselijke recht was en heeft dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van bewijs dat er was voldaan aan de voorwaarden van de overeenkomst in het hoofdgeding.
19
Het Landesgericht Klagenfurt (rechter in tweede aanleg Klagenfurt, Oostenrijk) heeft deze beslissing bevestigd op grond dat ten eerste de erfrechtverordening niet van toepassing was wegens de in die overeenkomst gemaakte rechtskeuze voor Oostenrijks recht en dat ten tweede de overdracht van het onroerend goed op basis van de schenking ter zake des doods niet kon plaatsvinden zonder bewijs van de bouw van de woning, zoals in die overeenkomst was bepaald.
20
Tegen deze beslissing heeft UM beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, het Oberste Gerichtshof.
21
De verwijzende rechter geeft aan dat de vraag naar de geldigheid van de keuze van het Oostenrijkse recht als toepasselijk recht in een overeenkomst tot eigendomsoverdracht bij overlijden en de toepassing van de erfrechtverordening voorafgaande vragen zijn die hij ambtshalve moet opwerpen om de vraag inzake de functionele bevoegdheid van de hulprechter in het hoofdgeding te kunnen beantwoorden.
22
Volgens deze rechter kan uit de schriftelijke stukken die aan de voor het kadaster bevoegde rechter zijn overgelegd, worden afgeleid dat volgens de criteria van het Oostenrijkse recht een overeenkomst tot eigendomsoverdracht bij overlijden tot stand is gekomen ten gunste van UM. Hij vraagt zich echter af of deze akte binnen het toepassingsgebied van de erfrechtverordening valt en als een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) en d), van die verordening kan worden aangemerkt.
23
Indien dat het geval is, zijn volgens de verwijzende rechter, wat de toepasselijkheid van het door de partijen bij de overeenkomst in het hoofdgeding gekozen Oostenrijkse recht betreft, de overgangsbepalingen van de erfrechtverordening wel van toepassing, maar hij heeft twijfels over de wijze waarop hij artikel 83, lid 2, van deze verordening dient op te vatten, meer bepaald wat de door de partijen bij de overeenkomst gemaakte rechtskeuze betreft.
24
In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet artikel 3, lid 1, onder b), van [de erfrechtverordening] aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling gebezigde begrip ‘erfovereenkomst’ zich mede uitstrekt tot een tussen twee Duitse staatsburgers met gewone verblijfplaats in Duitsland gesloten overeenkomst tot schenking ter zake des doods die betrekking heeft op een in Oostenrijk gelegen onroerend goed, krachtens welke overeenkomst de begiftigde na het overlijden van de schenker jegens de nalatenschap een verbintenisrechtelijk recht op kadastrale inschrijving van zijn eigendomsrecht heeft op basis van die overeenkomst en de overlijdensakte van de schenker, dus zonder tussenkomst van de voor erfeniszaken bevoegde rechter?
- 2)
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet artikel 83, lid 2, van de erfrechtverordening aldus worden uitgelegd dat het ook bepalend is voor de geldigheid van een vóór 17 augustus 2015 gemaakte rechtskeuze met betrekking tot een als ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de erfrechtverordening aan te merken overeenkomst tot schenking ter zake des doods?’
25
Na te hebben besloten om zonder terechtzitting uitspraak te doen, heeft het Hof overeenkomstig artikel 61, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering aan partijen en aan de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden verschillende schriftelijk te beantwoorden vragen gesteld, waar UM, de Duitse en de Spaanse regering alsook de Europese Commissie op hebben geantwoord.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
26
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, onder b), van de erfrechtverordening aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij een persoon bepaalt dat de eigendom van een hem toebehorend onroerend goed bij zijn overlijden wordt overgedragen aan andere contractpartijen, een ‘erfovereenkomst’ in de zin van deze bepaling vormt.
27
Vooraf zij erop gewezen dat artikel 1, lid 2, onder g), van de erfrechtverordening ‘rechten en goederen die ontstaan, overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door middel van schenkingen’ uitsluit van de werkingssfeer van die verordening. Daarentegen vormen erfovereenkomsten zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening ‘uiterste wilsbeschikkingen’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder d), van die verordening, samen met testamenten of gemeenschappelijke testamenten.
28
In artikel 3, lid 1, onder b), van de erfrechtverordening wordt de erfovereenkomst gedefinieerd als ‘een overeenkomst, met inbegrip van een uit wederkerige testamentaire beschikkingen voortvloeiende overeenkomst, die, met of zonder tegenprestatie, rechten op de toekomstige nalatenschap of nalatenschappen van een of meer partijen bij de overeenkomst in het leven roept, wijzigt of doet vervallen’.
29
Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt uit de vereisten van eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze dienen te worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling (arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf, C-558/16, EU:C:2018:138, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Wat de bewoordingen van artikel 3, lid 1, onder b), van de erfrechtverordening betreft, moet erop worden gewezen dat deze bepaling in het algemeen betrekking heeft op een overeenkomst die met name rechten toekent op de toekomstige ‘nalatenschap’.
31
Daarbij dient te worden opgemerkt dat volgens artikel 3, lid 1, onder a), van die verordening onder ‘nalatenschap’ moet worden begrepen die ‘van een overleden persoon’, hetgeen ‘elke vorm van overgang of overdracht van goederen […] ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf’ omvat.
32
Hieruit volgt dat een overeenkomst waarbij een persoon bepaalt dat de eigendom van een hem toebehorend onroerend goed bij zijn overlijden wordt overgedragen aan andere contractpartijen en aldus rechten in zijn toekomstige nalatenschap toekent aan andere partijen bij deze overeenkomst, een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de erfrechtverordening is.
33
Deze uitlegging wordt bevestigd door de doelstelling van deze verordening, die erin bestaat om overeenkomstig het beginsel van de eenheid van de erfopvolging versnippering van de nalatenschap te voorkomen en een eenvormige regeling tot stand te brengen die van toepassing is op alle burgerrechtelijke aspecten van de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon met grensoverschrijdende gevolgen en met name op ‘elke vorm van overgang en overdracht van goederen bij overlijden’, zoals blijkt uit overweging 9 van die verordening (zie in die zin arrest van 21 juni 2018, Oberle, C-20/17, EU:C:2018:485, punten 55 en 56).
34
In dit verband zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 1, lid 2, onder g), van de erfrechtverordening met name goederen die op andere wijze dan door erfopvolging overgaan of worden overgedragen, bijvoorbeeld door middel van schenkingen, van de werkingssfeer van deze verordening zijn uitgesloten, maar dat deze uitsluiting strikt moet worden uitgelegd.
35
Hieruit volgt dat wanneer een bepaling in een overeenkomst inzake erfopvolging, net als een ‘schenking’ in de zin van artikel 1, lid 2, onder g), bestaat in een donatie maar enkel van kracht wordt bij het overlijden van de erflater, zij binnen de werkingssfeer van deze verordening valt.
36
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder b), van de erfrechtverordening aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij een persoon bepaalt dat de eigendom van een hem toebehorend onroerend goed bij zijn overlijden wordt overgedragen aan andere contractpartijen, een ‘erfovereenkomst’ in de zin van deze bepaling vormt.
Tweede vraag
37
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 83, lid 2, van de erfrechtverordening aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op het onderzoek van de geldigheid van de rechtskeuze die vóór 17 augustus 2015 is gemaakt met betrekking tot een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van die verordening.
