NJB 2025/1906:Cassatie in het belang van de wet over opheffing van de schorsing van voorlopige hechtenis bij een veroordeling, art. 82 Sv: de Hoge Raad gaat in op de vraag welk beoordelingskader de rechter moet hanteren bij een beslissing over de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis, met name in het geval de rechter de verdachte veroordeelt tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel van een zekere duur. De enkele omstandigheid dat bij het vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de ondergane voorlopige hechtenis, vormt geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Aan die beslissing tot opheffing dient een (nadere) afweging ten grondslag te liggen tussen de strafvorderlijke belangen die met de (verdere) tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis zijn gemoeid en de belangen van de verdachte.