Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.5.3
3.5.5.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584821:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 67 en 190.
Zie Verdaas 2008a, nr. 439. Behoudt de pandgever een eigen belang bij de procedure, zoals een proceskostenveroordeling, dan kan hij voor dát deel in de procedure blijven. Voor het overige neemt de openbaar pandhouder de procedure over.
Zie Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 362a.
Met dien verstande dat art. 477b lid 3 Rv van toepassing blijft ten aanzien van de uitspraak die wordt verkregen door de beslaglegger.
Zie hierover o.a. Losbladige Faillissementsrecht 2009 (A.A.]. Smelt), art. 27; Stein 2005, par. 6.15; Asser 1996, p. 249 e.v.; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 375. Ook in hoger beroep en cassatie kan van art. 27 Fw gebruik worden gemaakt. Zie HR 7 september 2007, NJ 2007, 577. Is de gefailleerde de schuldenaar, dan zijn art. 26 en 29 Fw van toepassing. Zie ook art. 25, 30-31 Fw. Geeft de curator te kennen dat hij het geding niet overneemt, dan kan de gefailleerde om ontslag van instantie verzoeken (art. 27 lid2 Fw). Zie voor de afwijzing van een dergelijk verzoek wegens de nauwe verwevenheid van de vorderingen in conventie en reconventie, Hof Arnhem 25 mei 2010, JOR 2010/288. Vgl. voorts Rb. Amsterdam 7 oktober 2009, JOR 2010/207; Hof Amsterdam 24 maart 2009, JOR 2009/153.
Bijvoorbeeld, als een hoger gerangschikte pandhouder mededeling doet en daardoor met uitsluiting van de lager gerangschikte pandhouder inningsbevoegd wordt; als een pandhouder in faillissement mededeling doet, en daardoor met uitsluiting van de curator inningsbevoegd wordt; als de curator van de geëxecuteerde een door de beslaglegger begonnen procedure jegens de derde-beslagene overneemt (zie Hermans 1996, p. 235 e.v.) of als na ontslag van een curator of bewindvoerder een nieuwe curator respectievelijk bewindvoerder wordt aangesteld; of als een andere deelgenoot na wijziging van de beheersregeling beheersbevoegd wordt.
Vgl. Verdaas 2008a, nr. 440. Anders: Rb. 's-Hertogenbosch 13 oktober 2004, JOR 2005/46, m.nt. E. Loesberg.
Uit de omstandigheid dat hij het geding voortzet, kan worden afgeleid dat hij daartoe ook bevoegd is op grond van een last tot inning in eigen naam. Zie hiervóór nr. 127.
Zie hiervóór nr. 133 en 135.
Zie hiervoor nr. 129.
Vgl. o.a. Stein/Rueb 2009, par. 6.11; T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2002 (C.J.J. van Maanen), art. 225, aant. 2c; F.H. J. Mijnssen in zijn noot (sub 6) onder HR 19 oktober 1979, NJ 1980, 299; en Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 67 en 190. In sommige gevallen bestaat een overlap met de schorsingsgronden in art. 225 lid 1 sub a en sub b Rv.
Bij faillissement geldt als regel dat veroordelingen van de failliet in procedures die niet door de curator zijn voortgezet tegenover de failliete boedel geen rechtskracht hebben (art. 25 lid 2 Fw).
Zie ten aanzien van de last tot inning, F.E. Vermeulen 2005, p. 169.
Zie ook F.E. Vermeulen 2005, p. 169.
141. Hoewel de stille cessie als zodanig een grond voor schorsing is, zal in veel gevallen de stille cedent als formele procespartij krachtens (privatieve) lastgeving inningsbevoegd blijven. Het is dan de vraag of desondanks de overgang van de vordering aanleiding bestaat om een schorsingsgrond aan te nemen. Het antwoord dient ontkennend te luiden.