38
Er zij aan herinnerd dat artikel 83 van die verordening, met als opschrift ‘Overgangsbepalingen’, in lid 2 bepaalt dat ‘[w]anneer de erflater het op zijn erfopvolging toepasselijke recht had gekozen vóór 17 augustus 2015, […] deze keuze geldig [is] indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III opgenomen voorwaarden, of indien zij geldig is volgens de regels van internationaal privaatrecht die op het tijdstip van de rechtskeuze golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats bezat of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had’.
39
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat deze bepaling, zoals reeds blijkt uit de bewoordingen ervan, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 22 van de erfrechtverordening, de geldigheid van de op de gehele erfopvolging toepasselijke rechtskeuze regelt. In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt — en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter — dat de keuze van het Oostenrijkse recht slechts betrekking had op de erfovereenkomst die de erflater in het hoofdgeding had gesloten met betrekking tot een van zijn goederen, en niet op de gehele erfopvolging, zodat in die omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat er is voldaan aan de voor toepassing van artikel 83, lid 2, van de erfrechtverordening gestelde voorwaarde.
40
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 83, lid 2, van de erfrechtverordening aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op het onderzoek van de geldigheid van de rechtskeuze die vóór 17 augustus 2015 is gemaakt om uitsluitend een ‘erfovereenkomst’, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening, betreffende een bepaald goed van de erflater te regelen, en niet de erfopvolging in diens nalatenschap in haar geheel.
Kosten
41
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 3, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moet aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij een persoon bepaalt dat de eigendom van een hem toebehorend onroerend goed bij zijn overlijden wordt overgedragen aan andere contractpartijen, een ‘erfovereenkomst’ in de zin van deze bepaling vormt.
- 2)
Artikel 83, lid 2, van verordening nr. 650/2012 moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op het onderzoek van de geldigheid van de rechtskeuze die vóór 17 augustus 2015 is gemaakt om uitsluitend een ‘erfovereenkomst’, in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening, betreffende een bepaald goed van de erflater te regelen, en niet de erfopvolging in diens nalatenschap in haar geheel.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑09‑2021
Conclusie 01‑07‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Verordening (EU) nr. 650/2012 — Toepassingsgebied — Uiterste wilsbeschikkingen — Begrip ‘erfovereenkomst’ — Schenking onder levenden — Keuze van het op de erfopvolging toepasselijke recht — Overgangsbepalingen — Artikel 83, leden 2 tot en met 4’
J. Richard de la Tour
Partij(en)
Zaak C-277/201.
UM
in tegenwoordigheid van
HW als nalatenschapsbeheerder van ZL
[verzoek van het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 83, lid 2, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.2.
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van de betwisting door UM, een Duitse onderdaan, van de afwijzing door de Oostenrijkse autoriteiten van zijn verzoek om inschrijving in het kadaster van het eigendomsrecht op een in Oostenrijk gelegen onroerend goed dat hij in het kader van een in Duitsland ingeleide erfopvolgingsprocedure wil doen gelden op grond van een akte van schenking ter zake des doods.
3.
Het Hof wordt derhalve verzocht om zich, afhankelijk van de wijze waarop een dergelijke akte onder levenden kan worden gekwalificeerd, uit te spreken over het toepassingsgebied van verordening nr. 650/2012 en over de uitlegging van de overgangsbepalingen daarvan.
4.
Hieronder zal ik uiteenzetten waarom een akte van schenking ter zake des doods naar mijn mening kan worden aangemerkt als een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 650/2012 en welke gevolgen voor wat betreft de geldigheid van de gemaakte keuze inzake het toepasselijke recht — waarvan de bevoegdheid van de aangezochte rechter afhangt — daaraan moeten worden verbonden.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Verordening nr. 650/2012
5.
De overwegingen 9, 11, 14, 37 en 49 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:
- ‘(9)
Het toepassingsgebied van deze verordening moet alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon omvatten, namelijk elke vorm van overgang en overdracht van goederen, rechten en verplichtingen bij overlijden, ongeacht of het gaat om een onder een uiterste wilsbeschikking vrijwillige overgang en overdracht dan wel om overgang in het geval van erfopvolging bij versterf.
[…]
- (11)
Deze verordening dient niet van toepassing te zijn op andere onderdelen van het burgerlijk recht dan het erfrecht. Een aantal zaken die geacht kunnen worden verband te houden met het erfrecht, dienen ten behoeve van de duidelijkheid uitdrukkelijk te worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening.
[…]
- (14)
Rechten en goederen die op een andere wijze dan door erfopvolging zijn ontstaan of zijn overgedragen, bijvoorbeeld door schenking, moeten eveneens van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten. Het is niettemin het recht dat krachtens deze verordening is aangewezen als het op de erfopvolging toepasselijke recht, dat bepaalt of schenkingen of andere vormen van beschikking onder de levenden met zakenrechtelijke werking voorafgaand aan het overlijden, het voorwerp zullen uitmaken van inbreng of inkorting met het oog op de berekening van de erfdelen van de rechthebbenden volgens het op de erfopvolging toepasselijke recht.
[…]
- (37)
Om burgers zonder verlies aan rechtszekerheid te laten profiteren van de voordelen van de interne markt, moet deze verordening het hun mogelijk maken van tevoren het recht te kennen dat op hun nalatenschap van toepassing zal zijn. Geharmoniseerde collisieregels moeten worden vastgesteld om tegenstrijdige uitkomsten te voorkomen. De hoofdregel moet ervoor zorgen dat de erfopvolging op voorzienbare wijze wordt beheerst door een recht waarmee het nauw verbonden is. Dat recht moet, ter wille van de rechtszekerheid en om versnippering van de nalatenschap te voorkomen, de gehele erfopvolging beheersen, dat wil zeggen alle bestanddelen ervan, ongeacht hun aard en ongeacht de vraag of deze zich in een andere lidstaat dan wel in een derde staat bevinden.
[…]
- (49)
De erfovereenkomst is een vorm van uiterste wilsbeschikking waarvan de toelaatbaarheid en aanvaarding van lidstaat tot lidstaat verschilt. Om het eenvoudiger te maken dat ingevolge een erfovereenkomst verkregen erfrechten in de lidstaten worden aanvaard, moet in deze verordening duidelijk worden aangegeven welk recht van toepassing is op de toelaatbaarheid van zulke overeenkomsten, op de materiële geldigheid ervan, en op de rechtsgevolgen tussen de partijen, met inbegrip van de voorwaarden voor ontbinding van dergelijke overeenkomsten.’
6.
Artikel 1 van verordening nr. 650/2012, dat het opschrift ‘Toepassingsgebied’ draagt, bepaalt in lid 1 en lid 2, onder g):
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. […]
- 2.
Deze verordening is niet van toepassing op:
[…]
- g)
rechten en goederen die ontstaan, overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door middel van schenkingen, gemeenschappelijk eigendom dat overgaat op de langstlevende, pensioenregelingen, verzekeringsovereenkomsten en regelingen van soortgelijke aard, onverminderd artikel 23, lid 2, onder i);
[…]’
7.
Artikel 3 van verordening nr. 650/2012, met het opschrift ‘Definities’, bepaalt in lid 1, onder a), b) en d):
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
- a)
‘erfopvolging’: de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen elke vorm van overgang of overdracht van goederen, rechten en verplichtingen naar aanleiding van een overlijden, ongeacht of het gaat om een vrijwillige overgang of overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking, dan wel om een overgang middels erfopvolging bij versterf;
- b)
‘erfovereenkomst’: een overeenkomst, met inbegrip van een uit wederkerige testamentaire beschikkingen voortvloeiende overeenkomst, die, met of zonder tegenprestatie, rechten op de toekomstige nalatenschap of nalatenschappen van een of meer partijen bij de overeenkomst in het leven roept, wijzigt of doet vervallen;
[…]
- d)
‘uiterste wilsbeschikking’: een testament, een gemeenschappelijk testament of een erfovereenkomst;
[…]’
8.
Artikel 21 van verordening nr. 650/2012, ‘Algemene regel’, dat is opgenomen in hoofdstuk III, getiteld ‘Toepasselijk recht’, bepaalt:
- ‘1.
Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is op de erfopvolging in haar geheel het recht van de staat van toepassing, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.
- 2.
Als, bij wijze van uitzondering, uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de erflater op het tijdstip van overlijden een kennelijk nauwere band had met een andere staat dan de staat van welke het recht op grond van lid 1 van toepassing zou zijn, is het recht van die andere staat op de erfopvolging van toepassing.’
9.
Artikel 22, leden 1 en 2, van verordening nr. 650/2012, dat het opschrift ‘Rechtskeuze’ draagt, luidt als volgt:
- ‘1.
Een persoon kan als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, het recht van de staat kiezen, waarvan hij op het tijdstip van de rechtskeuze of op het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit.
[…]
- 2.
De rechtskeuze wordt uitdrukkelijk gedaan in een verklaring in de vorm van een uiterste wilsbeschikking of blijkt duidelijk uit de bewoordingen van die beschikking.’
10.
Artikel 23 van deze verordening, ‘Toepassingsgebied van het toepasselijke recht’, bepaalt in lid 1 en lid 2, onder i):
- ‘1.
Het krachtens artikel 21 of artikel 22 aangewezen recht beheerst de vererving van de gehele nalatenschap.
- 2.
Dit recht regelt in het bijzonder:
[…]
- i)
de verplichting tot inbreng en inkorting van schenkingen, voorschotten of legaten bij het vaststellen van de erfdelen van de verschillende rechthebbenden, […]
[…]’
11.
Artikel 25 van deze verordening, met het opschrift ‘Erfovereenkomsten’, bepaalt in de leden 1 en 3 ervan:
- ‘1.
Wanneer een erfovereenkomst betrekking heeft op de erfopvolging van één persoon, worden de toelaatbaarheid, de materiële geldigheid, en de rechtsgevolgen tussen de partijen, daaronder begrepen de voorwaarden voor ontbinding, bepaald door het recht dat ingevolge deze verordening van toepassing zou zijn geweest op de erfopvolging van deze persoon, mocht hij zijn overleden op de dag waarop de overeenkomst is gesloten.
[…]
- 3.
Niettegenstaande de leden 1 en 2 kunnen de partijen ervoor kiezen dat hun erfovereenkomst, wat betreft de toelaatbaarheid, de materiële geldigheid, en de rechtsgevolgen tussen de partijen, met inbegrip van voorwaarden voor ontbinding, wordt beheerst door het recht dat de persoon of een van de personen van wie de erfopvolging in het geding is op grond van artikel 22 en onder de daarin bepaalde voorwaarden had kunnen kiezen.’
12.
Artikel 83 van verordening nr. 650/2012, ‘Overgangsbepalingen’, bepaalt in de leden 2 tot en met 4 ervan:
- ‘2.
Wanneer de erflater het op zijn erfopvolging toepasselijke recht had gekozen vóór 17 augustus 2015, is deze keuze geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III opgenomen voorwaarden, of indien zij geldig is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip van de rechtskeuze golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats bezat of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had.
- 3.
Een uiterste wilsbeschikking die is gemaakt vóór 17 augustus 2015, is toelaatbaar en materieel en formeel geldig indien zij voldoet aan de in hoofdstuk III opgenomen voorwaarden, of indien zij toelaatbaar en materieel en formeel geldig is volgens de regels van het internationaal privaatrecht die op het tijdstip waarop de wilsbeschikking is gemaakt, golden in de staat waar de erflater zijn gewone verblijfplaats bezat of in een van de staten waarvan hij de nationaliteit had of in de lidstaat van de autoriteit die de erfopvolging behandelt.
- 4.
Indien een uiterste wilsbeschikking is opgesteld [vóór] 17 augustus 2015, in overeenstemming met het recht dat de erflater op grond van deze verordening had kunnen kiezen, geldt dat recht als het op de erfopvolging toepasselijke recht.’
B. Oostenrijks recht
13.
§ 956 van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek) in de hier toepasselijke versie van vóór de inwerkingtreding van het Erbrechtsänderungsgesetz 2015 (wet tot wijziging van het erfrecht 2015)3. van 30 juli 2015 luidde als volgt:
‘Een schenking die pas na het overlijden van de schenker dient plaats te vinden, heeft — mits aan de vormvoorschriften is voldaan — dezelfde geldigheid als een testament. Zij kan enkel als een overeenkomst worden beschouwd als zij door de begiftigde is aanvaard, de schenker uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn herroepingsrecht en een daartoe strekkende schriftelijke akte aan de begiftigde is verstrekt.’
14.
§ 1, lid 1, onder d), van het Notariatsaktsgesetz (wet inzake notariële akten)4. van 25 juli 1871 in de versie zoals die ten tijde van het hoofdgeding gold, stelt de geldigheid van een schenkingsovereenkomst zonder feitelijke overdracht afhankelijk van het verlijden van een notariële akte.
15.
§ 26 van het Allgemeine Grundbuchsgesetz (kadasterwet)5. van 2 februari 1955 in de ten tijde van het hoofdgeding geldende versie luidt als volgt:
- ‘(1)
Inschrijvingen en voorlopige aantekeningen van wijziging in het kadaster kunnen enkel plaatsvinden op basis van akten die zijn opgesteld in de voor de geldigheid ervan voorgeschreven vorm.
- (2)
Ingeval het gaat om de verwerving of wijziging van een zakelijk recht, moeten deze akten een geldige rechtsgrond bevatten.’
16.
§ 2, punt 3, van het Rechtspflegergesetz (wet betreffende hulprechters)6. van 12 december 1985 in de ten tijde van het hoofdgeding geldende versie luidt als volgt:
‘Een gerechtelijk ambtenaar kan voor de navolgende aangelegenheden tot hulprechter worden benoemd:
[…]
- 3.
Kadaster- en scheepsregisterzaken’.
17.
§ 16, lid 2, punt 6, van deze wet bepaalt:
‘Aan de rechter blijven steeds voorbehouden:
[…]
- 6.
beslissingen waarbij buitenlands recht moet worden toegepast.’
III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18.
ZL, een Duitse staatsburger die op het tijdstip van overlijden op 13 mei 2018 zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had, had op 22 juli 1975 een overeenkomst gesloten met zijn zoon, UM, eveneens een Duitse staatsburger, en diens echtgenote, XU, die de Oostenrijkse nationaliteit had, welke overeenkomst voorzag in de overdracht bij zijn overlijden van een in Oostenrijk gelegen onroerend goed aan hen beiden, elk voor de helft. Op het moment waarop de overeenkomst werd gesloten, hadden alle partijen hun gewone verblijfplaats in Duitsland.