Onder het ophouden van de betrekkingen waarin de partij het geding voerde zoals bedoeld in art. 225 lid1 sub c Rv, valt niet alleen de overgang van de vordering, maar ook de verkrijging van de (exclusieve) inningsbevoegdheid door een derde. Bijvoorbeeld, na ondercuratelestelling kan de curator bijvoorbeeld een door de curandus gestarte procedure overnemen.1 Hetzelfde geldt voor de pandhouder die mededeling doet2 en voor de executeur die het beheer over een nalatenschap krijgt.3 Bij derdenbeslag kan de beslaglegger om schorsing vragen en de procedure overnemen.4Art. 27 Fw bevat een bijzondere regeling op grond waarvan de curator een door de gefailleerde begonnen procedure als formele procespartij kan voortzetten.5 De bepaling wijkt ten dele van art. 225 Rv af. Ook als in plaats van de ene procesbevoegde derde een andere derde exclusief procesbevoegd wordt, kan deze laatste door schorsing een vervanging van de formele procespartij bewerkstelligen.6 Ook als een openbaar pandhouder een procedure voert tegen de schuldenaar van de aan hem verpande vordering, en hij vervolgens (als schuldeiser) de hoofdvordering overdraagt waarvoor het pandrecht op de litigieuze vordering is gevestigd, kan de nieuwe schuldeiser en openbaar pandhouder na schorsing de procedure overnemen.7
Blijft de formele procespartij na een rechtsopvolging procesbevoegd, zoals een stille cedent die krachtens een last tot inning in eigen naam de procedure kan voortzetten, dan bestaat geen grond voor schorsing van het geding. De stille cedent blijft procesbevoegd, ook al is de rechtsgrond daarvoor niet langer het schuldeiserschap, maar lastgeving. Hij behoeft om die reden niet vervangen te worden.8 Zou bijvoorbeeld de schuldenaar kennis hebben gekregen van de stille cessie en toegelaten worden om schorsing verzoeken, dan dient de stille cedent te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij krachtens privatieve last procesbevoegd is gebleven9 en dient het schorsingsverzoek te worden afgewezen.
Derhalve, als twee schorsingsgronden cumuleren, met als uitkomst dat de oorspronkelijke formele procespartij in een andere hoedanigheid procesbevoegd blijft, bestaat géén grond voor schorsing van het geding ex art. 225 Rv. Dit geldt voor de stille cessie in het geval dat de stille cedent na de stille cessie procesbevoegd blijft krachtens lastgeving. Een ander voorbeeld is als dezelfde persoon vóór het overlijden van de schuldeiser als bewindvoerder procesbevoegd was, en na het overlijden van de schuldeiser als executeur procesbevoegd blijft.
142. Het is voorts de vraag of mededeling van de stille cessie dan wel de opzegging van de (privatieve) last een schorsingsgrond als bedoeld in art. 225 Rv oplevert.
Niet de mededeling als zodanig is een grond voor schorsing. Wordt mededeling gedaan van de schorsing, dan is het immers mogelijk dat de cedent krachtens lastgeving als formele procespartij kan aanblijven. Een schorsingsgrond ontbreekt dan.10 Pas als een verandering optreedt in de procesbevoegdheid van de formele procespartij is dit een grond voor schorsing zoals bedoeld in art. 225 lid 1 sub c Rv. Onder het ophouden van de betrekkingen waarin de partij het geding voerde zoals bedoeld in art. 225 lid 1 sub c Rv, valt het verlies van de inningsbevoegdheid van de derde die als formele procespartij optreedt.11 Bijvoorbeeld, wordt door de pandhouder mededeling gedaan nadat de pandgever de procedure is begonnen, dan is dit een grond voor schorsing. Wordt het geding bij verlies van procesbevoegdheid niet geschorst, dan wordt het geding in beginsel op naam van de oorspronkelijke partij wordt voortgezet (art. 225 lid 2 tweede zin Rv).12 Wordt derhalve tijdens de procedure de vordering stil gecedeerd, dan blijft de stille cedent zonder nadere verrichting in beginsel als formele procespartij aan.
Procedeert de stille cedent krachtens lastgeving en wordt deze tijdens de procedure beëindigd en doet de stille cessionaris mededeling aan de schuldenaar, dan kan hij het geding schorsen ex art. 225 lid 1 sub c Rv en de stille cedent als formele procespartij door hemzelf laten vervangen.13 Verzoekt de cessionaris om schorsing van het geding, dan zal daarin mededeling besloten liggen alsmede opzegging van de last tot inning aan de cedent. Is het niet mogelijk om de privatieve last op te zeggen (zie bijvoorbeeld art. 7:422 lid 2 BW), dan dient het schorsingsverzoek door de stille cessionaris te worden afgewezen. Is het niet mogelijk om de last tot inning op te zeggen, maar is sprake van een gewone last tot inning, dan is het de vraag of de cessionaris de procedure dient te kunnen overnemen. Kan de last tot inning niet worden opgezegd, omdat deze in het belang van de lasthebber is afgegeven (art. 7:422 lid 2 BW), dan dient het antwoord in beginsel ontkennend te luiden.14 Als de stille cedent een eigen belang bij de procedure houdt, zoals een proceskostenveroordeling of een schadevergoedingsvordering die niet met de vordering is overgegaan, dient het mogelijk te zijn dat de stille cessionaris de positie van de stille cedent ten dele overneemt na schorsing ex art. 225 Rv.