19.
Deze overeenkomst hield in dat ZL een onroerend goed zou verwerven onder de volgende voorwaarden:
‘[…]
- b)
ZL verbindt zich ertoe om binnen tien jaar na sluiting van de overeenkomst een tweegezinswoning te bouwen op dit onroerend goed, dat dan eigendom van hem zal zijn. Deze verplichting gaat over op zijn erfgenamen voor zover zij tijdens zijn leven niet is nagekomen. […]
- c)
ZL draagt voormeld onroerend goed bij zijn overlijden over aan XU en UM voor elk de helft, samen met alles wat op het tijdstip van zijn overlijden met het onroerend goed verbonden is, met name het huis daarop […]. De overdracht vindt plaats na het overlijden van ZL, maar niet voordat het huis is voltooid. Voor de overdracht geldt als voorwaarde dat ten tijde van het overlijden van ZL het huwelijk tussen [UM en XU] niet is ontbonden, alsmede dat XU ZL overleeft. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, wordt de overdracht bij overlijden geacht uitsluitend plaats te vinden ten gunste van UM; het recht uit de te sluiten overeenkomst kan vóór het overlijden van ZL vererven.
- d)
Voor zover voor deze overdracht geen tegenprestaties bedongen zijn, geschiedt de overdracht bij overlijden in de vorm van een schenking, zoals ZL uitdrukkelijk verklaart. Hij ziet ervan af deze overeenkomst te herroepen.
- e)
Als gedeeltelijke tegenprestatie voor de overdracht zijn [UM en XU] verplicht om […] de moeder van XU het recht te geven om in het te bouwen huis te wonen […].
- f)
Op de rechtsbetrekkingen die voortvloeien uit de te sluiten overeenkomsten, is het Oostenrijkse recht van toepassing […].
- g)
ZL verbindt zich ertoe om het onroerend goed dat zijn eigendom is, niet zonder toestemming van UM en XU te vervreemden of te bezwaren, opdat hun rechten uit de overeenkomst tot overdracht bij overlijden gewaarborgd zijn. […]
- h)
ZL hecht zijn goedkeuring aan de voor het in de overeenkomst bedoelde perceel nog te verrichten inschrijving in het kadaster van de kadastrale gemeente […]
- aa)
[…]
- bb)
op basis van deze overeenkomst en de officiële overlijdensakte van ZL, de inschrijving van het eigendomsrecht voor elk de helft op gezamenlijk verzoek ten gunste van [UM en XU] of de inschrijving van het eigendomsrecht enkel ten gunste van UM op zijn verzoek, mits het bewijs wordt geleverd dat voldaan is aan de voorwaarde voor de overdracht van het onroerend goed aan hem alleen.
[…]’.
20.
Ten tijde van het overlijden van ZL was XU, die inmiddels van UM was gescheiden, reeds overleden, namelijk op 5 november 2005, en was er nog geen huis gebouwd.
21.
De erfopvolgingsprocedure is aanhangig bij het Amtsgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland). Met het oog daarop heeft UM de bevoegde rechter, het Bezirksgericht Hermagor (rechter in eerste aanleg Hermagor, Oostenrijk), verzocht zijn eigendomsrecht op het betrokken onroerend goed in te schrijven in het kadaster, met het betoog dat hij bij het overlijden van zijn vader de enige begunstigde van de schenkingsakte was. De met de behandeling van het verzoek van UM belaste Rechtspfleger van dit gerecht (hulprechter, Oostenrijk) was van oordeel dat het Oostenrijkse recht het toepasselijke recht was en heeft dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van schriftelijke bewijzen dat was voldaan aan de voorwaarden van de overeenkomst waarop UM zich beriep. Het Landesgericht Klagenfurt (rechter in tweede aanleg Klagenfurt, Oostenrijk) heeft deze beslissing bevestigd op grond dat verordening nr. 650/2012 niet van toepassing was wegens de in die overeenkomst gemaakte rechtskeuze voor Oostenrijks recht en dat de overdracht van het onroerend goed op basis van de schenking ter zake des doods niet kon plaatsvinden zonder bewijs van de bouw van de woning zoals in die overeenkomst was bepaald. Tegen deze beslissing is beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk).
22.
Na te hebben overwogen dat uit de schriftelijke stukken die aan de voor het kadaster bevoegde rechter zijn overgelegd, kan worden opgemaakt dat naar de criteria van het Oostenrijkse recht een akte van schenking ter zake des doods ten gunste van UM tot stand was gekomen, heeft deze rechterlijke instantie geoordeeld dat deze akte binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 650/2012 valt en zou kunnen worden gekwalificeerd als een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) of d), van die verordening.
23.
Wat de toepassing van het door de contractspartijen gekozen Oostenrijkse recht betreft, is het Oberste Gerichtshof van oordeel dat de overgangsbepalingen van deze verordening van toepassing zijn, en koestert deze rechter twijfel omtrent de uitlegging van artikel 83, lid 2, van deze verordening met betrekking tot de toepasselijkheid ervan op de rechtskeuze in een erfovereenkomst.
24.
In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet artikel 3, lid 1, onder b), van [verordening nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling gebezigde begrip ‘erfovereenkomst’ zich mede uitstrekt tot een tussen twee Duitse staatsburgers met gewone verblijfplaats in Duitsland gesloten overeenkomst tot schenking ter zake des doods die betrekking heeft op een in Oostenrijk gelegen onroerend goed, krachtens welke overeenkomst de begiftigde na het overlijden van de schenker jegens de nalatenschap een verbintenisrechtelijk recht op kadastrale inschrijving van zijn eigendomsrecht heeft op basis van die overeenkomst en de overlijdensakte van de schenker, dus zonder tussenkomst van de voor erfeniszaken bevoegde rechter?
- 2)
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet artikel 83, lid 2, van [verordening nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat het ook bepalend is voor de geldigheid van een vóór 17 augustus 2015 gemaakte rechtskeuze met betrekking tot een als erfovereenkomst in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van [verordening nr. 650/2012] aan te merken overeenkomst tot schenking ter zake des doods?’
25.
Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door UM, de Spaanse regering en de Europese Commissie. Deze deelnemers aan de procedure alsook de Duitse regering hebben binnen de gestelde termijnen geantwoord op de schriftelijke vragen van het Hof.
IV. Analyse
26.
Gelet op het doel van verordening nr. 650/2012 acht ik het van belang om vooraf te benadrukken dat het verzoek om een prejudiciële beslissing, dat betrekking heeft op de toepasselijkheid van deze verordening, wordt gedaan in het kader van een nationale procedure tot erkenning van de verlening van rechten op een in Oostenrijk gelegen onroerend goed dat het voorwerp was van een schenking ter zake des doods7., met het oog op de inschrijving daarvan in het kadaster. De erfopvolgingsprocedure is in een andere lidstaat ingeleid. Het is dus voor het eerst dat het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt gedaan in de — ruimere — context van het onderzoek van een eigendomsrecht in plaats van binnen het — meer beperkte — bestek van de erfopvolging, aangezien de door UM aangezochte autoriteit niet belast is met het geven van beslissingen of het uitvaardigen van akten die daarmee rechtstreeks verband houden. Bovendien heeft de verwijzende rechter gepreciseerd dat zijn verzoek ertoe strekt, de bevoegdheid na te gaan van de autoriteit die het verzoek van UM heeft afgewezen. Die bevoegdheid hangt af van de vraag of het Oostenrijkse recht van toepassing is.8.
A. Eerste prejudiciële vraag
27.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘erfovereenkomst’ ook betrekking heeft op een schenking onder levenden waarbij de eigendom van een aan de schenker toebehorend goed pas bij diens overlijden wordt overgedragen.
28.
In de eerste plaats moet worden gepreciseerd dat de vraag over de toepasselijkheid van deze verordening gerechtvaardigd is:
- —
ratione temporis volgens artikel 83, lid 1, aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de erfopvolging van ZL, die na 17 augustus 2015 is overleden;
- —
wegens de grensoverschrijdende gevolgen van de erfopvolging, aangezien de erflater zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had en het hoofdgeding betrekking heeft op een hem toebehorend onroerend goed dat in Oostenrijk is gelegen9., en
- —
aangezien het geding betrekking heeft op de voorwaarden waaronder een recht wordt verworven in het kader van een erfopvolging, met het oog op de inschrijving ervan in het kadaster, en niet op de voor die inschrijving geldende voorschriften, die niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 vallen.10.
29.
In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, bij gebreke van bepalingen betreffende schenkingen ter zake des doods in verordening nr. 650/201211., verschillende elementen uit die verordening moeten worden gedistilleerd teneinde te bepalen of dergelijke overeenkomsten als een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van deze verordening kunnen worden gekwalificeerd, zoals de verwijzende rechter, UM, de Duitse regering en de Commissie betogen, dan wel als een schenking in de zin van artikel 1, lid 2, onder g), van deze verordening, zoals de Spaanse regering betoogt.
30.
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat de bewoordingen van een bepaling van Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze dient te worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context van deze bepaling en de doelstelling van de betrokken regeling.12.
31.
Wat de letterlijke uitlegging van de in casu toepasselijke bepalingen van verordening nr. 650/2012 aangaat, merk ik ten eerste op dat deze verordening volgens artikel 1, lid 1, eerste volzin, van toepassing is op ‘de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen’. Artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening preciseert dat onder ‘erfopvolging’ wordt verstaan de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon, waaronder wordt begrepen ‘elke vorm van overgang of overdracht van goederen […] naar aanleiding van een overlijden’.13. Deze definitie is een afspiegeling van overweging 9 van voornoemde verordening, waarin staat dat deze verordening van toepassing dient te zijn op ‘alle burgerrechtelijke aspecten van erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon’.14.
32.
Daarbij wordt gedoeld op twee vormen van overgang en overdracht van goederen naar aanleiding van een overlijden, namelijk een vrijwillige overgang en overdracht krachtens een uiterste wilsbeschikking en een overgang in het kader van erfopvolging bij versterf.
33.
Artikel 3, lid 1, onder d), van verordening nr. 650/2012 preciseert dat de term ‘uiterste wilsbeschikking’ ‘een testament, een gemeenschappelijk testament of een erfovereenkomst’ omvat. Deze overeenkomst wordt in dit artikel onder b) in wezen omschreven als een overeenkomst die rechten op de toekomstige nalatenschap van een of meer partijen bij deze overeenkomst in het leven roept.
34.
Ten tweede moeten deze definities, die autonome begrippen vormen15. voor zover zij de uniforme toepassing van verordening nr. 650/2012, onafhankelijk van het recht van de lidstaten, beogen te waarborgen, in samenhang worden gelezen met de in artikel 1, lid 2, onder g), neergelegde uitsluiting van het toepassingsgebied van deze verordening van de ‘rechten en goederen die […] overgaan of worden overgedragen op andere wijze dan door erfopvolging, bijvoorbeeld door middel van schenkingen’16..17.
35.
Gelet op het begrip ‘erfopvolging’18. en bij gebreke van een definitie van de begrippen schenking en testament, is de vraag aan de orde aan de hand van welk criterium schenkingen19. kunnen worden onderscheiden van uiterste wilsbeschikkingen, zulks met het oog op een uniforme uitlegging van deze begrippen.
36.
Ik merk om te beginnen op dat in overweging 14 van verordening nr. 650/2012, in het licht waarvan artikel 1, lid 2, onder g), van deze verordening moet worden gelezen, de bewoordingen ‘schenkingen of andere vormen van beschikking onder de levenden met zakenrechtelijke werking voorafgaand aan het overlijden’ worden gebezigd.20.
37.
Naar mijn mening moet hieruit worden afgeleid, ook door te rade te gaan met de twee andere vormen van overgang en overdracht van rechten en goederen als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder g), van verordening nr. 650/2012, te weten gemeenschappelijk eigendom dat overgaat op de langstlevende, pensioenregelingen, verzekeringsovereenkomsten en regelingen van soortgelijke aard, dat de Uniewetgever overeenkomsten onder levenden waarbij rechten ontstaan voordat de houder van die rechten is overleden of waarbij goederen in beginsel buiten het kader van de erfopvolging worden overgedragen, van het toepassingsgebied van deze verordening heeft willen uitsluiten.
38.
Vervolgens wijs ik erop dat artikel 1, lid 2, onder g), van verordening nr. 650/2012 geïnspireerd is op artikel 1, lid 2, onder d), van het op 1 augustus 1989 te Den Haag ondertekende Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging21., dat nooit in werking is getreden. In het toelichtend rapport (Explanatory Report) bij dit Verdrag22. wordt verduidelijkt dat voornoemd artikel 1, lid 2, onder d), een zeer ruim toepassingsgebied heeft dat alle beschikkingen met uitzondering van uiterste wilsbeschikkingen omvat, maar dat het transacties onder levenden uitsluit wanneer het eigendomsrecht ontstaat bij overlijden.
39.
Ten slotte wil ik benadrukken dat hier sprake is van een uitsluiting van het toepassingsgebied van verordening nr. 650/2012, die ertoe strekt dat de vererving van de gehele nalatenschap door één enkel recht wordt beheerst, zodat artikel 1, lid 2, onder g), van deze verordening strikt moet worden uitgelegd, ook al vallen schenkingen niet volledig buiten de werkingssfeer van het erfrecht.23.
40.
Derhalve kunnen niet als ‘schenkingen’ in de zin van artikel 1, lid 2, onder g), worden aangemerkt schenkingen bij overlijden waarbij aan de begiftigde pas op het tijdstip van overlijden van de erflater een recht op tot diens vermogen behorende goederen wordt verleend, mits hij de erflater overleeft, en waarbij dus de voorwaarden voor de overdracht van de nalatenschap worden geregeld. Met andere woorden, het belangrijkste criterium is het bepalen van de rechten van de begiftigde met betrekking tot de goederen uit de nalatenschapsboedel ten opzichte van de andere erfgenamen, op een nog niet opengevallen nalatenschap.24.
41.
Voor zover het overlijden van de schenker een voorwaarde dient te zijn voor deze overdracht van rechten en niet voor de concrete uitvoering ervan25., en de schenking voortvloeit uit een onherroepelijke overeenkomst26. tussen partijen over de eigendomsrechten die ontstaan bij overlijden op goederen die alsdan het vermogen van de erflater zullen vormen27., kan de schenking bij overlijden (of, met andere woorden, elke overeenkomst met betrekking tot de overgang of overdracht van eigendomsrechten bij overlijden) naar mijn mening worden aangemerkt als een ‘erfovereenkomst’ in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 650/2012, als autonoom begrip28., ook al heeft deze overeenkomst geen betrekking op de gehele erfopvolging in de nalatenschap29. of betreft zij goederen die de schenker ten tijde van de sluiting van de overeenkomst nog niet bezat.
42.
Bijgevolg moet worden ingegaan op de kwestie van de uiteenlopende rechtsregelingen van schenkingen ter zake des doods en erfovereenkomsten, zoals dit met betrekking tot laatstgenoemde categorie aan de orde is gesteld in overweging 49 van verordening nr. 650/2012 en zoals dit ook is benadrukt in de schriftelijke opmerkingen van partijen en in de doctrine30., zulks teneinde een uniforme toepassing van deze verordening te waarborgen.
43.
In dit verband deel ik het standpunt van verschillende auteurs dat de kwalificatie van de overeenkomst zou moeten voortvloeien uit de toepassing van het recht dat van toepassing is op erfovereenkomsten, zoals bepaald in artikel 25 van verordening nr. 650/2012.31.
44.
Een dergelijke uitlegging strookt met het doel van deze verordening, die ertoe strekt erfgenamen en legatarissen, andere personen die de erflater na staan en schuldeisers van de nalatenschap te helpen hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen, en Unieburgers in staat te stellen op voorhand hun erfopvolging voor te bereiden.32.
45.
Daarnaast voorziet verordening nr. 650/2012, ter wille van de rechtszekerheid en om versnippering van de nalatenschap te voorkomen33., voor de erfopvolging in haar geheel in de eenheid van het erfrecht, hetgeen gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de gerechten om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel34., door aan te sluiten bij het recht van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had (volgens artikel 21 van deze verordening) of bij het recht van de staat waarvan de erflater de nationaliteit bezat (volgens artikel 22 van deze verordening).
46.
Om deze bepalingen zo goed mogelijk af te stemmen op de doelstellingen van verordening nr. 650/2012 heeft de Uniewetgever bovendien een aantal voorzieningen getroffen op het gebied van onder meer het beginsel van eenheid van de nalatenschap.35. Dit is het geval, zoals de Duitse regering in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van het Hof onderstreept, bij artikel 25 van deze verordening, dat moet worden gelezen in het licht van overweging 49 en dat — in soortgelijke bewoordingen als artikel 24 van deze verordening met betrekking tot andere vormen van uiterste wilsbeschikkingen — bepaalt dat erfovereenkomsten worden geregeld door het recht dat van toepassing is op de erfopvolging op de dag waarop zij zijn gesloten.
47.
In deze omstandigheden ben ik, anders dan de Spaanse regering, van mening dat de kwalificatie van een schenking ter zake des doods als ‘erfovereenkomst’ niet tot een versplintering van de nalatenschap leidt, maar dat het aan de bij de overgang en overdracht van (een) tot het vermogen van de erflater behorend(e) goed of goederen betrokken partijen de vereiste rechtszekerheid in geval van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen garandeert.
48.
Een tegengestelde uitlegging zou tot gevolg hebben dat andere overeenkomsten die plegen te worden gesloten om de afwikkeling van een nalatenschap vooraf te regelen en die aanleiding tot dezelfde vragen geven, zoals schenkingen aan de langstlevende of gedeelde schenkingen, van het toepassingsgebied worden uitgesloten.36.
49.
Alsdan zou een groot aantal overeenkomsten die van belang zijn voor het regelen van de erfopvolging afhankelijk van het geval moeten worden onderworpen aan hetzij verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)37., hetzij de nationale voorschriften of de verdragsregels van de betrokken staat38., hetgeen ernstig afbreuk zou dreigen te doen aan het beginsel van de eenheid van het erfrecht.
50.
In casu heeft het hoofdgeding betrekking op een overeenkomst tot overdracht van de eigendom van een onroerend goed, welke overdracht onder bepaalde voorwaarden zou plaatsvinden bij het overlijden van de vader van de verzoekende partij.39. Indien die overeenkomst, zoals ik denk, de kenmerken van een erfovereenkomst in de zin van verordening nr. 650/2012 vertoont, zou die kwalificatie moeten afhangen van het toepasselijke erfrecht, zoals ik heb voorgesteld.40.
51.
Om deze redenen ben ik van mening dat artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘erfovereenkomst’ ook betrekking heeft op een schenking onder levenden waarbij de overdracht aan de begiftigde van de eigendom van een goed dat of goederen die slechts een deel van de nalatenschapsboedel van de schenker vormt/vormen, pas bij diens overlijden plaatsvindt.
B. Tweede prejudiciële vraag
52.
De verwijzende rechter vraagt zich af of de keuze voor het Oostenrijkse recht in de in het hoofdgeding centraal staande overeenkomst geldig is41. in het licht van de overgangsbepalingen van verordening nr. 650/2012, waarmee hij doelt op artikel 83, lid 2, ervan, dat naar de voorwaarden van artikel 22 van deze verordening, met het opschrift ‘Rechtskeuze’, verwijst.
53.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, wordt in de Duitse taalversie van artikel 22 van verordening nr. 650/2012, in tegenstelling tot andere taalversies42., niet gepreciseerd dat de rechtskeuze betrekking moet hebben op de gehele erfopvolging.
54.
Dienaangaande is van belang dat het Hof in een kort na de indiening van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing gewezen arrest heeft geoordeeld dat uit dit artikel 22 voortvloeit dat een persoon het recht kan kiezen dat ‘zijn erfopvolging in het geheel beheerst’ en dat artikel 83, lid 2, van deze verordening ziet op het geval waarin de erflater het ‘op zijn erfopvolging toepasselijke recht’ had gekozen vóór 17 augustus 2015.43.
55.
Net als de Commissie ben ik dan ook van mening dat het antwoord van het Hof geen betrekking kan hebben op de uitlegging van deze bepaling, aangezien uit de vaststellingen van de verwijzende rechter volgt dat partijen het Oostenrijkse recht hebben gekozen om te worden toegepast op hun onderlinge rechtsbetrekkingen en niet om de erfopvolging in haar geheel te beheersen.
56.
Gelet op de omstandigheden waarin deze tweede prejudiciële vraag wordt gesteld, acht ik het echter nuttig mijn analyse van de overgangsbepalingen te vervolledigen met de opmerking dat een uiterste wilsbeschikking die vóór 17 augustus 2015 is opgesteld door een na die datum overleden schenker, geldig is overeenkomstig artikel 83, lid 3, van verordening nr. 650/2012, indien voldaan is aan de voorwaarden van het recht dat volgens de bepalingen van hoofdstuk III en meer concreet van artikel 25, dat van toepassing is op erfovereenkomsten, is aangewezen of, bij gebreke daarvan, volgens de conflictregels die vóór de inwerkingtreding van deze verordening van kracht waren.
57.
Zoals de Commissie heeft aangegeven, zouden in casu bovendien consequenties voor de bevoegdheid van de aangezochte rechter betreffende de kwalificatie van de betrokken overeenkomst moeten worden verbonden aan de vaststelling dat artikel 83, lid 2, van verordening nr. 650/2012, bij gebreke van een rechtskeuze die de erfopvolging in haar geheel44. beheerst, niet van toepassing is, waarmee dus volgens mij ook lid 4 van dit artikel niet van toepassing is.45. Aangezien de erflater niet volgens deze verordening voor het Oostenrijkse recht kon kiezen, kan dat recht immers niet worden geacht te zijn gekozen als het op de erfopvolging toepasselijke recht.46.
58.
In die omstandigheden ben ik van mening dat de tweede prejudiciële vraag niet hoeft te worden beantwoord.
V. Conclusie
59.
In het licht van deze overwegingen stel ik het Hof voor om het Oberste Gerichtshof te antwoorden als volgt:
‘Artikel 3, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip ‘erfovereenkomst’ ook betrekking heeft op een schenking onder levenden waarbij de overdracht aan de begiftigde van de eigendom van een goed dat of goederen die slechts een deel van de nalatenschapsboedel van de schenker vormt/vormen, pas bij diens overlijden plaatsvindt.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑07‑2021
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2012, L 201, blz. 107.
BGBl. I nr. 87/2015.
RGBl. nr. 76/1871, laatstelijk gewijzigd bij BGBl. nr. 98/2001.
BGBl. nr. 39/1955.
BGBl. nr. 560/1985.
Dezelfde vraag had ook kunnen worden gesteld indien een verzoek om een Europese erfrechtverklaring was ingediend, die is bedoeld om de in die verklaring genoemde erfgenamen, legatarissen of rechthebbenden in staat te stellen in een andere lidstaat het bewijs te leveren van hun hoedanigheid en hun rechten op de nalatenschap. Zie in dat verband arresten van 1 maart 2018, Mahnkopf (C-558/16, EU:C:2018:138, punten 36 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 45).
Zie, met betrekking tot de voorwaarden voor de uitvoering van de nationale procedure, punten 16 en 17 van deze conclusie.
Zie arrest van 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punten 34–36 en punten 42 en 43).
Zie overweging 18 en artikel 1, lid 2, onder l), van verordening nr. 650/2012 en arrest van 12 oktober 2017, Kubicka (C-218/16, EU:C:2017:755, punt 54).
Dit is het geval van de Franse versie. In de Spaanse versie van artikel 23, lid 2, onder i), van deze verordening komt echter de term ‘donaciones’ voor, zulks in tegenstelling tot andere taalversies, zoals onder meer de Duitse, de Engelse, de Italiaanse of de Roemeense versie. Ik wil hierbij preciseren dat deze verschillen niet van invloed zijn op de uitlegging van de in casu in geding zijnde bepalingen van deze verordening.
Zie arrest van 23 mei 2019, WB (C-658/17, EU:C:2019:444, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Cursivering van mij.
Cursivering van mij. Deze formulering is door het Hof gebezigd in de arresten van 1 maart 2018, Mahnkopf (C-558/16, EU:C:2018:138, punt 34), en 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 30).
Zie in dit verband Bonomi, A., ‘Artikel 1. Champ d'application’ in Bonomi, A., en Wautelet, P., Le droit européen des succession, Commentaire du règlement (UE) no 650/2012, du 4 juillet 2012, 2e druk, Bruylant, Brussel, 2016, blz. 73–139, met name punt 2, blz. 75, en Looschelders, D., ‘Artikel 3 EuErbVO’, in Hüßtege, R., en Mansel, H.-P., Rom-Verordnungen, 2e druk, Nomos, Baden-Baden, 2015, blz. 839–847, met name punt 8, blz. 841 en 842.
Cursivering van mij.
De limitatieve aard van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde uitzonderingen, inzonderheid in kwesties die verband houden met het huwelijksvermogensrecht, stond ook centraal in het arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf (C-558/16, EU:C:2018:138, punt 33).
Zie punt 31 van deze conclusie.
Dienaangaande merkt Marie Goré op dat de ‘geanticipeerde erfopvolging niet in al haar aspecten geheel doordacht is’ (Goré, M., ‘Les silences du règlement européen sur les successions internationales’, Droit et Patrimoine, Lamy, Parijs, 2013, nr. 224, blz. 34–37, met name blz. 6).
Cursivering van mij.
Beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.hcch.net/fr/instruments/conventions/full-text/?cid=62. De zinsnede ‘bijvoorbeeld door schenking’ is toegevoegd in verordening nr. 650/2012. Zie overweging 9 en artikel 1, lid 3, onder f), van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring [COM(2009) 154 final], die door het Parlement zijn geherformuleerd in zijn verslag van 6 maart 2012 naar aanleiding van dit voorstel (A7-0045/2012), voor zover het de bewoordingen van de uitsluiting betrof.
Zie toelichtend rapport van Donovan W. M. Waters, beschikbaar op het volgende internetadres: https://assets.hcch.net/docs/ed641835-352a-4fe0-a378-5bf4222086c8.pdf [punten 41 (blz. 542) en 92 (blz. 574)].
Zie artikel 23, lid 2, onder i), van verordening nr. 650/2012.
Zie naar analogie arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf (C-558/16, EU:C:2018:138, punt 40).
Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen schenkingen ter zake des doods en schenkingen waarbij rechten terstond worden overgedragen maar de bezitsoverdracht pas later plaatsvindt, bijvoorbeeld op het moment van overlijden van de schenker. Zie in die zin Boulanger, D., ‘Le renouvellement du traitement de l'anticipation successorale au travers du règlement (UE) du 4 juillet 2012’, La Semaine Juridique — Notariale et Immobilière, LexisNexis, Paris, nr. 27, blz. 39–44, met name punt 15, blz. 41. Dienaangaande merk ik op dat de in de Franse versie van de processtukken gebezigde uitdrukking ‘remise du bien’ (‘levering van het goed’) niet tot verwarring zou moeten leiden. Naar mijn weten moet namelijk worden uitgegaan van het Abstraktionsprinzip, op grond waarvan de overdracht van een onroerend goed zowel de overdracht van het eigendomsrecht (bijvoorbeeld de koopakte) als de materiële levering van het goed (bijvoorbeeld door inschrijving in het kadaster) omvat. Voor het onderscheid tussen uitvoering tijdens het leven van de schenker en uitvoering bij het overlijden van de schenker, zie Looschelders, D., ‘Artikel 1 EuErbVO’, in Hüßtege, R., en Mansel, H.-P., Rom-Verordnungen, reeds aangehaald, blz. 817–835, met name punten 45 en 46, blz. 829 en 830.
Zie Bonomi, A., ‘Artikel 25. Pacte successoral’, in Bonomi, A., en Wautelet, P., Le droit européen des succession, Commentaire du règlement (UE) no 650/2012, du 4 juillet 2012, reeds aangehaald, blz. 429–449, met name punt 13, blz. 436; Pesendorfer, U., ‘Art. 3 EuErbVO’, in Burgstaller, A., Neumayr, M., Geroldinger, A., en Schmaranzer, G., Die EU-Erbrechtsverordnung, LexisNexis, Wenen, 2016, blz. 68–81, met name punten 12 en 17, blz. 74–76, en Dutta, A., ‘Art. 3 EuErbVO Begriffsbestimmungen’, Münchener Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, C.H. Beck, München, 2020, punt 8.
Zie Boulanger, D., reeds aangehaald, punt 14, blz. 41.
Zie in dezelfde trant Bonomi, A., ‘Artikel 3. Définitions’, in Bonomi, A., en Wautelet, P., Le droit européen des succession, Commentaire du règlement (UE) no 650/2012, du 4 juillet 2012, reeds aangehaald, blz. 143–179, met name punt 21, blz. 155; Dutta, A., ‘Art. 1 EuErbVO Anwendungsbereich’, Münchener Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, reeds aangehaald, punt 37, en ‘Art. 3 EuErbVO Begriffsbestimmungen’, reeds aangehaald, punt 10; Mankowski, P., ‘Art 1 EuErbVO’, in Deixler-Hübner, A., en Schauer, M., Kommentar zur EU-Erbrechtsverordnung (EuErbVO), 2e druk, Manz'sche Verlags- und Universitätsbuchhandlung, Wenen, 2020, blz. 16–66, met name punt 79, blz. 42 en 43; Deixler-Hübner, A., en Schauer, M., ‘Art 3 EuErbVO’ in Deixler-Hübner, A., en Schauer, M., Kommentar zur EU-Erbrechtsverordnung (EuErbVO), reeds aangehaald, blz. 70–94, met name, punt 14, blz. 77 en 78, en Fontanellas Morell, J. M., ‘Las donaciones mortis causa ante la reglementación comunitaria de la sucesiones’, Anuario Español de Derecho Internacional Privado, Iprolex, Madrid, Spanje, 2011, blz. 465–484, met name blz. 481–483.
Ik deel hier niet de zienswijze van de Spaanse regering, maar schaar mij achter de analyses van de andere deelnemers aan de procedure dat het in artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 650/2012 gebezigde begrip ‘erfovereenkomst’ in voldoende algemene bewoordingen is gesteld om ook een overeenkomst met betrekking tot slechts één goed of een deel van de nalatenschap te kunnen omvatten. Het volstaat dat aan het gemeenschappelijke criterium is voldaan zoals dat voortvloeit uit datzelfde artikel, onder d), in samenhang met de onder a) opgenomen definitie van uiterste wilsbeschikkingen, namelijk dat er sprake is van een overdracht van de eigendom van (een) goed(eren) die plaatsvindt op het tijdstip van overlijden van de eigenaar, die partij bij de overeenkomst is.
Zie Bonomi, A., ‘Artikel 1. Champ d'application’, reeds aangehaald, punten 51 en 52, en de in de voetnoten aangehaalde auteurs, blz. 102–104.
Zie Bonomi, A., ‘Article 1. Champ d'application’, reeds aangehaald, punt 53, en de in voetnoot 76 aangehaalde auteurs, blz. 104. Zie ook Dutta, A., ‘Art. 25 EuErbVO Erbverträge’, Münchener Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, reeds aangehaald, punt 9. Met betrekking tot de meer algemene overweging dat aansluiting zou moeten worden gezocht bij het recht dat van toepassing is op uiterste wilsbeschikkingen, zie Bonomi, A., ‘Article 1. Champ d'application’, reeds aangehaald, punt 53, en de in voetnoot 75 aangehaalde auteurs, blz. 104. Zie, in dezelfde zin, Köhler, A., ‘Teil 1 EuErbVO, § 4 Internationales Privatrecht’ in Grierl, W., Köhler, A., Kroiß, L., en Wilsch, H., Internationales Erbrecht: EuErbVO, IntErbRVG, DurchfVO, Länderberichte, 3e druk, Nomos, Wenen, 2020, blz. 57–127, met name punt 52, blz. 70, en punt 74, blz. 78.
Zie arresten van 12 oktober 2017, Kubicka (C-218/16, EU:C:2017:755, punt 56), en 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 49).
Zie overweging 37 van verordening nr. 650/2012 en arresten van 12 oktober 2017, Kubicka (C-218/16, EU:C:2017:755, punten 44 en 57), en 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 56).
Zie arresten van 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punt 55), en 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punt 41).
Zie, met betrekking tot de bepalingen inzake de rechterlijke bevoegdheid ter zake van erfopvolging, arrest van 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punt 69). Het Hof was van oordeel dat ‘het beginsel van eenheid van de nalatenschap […] niet absoluut [is]’.
Zie in dit verband, Boulanger, D., reeds aangehaald, punten 16 en 17, blz. 41. Zie in het Duitse recht ook Dutta, A., ‘Art. 3 EuErbVO Begriffsbestimmungen’, reeds aangehaald, punt 11.
PB 2008, L 177, blz. 6. Er bestaan twee belangrijke verschillen tussen verordening nr. 593/2008 en verordening nr. 650/2012 als we kijken naar de aanknopingsregels die laatstgenoemde verordening juist wil afschaffen. Enerzijds geldt ingevolge artikel 3 van verordening nr. 593/2008 dat de bij de schenking betrokken partijen een vrije rechtskeuze hebben met betrekking tot het recht waardoor de overeenkomst wordt beheerst. Anderzijds zijn volgens artikel 4, lid 1, onder c), van deze verordening schenkingen van onroerend goed, bij gebreke van een rechtskeuze, onderworpen aan het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen. Bovendien kan uit artikel 4, lid 2, van deze verordening worden afgeleid dat, bij gebreke van een rechtskeuze, schenkingen van roerend goed worden beheerst door het recht van de gewone verblijfplaats van de schenker, die de partij is die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten.
Volgens artikel 1, lid 2, onder c), van verordening nr. 593/2008 is het familievermogensrecht uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening. Zie dienaangaande de samenvatting van Gaudemet-Tallon, H., ‘Convention de Rome du 19 juin 1980 et règlement ‘Rome I’ du 17 juin 2008. — Champ d'application. — Clauses générales’, JurisClasseur Droit international, LexisNexis, Parijs, 2020, deel 552-11, punt 52.
Zie punt 19 van deze conclusie.
Zie punt 43 van deze conclusie.
Zie letter f) van deze overeenkomst, aangehaald in punt 19 van deze conclusie.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, wordt het toepassingsgebied van het gekozen recht gepreciseerd in de Engelse, de Franse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Poolse versie en is de Spaanse versie, die bij de bekendmaking ervan net zo dubbelzinnig was als de Duitse versie, gerectificeerd als volgt: ‘Cualquier persona podrá designar como la ley que haya de regir su sucesión en su conjunto la ley […]’ (Een persoon kan als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, het recht kiezen […]) (rectificatie PB 2019, L 243, blz. 9).
Zie arrest van 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punten 88 en 92).
Zie artikel 15 van verordening nr. 650/2012, met het opschrift ‘Toetsing van de bevoegdheid’. Zie, met betrekking tot de bevoegdheidsregels en de gevolgen daarvan voor het verkeer van beslissingen, arresten van 21 juni 2018, Oberle (C-20/17, EU:C:2018:485, punten 37 en 53–55), en 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punten 61 en 62).
Zie, met betrekking tot de samenhang tussen de overgangsbepalingen en het verband tussen deze bepalingen en de bevoegdheid van de internationale rechter, conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:230, punten 101–104 en punten 108–112).
Zie arrest van 16 juli 2020, E. E. (Rechterlijke bevoegdheid en op erfopvolging toepasselijk recht) (C-80/19, EU:C:2020:569, punten 92 en 93).